Behoeftich, ghevanghen, arm, creupel, en lam

Over de sonnetten van Roemer Visscher

Door Marc van Oostendorp


De ontwikkeling van het Nederlandse sonnet door de eeuwen heen – dat is nu zo’n onderwerp waarvan je zou willen dat er boekenkasten vol over geschreven zouden zijn. Of, nou ja, zo geen kasten, dan toch enkele planken. Of in ieder geval, kom op, één plankje. Of toch in ieder geval een lekker dik boek. Of, als het anders niet kan, een middeldik boek. Een proefschrift, dan. Door een niet al te getalenteerde promovendus.

Maar niets van dat al. Er verschijnen natuurlijk al decennia lang bloemlezingen, en inleidingen bij bloemlezingen, en deelstudies, en artikelen, maar het grote boek ontbreekt, of in ieder geval, ik kan het niet vinden. Hoewel er nog steeds sonnetten geschreven worden, geloof ik niet dat ons taalgebied een geleerde kent die zich speciaal voor het genre interesseert. In het algemeen hebben letterkundigen het naar mijn indruk helaas niet zo op vormen. De studie ervan wordt niet erg serieus genomen.

Roemer Visscher (1547-1620) zou een interessant hoofdstukje in zo’n boek op zo’n plank inkunnen krijgen.
 Hij was weliswaar niet de allereerste die sonnetten in onze talen publiceerde – ze zijn dankzij Anneke Fleurkens sinds kort allemaal in een voorbeeldige editie van Visschers Brabbeling in de DBNL te vinden – maar hij behoorde wel degelijk tot de pioniers. Het genre was in de veertiende eeuw in Italië ontstaan, en bereikte in Visschers tijd via Frankrijk onze hoek van Europa.

Over Visschers pogingen wordt kennelijk over het algemeen niet al te positief gedacht. Fleurkens schrijft:

Het oordeel over de kwaliteit van Visschers sonnetten is vaak nogal gereserveerd. Overdiep spreekt, om een enkel voorbeeld te noemen, onomwonden van ‘mislukte “Sonnetten”’ en Foncke ziet ze, hoewel ‘beslist niet oninteressant’, toch niet als ‘juweeltjes van poëtische kunst’. Een belangrijk element bij die zuinige waardering blijkt het gegeven dat Roemer Visscher zich niets gelegen liet liggen aan het bij het sonnet passende metrum maar vasthield aan het traditionele heffingsvers van de rederijkers.

Ook de enige die ooit uitgebreider over de Visschers sonnetten schreef, Wim Vermeer, heeft zich alleen in negatieve zin over de sonnetten uitgesproken. Visscher noemde ze met een neologiscme ‘tuyters’ (klankgedichten, een vertaling van sonetto), maar volgens Vermeer klonken ze niet echt muzikaal.

Ik denk dat Vermeer daarmee geen recht deed aan wat Visscher probeerde. Hier is een van Visschers sonnetten, een vertaling/bewerking van Ronsard. Ik voeg het origineel ook toe:

Al waer ick een Cour, Deen, Schot, of Vin,
Behoeftich, ghevanghen, arm, creupel, en lam,
Onmachtich, verschrompelt, oudt, laelijck, en stram,
Soo behoorde ghy niet te zijn, so wreet van sin.
Ick weet wel dat ick niet waerdich en bin,
Soo hooghe te minnen dan u deuchde stalt,
Mynen wille, en hoe ghy my straffer valt,
Hoe ick u schoonheyt meer en meer bemin.
Denct ghy eenen uws schoonheyts waerdich te wachten,
So zijt ghy bedroghen van u loose ghedachten:
Want dat moest een God, en geen mensche wesen:
Maer wilt ghy ghevrijt zijn, soo sinckt uwen moet,
Overlegghende dat Venus die Goddinne soet,
Een Herder voor haer Lief had uytghelesen. 

Quand je serois un Turc, un Arabe, ou un Scythe,
Pauvre, captif, malade, et d’honneur dévestu,
Laid, vieillard, impotent, encor’ ne devrois-tu
Estre, comme tu es, envers moy si dépite:
Je suis bien asseuré que mon coeur ne merite
D’aymer en si bon lieu, mais ta seule vertu
Me force de ce faire, et plus je suis batu
De ta fiere rigueur, plus ta beauté m’incite.
Si tu penses trouver un serviteur qui soit
Digne de ta beauté, ton penser te deçoit,
Car un Dieu (tant s’en-faut un homme) n’en est digne.
Si tu veux donc aymer, il faut changer de coeur:
Ne sçais-tu que Venus (bien qu’elle fust divine)
Jadis pour son amy choisit bien un pasteur?

