De knoedel van de taal


“De knoedel van de taal” is een hele mooie (nieuwe) uitdrukking van Marc van Oostendorp. En ja, wat mij betreft zit het schrift in die knoedel, gelukkig maar want anders had ik geen werk, ik ben dan ook geen taalgeleerde maar een zelfstandige tekstschrijver, redacteur, vertaler en wat dies meer zij. Het komt bij mij altijd in letters terecht en toen ik begon was ik een echte frik, ik merkte elk lettertje op dat (in 1986, volgens het oude Groene Boekje) niet goed op zijn plaats stond, en ik vond het belangrijk om ze goed te zetten. Maar wel in het voorbijgaan, want de inhoud kwam voor mij ook toen al altijd op de eerste plaats en dat is nog steeds zo.

In de loop der tijd – spelling is sowieso een hobby van ouder wordende mannen – ben ik me steeds meer gaan afvragen hoe zinnig het dichttimmeren van het schrift in spellingregels eigenlijk is. Ik sloeg gade met hoe veel ijver (en geheimhouding) er bij de Taalunie werd toegewerkt naar dat ene volledig kloppende systeem, het ultieme antwoord op de vraag van de mensen “hoe schrijf ik dat?”.

In het Taaladviesoverleg (TAO, de kraamkamer van de taaladviezen op www.taaladvies.net), waar ik jarenlang deel van uitmaakte, gingen de meeste vragen daar ook over, en de discussies in dat gremium leken soms sterk op die over het aantal engelen op de punt van een speld.

Waar ging dit over? Hielpen wij mensen die thuis of op hun werk met elkaar zaten te kibbelen over een lettertje in een woord, met scrabbelen ofzo, bij weddenschappen? En andere taalvragen waren van bijna dezelfde orde. Bijna nooit, zo niet nooit, ging het om de vraag of, en waarom, een bepaalde taaluiting met een bepaalde structuur of in een bepaalde verschijningsvorm, binnen een communicatieve situatie tot een onverwacht, onbedoeld en ongewenst effect zou kunnen leiden.

Het correctheidsdenken (dat óók in Renkema’s befaamde CCC-model zit) is een opzichzelfstaand ding geworden dat, denk ik, en neem ik waar voorzover ik er mensen over spreek, een scheiding aanbrengt tussen bevolkingsgroepen die denken dat ze hun taal wél correct “beheersen” en degenen die denken dat ze dat niet kunnen, en daarbinnen heb je nog mensen die het wel zouden willen en die het proberen maar die zien dat het niet lukt, en degenen die het een rooie rotzorg zal wezen of die wel wat anders aan hun kop hebben. Bij degenen die denken dat ze de taal en het spellingsysteem beheersen, zijn er die zich daar enorm op laten voorstaan; die vinden dat degenen die het niet kunnen, dom of lui zijn (à la de Chinese Mandarijnen van vroeger met hun ondoordringbare taal), en wellicht ook mensen die er net als ik een beetje verlegen mee zijn dat ze het zelf zo goed kunnen terwijl ze zien dat anderen er zo veel moeite mee hebben.

Ik heb dus niks tegen schrift maar wel tegen de schriftgeleerden die bij anderen het gevoel versterken dat ze het niet goed doen of niet goed kunnen. Bijvoorbeeld door verdicten uit te spreken over of een bepaalde spelwijze van een woord, of het gebruik van een of ander tussenwoordje, of het mannelijk of vrouwelijk woordgeslacht, juist is of niet. Door die hele benadering – wat Kees van Kooten bij het Dictee deed is er een schoolvoorbeeld van – worden mensen geïntimideerd. Prinses Laurentien vertelde bij Onze Taal in Breda over iemand die door het werk van haar Stichting met dezelfde naam had leren Lezen en Schrijven, en die daarop had gereageerd nu niet meer bang voor taal te zijn. Prima! Maar: hoe is het überhaupt mogelijk dat volwassen mensen bang voor taal zijn??

In dezelfde voordracht stelde de prinses de 1000 taalliefhebbers in de zaal op de proef met hoe je “met voorbedachten rade” moet schrijven en met de vraag of je naar “de raad” met “zijn” of met “haar” moest verwijzen (wat de helft verkeerd deed). Hoe hoog leg je de lat? Waar begint het gemierenneuk? En hoe zeker ben je er eigenlijk van dat je het met die “haarziekte” wel bij het rechte eind hebt? Aan mevrouw Van Oranje-Brinkhorst lijkt geen groot taalgeleerde verloren gegaan, want er is voldoende literatuur over het verklaarbare gebruik van “haar” bij verwijzingen naar abstracta en collectiva.

Ik maakte in mijn stuk in NRC Handelsblad (inmiddels ook nog in NRC Next verschenen) de vergelijking met muziek en mode en techniek, omdat er op die domeinen aldoor, dagelijks, veranderingen optreden en verschillende vormen en manieren van doen naast elkaar bestaan. Hetzelfde geldt voor de spreektaal, Van Oostendorp is de eerste om dat te kunnen toelichten. Maar als je diezelfde taal wilt opschrijven, moet dat er ineens uitzien als gisteren en eergisteren en tien en twintig jaar geleden?

En als je “fouten” maakt, moet je dan maar accepteren dat godmagwetenwie je daarop terechtwijst? Het plaatje van Kuifje als verklede Zuidamerikaanse legergeneraal die de koperen knopen op de uniformen van zijn soldaten op gepoetsheid inspecteert, dringt zich aan me op. Een leerkracht Nederlands vond het Grote Dictee “elitair” – ik neem aan dat ze dat voor het afgelopen Dictee óók vond, a fortiori misschien zelfs wel.

Het bouwsel van de spelling zoals neergelegd in het Groene Boekje is niet productief; en dat bouwsel is een van boven opgelegd keurslijf dat officieel alleen maar geldt voor de overheid en voor het onderwijs. Bovendien kent de Spellingwet geen sanctie op overtredingen. Met andere woorden: wij allen in onze hoedanigheid van burgers en zelfs publicerende taalgeleerden, mogen spellen zoals wij zelf willen of zoals wij zelf het beste vinden; en we zouden daar eigen criteria voor kunnen aanhouden. Zelfs als we anders spellen dan anderen, het blijft spelling, 26 letters en een handvol tekentjes om de bedoelde klanken nog wat verder te verduidelijken.

Ik lees Trouw en constateer dat die krant de afwijkende (meerkeuze-)spelling van het Witte Boekje aanhoudt, en ik stel dat op prijs omdat je daardoor woordbeelden krijgt die meestal beter bij mijn mentale voorstelling van de omschreven begrippen passen.

Wat ik overigens bijzonder merkwaardig vind, is dat zowel de spellingcommissie die het Groene Boekje in elkaar heeft geknutseld, als taalgeleerden die er later onderzoek naar hebben gedaan, de inzichten van Wim Mattens over de “indifferentialis” volstrekt hebben genegeerd. Uit Nijmegen komen nieuwe geluiden die bevestigen wat we al heel lang wisten, namelijk dat mensen bij de tussen-n de associatie aan het meervoud krijgen en bij het ontbreken ervan denken ze eerder aan het enkelvoud. De leden van de spellingcommissie wisten dat ook want ze maakten twee belangrijke uitzonderingen voor de verplichte tussen-n die beide een semantische basis hadden: Koninginnedag, en samenstellingen met zon – zonnestraal, zonnepaneel -, want we hebben in de lage landen maar één Koningin (toen nog) en één zon.

Maar er is meer onder die zon dan enkelvoud en meervoud. Mattens beschreef het fenomeen dat een woord dat als linkerdeel in een samenstelling kan staan, ook wel eens een abstract begrip kan inhouden dat zich onttrekt aan de dichotomie van enkelvoud of meervoud. We eten vandaag kip. Kippevlees. Waar best meer dan één kip voor kan zijn gebruikt.

Ik heb Mattens geïnterviewd en vervolgens voorgesteld om zijn indifferentialis “geenvoud” te noemen maar ook nog een “gemeenvoud” in te voeren voor de gevallen waarin we de meervoudsvorm gebruiken om een gemeenschappelijk kenmerk aan te geven dat meerdere exemplaren met elkaar delen: herenmode, damestoiletten, paardenstaarten. Niet toevallig alleen maar de staart zoals één paard die heeft, maar zoals de meeste paarden die hebben. Vergeet verder die paarden, het gaat om de meisjes die dat soort staarten dragen. (Vergelijk anders de vraag “heb je kinderen?” en het als correct aangevoelde antwoord “ja’ van iemand die één zoon of dochter heeft. “Kinderen” is hier mijn “gemeenvoud”, ze hebben gemeen dat ze ouders hebben.)

Wat met die tussen-n in ieder geval NIET moet gebeuren, is dat mensen gaan hypercorrigeren – wat ze zijn gaan doen – door de verplichte n te gaan uitspreken terwijl ze dat daarvoor nooit deden. Net zoals mensen nu “dielietete” zeggen omdat we “deletete” schrijven terwijl dat alleen maar de spelling moest wezen voor “dieliete”.

Als het inderdaad zo is dat taalgebruikers letters en klanken met elkaar in verband brengen – wat ik graag en voetstoots en zeker op gezag van Van Oostendorp aanneem -, dan moeten toch die 325 (+1) regels in meerderheid volstrekt overbodig zijn – want hoe veel klanken hebben we nou helemaal en hoe veel letters??? Waarom zouden we niet een veel kleiner aantal werkbare basisprincipes met elkaar kunnen afspreken? Let wel, ik pleit er NIET voor om de hele spelling maar overboord te kieperen, zoals ze me op Scholieren.com min of meer in de mond hebben gelegd. Het is wel handig als we met z’n allen op zijn minst datgene doen wat voor iedereen voor de hand ligt. (En ik heb er wel Erik of het klein insectenboek van Bomans bijgehaald, waar Erik tegen de insecten zegt dat niet zij moeten doen wat in Solms’ Beknopte Natuurlijke Historie staat, maar dat Solms beschrijft wat zij doen en dat ze dat vooral moeten blijven doen, ook als het niet, of anders, in Solms staat.)

De angel zit ‘m in de extreme gedetailleerdheid van de regels aan de ene kant, én in het daarnaast bestaan van vele woorden waarvan je de spelling evengoed niet rechtstreeks uit die 325 (+1) regels kunt afleiden. De leenwoorden van de laatste eeuw moeten we min of meer schrijven volgens de spelling van de taal waar ze uit vandaan komen. Dan verwacht je dus van mensen dat ze altijd aanvoelen wat uitheemse woorden zijn, en dat ze die uitheemse taal kennen, of dat ze het Groene Boekje bij zich hebben. Ook het herleiden van woorden tot hun oudere verschijningsvormen, betekent dat je van mensen verlangt dat ze dat soort woorden herkennen; maar waarom zouden ze? We leven toch nú, niemand staat toch met zijn voeten in de taal van de vijftiende eeuw of eerder?

Je mag toch ook van spellingconventies verwachten dat je er (bijna) net zo gemakkelijk gebruik van kunt maken als van de “taal zelf”, of van allerlei andere dingen die je voor je dagelijkse functioneren nodig hebt – fietsen, je broek aantrekken, je veters strikken, je tanden poetsen, je boodschappen doen en je eten klaarmaken, je telefoon bedienen, etc etc? De spelling moet “robuust” zijn, zou dat in jargon van enkele jaren geleden heten. In het dagelijkse verkeer van onze schriftelijke communicatie tegen een stootje kunnen, en op sommige punten eens van gedaante veranderen, zoals dat met werkelijk alle andere dingen ook gebeurt!?

De spelling volgens het huidige Groene Boekje is wel een lezersspelling genoemd. En inderdaad; het is voor lezers heel plezierig en gemakkelijk als ze altijd dezelfde woordbeelden tegenkomen, al dan niet op basis van toepassing van dezelfde regels. Ik vind het prima als onze uitgevers zich aan gedetailleerde conventies houden; hoe groter de oplagen en hoe belangrijker het is dat de tekst gemakkelijk gelezen en begrepen wordt, hoe beter.

Maar dat we met z’n allen in de val trappen dat het dan ook altijd zo moet en nooit ietsje anders kan of mag, terwijl we in de spreektaal een enorme variatie aankunnen, lijkt mij behoorlijk contraproductief. Hoe dichter de schrijver en de lezer bij elkaar staan, of hoe beter ze je kennen, des te sterker werkt de redundantie: al die schijnbaar overbodige informatie in je tekst of eromheen die er toch maar mooi voor zorgt dat je doelgroep beter begrijpt wat je bedoelt. Je mag als schrijver wel énige inspanning van je lezers verwachten – en als ze die er niet voor over hebben, wordt het tijd dat je eens kijkt waar dat aan ligt. Misschien aan je al te sterke afwijking van de gebruikelijke woordbeelden, misschien aan heel andere dingen. De inhoud, bijvoorbeeld, van wat je te vertellen hebt.

Mijn impliciete ontkenning “spelling is geen taal” in het stukje in de NRC, was te verstaan als “spelling valt niet samen met taal”. Een bedreven taalgebruiker (en moedertaalspreker) formuleerde zijn bezwaar tegen de spellinghervorming van 1995 met “toen ze de taal veranderden”. Daar was mijn uitspraak tegen bedoeld. (In het zinnetje van Van Oostendorp daarover stond “niet”, hij bedoelde “net”; dát scheelde nou wél weer een stuk in de begrijpelijkheid van zijn tekst.) Natuurlijk is spelling een facet van de taal; wie weet dat “facet” een vlak kantje van een geslepen diamant is weet dat het facet onlosmakelijk met de taal is verbonden. Maar een diamant is meer dan zijn facetten en er kan aan geslepen worden.

Ik heb nog een kanttekening en een toelichting.

De kanttekening: stel dat wij de Engelse leenwoorden nog grootscheeps zouden gaan schrijven volgens “onze” eigen fonetische principes, dan maken we het onszelf wel ietsje moeilijker om diezelfde woorden in het Engels te herkennen. Maar ik denk dat we daar goed aan zouden kunnen wennen. Het valt uit te zoeken bij talen waar ze dat zo doen.

De toelichting: waarom tel ik 325 (+1) regels in het Groene Boekje? Omdat er eentje niet in staat. Bijvoeglijke naamwoorden die zijn afgeleid van stofnamen, schrijven we met -(e)n: een ijzeren hand in een fluwelen handschoen.

Wie mijn inventaris van de 325 regels wil hebben sture me een verzoekje per e-mail,felixvandelaar@xs4all.nl en ik stuur het bestandje op.

Dit bericht is geplaatst in taalbeheersing met de tags , . Bookmark de permalink.