Het sonnet van Ronsard is, zoals in Frankrijk gebruikelijk, geschreven in een lettergreepvers: iedere regel heeft precies twaalf lettergrepen. Je hoeft niet enorm geleerd te zijn om te constateren dat dit voor Visschers versie niet geldt.

Lettergrepen tellen was wat Visschers tijdgenoot Jan van der Noot (1539-1595) bijvoorbeeld wel probeerde te doen in het Nederlandse sonnet. Roemer Visscher hield daarentegen vast aan een ander soort ritme, een dat diepe wortels had in de Nederlandse (en Germaanse) dichtkunst, en waarbij je alleen telt hoeveel beklemtoonde lettergrepen je in een regel had. Visscher was een van de laatsten die deze vorm gebruikte en het is voor ons moeilijk voor te stellen hoe je een regel in dat oude metrum precies moet lezen. Maar dat lijkt me een gebrek aan onze kant, en niet per se een reden om te zeggen dat Visschers sonnetten ‘niet echt muzikaal’ waren. De muziek is misschien wel verloren gegaan.

Bovendien was er wel degelijk een kwestie, waar Van der Noot en andere navolgers van de Franse traditie overheen keken, en dat is Frans ritmisch een heel andere taal is dan het Nederlands. Het komt erop neer dat je in het Frans, ook in gewoon, alledaags Frans, veel meer geneigd bent iedere lettergreep apart uit te spreken, en ieder van die lettergrepen dan ook ongeveer evenveel ruimte te geven, terwijl je in een taal als het Nederlands aan beklemtoonde lettergrepen veel meer tijd besteed, terwijl de onbeklemtoonde er maar een beetje bij hangen.

Dat is volgens moderne inzichten ook niet zomaar een verschil tussen de twee talen, maar een van de fundamenteelste verschillen, dat kinderen al op heel jonge leeftijd leren en voor altijd met hun moedertaal blijven associëren. (Ik schreef toevallig onlangs een populair-wetenschappelijk artikel over de kwestie voor Onze Taal waarin ik een en ander uitleg.)

In die zin had Roemer Visscher dus gelijk met zijn conservatieve standpunt en voldeden zijn tuyters misschien wel meer aan de eigen muzikaliteit van het Nederlands dan het alternatief van Van der Noot. Dat het heffingenvers niet bij het sonnet zou passen, zoals Fleurkens schrijft, dat moest eigenlijk nog bewezen worden (en het is in zekere zin nooit bewezen, de dichters zijn gewoon gestopt met het te proberen en nu doet niemand het meer, omdat niemand weet hoe het klonk.)

Ondertussen waren nóg andere tijdgenoten, zoals de Leidenaar Jan van Hout (1542-1609), echter begonnen te experimenteren met een andere vorm, namelijk een waarin beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen elkaar afwisselden in een vaste regelmaat en dus in plaats van met lettergrepen gewerkt werd met versvoeten.  Die versvoeten waren ontleend aan de klassieke Griekse en Romeinse dichters, maar kregen in de moderne Europese poëzie een geheel nieuwe interpretatie. De Grieken en Romeinen wisselden namelijk niet zozeer beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen af, als wel lange en korte.

Ook over de manier waarop die aanpassing is gegaan, zou je boekenkasten vol kunnen schrijven. En ook die boekenkasten staan momenteel nog grotendeels leeg.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , , . Bookmark de permalink.

6 reacties op Behoeftich, ghevanghen, arm, creupel, en lam

  1. Olga van Marion schreef:

    Ha Marc, een mooi stuk, ga ik gebruiken voor mijn college over renaissancesonnetten (waar je zeer welkom bij bent!). Ken je Marijke Spies' bundel over sonnetten? Hg Olga

  2. Ha Olga, Ja, die bundel ken ik. Waar en wanneer vindt jouw college plaats?

  3. Jos Damen schreef:

    Beste Marc, Het is dramatisch. Maar 10 centimeter boekenplank met Nederlandstalige literatuur over sonnetten redden we wel: met zowel een dikke bundel, een proefschrift (Nederlandstalig, uit Oslo), twee andere boeken en enkele artikelen. Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Sonnet#Literatuur_.28Nederlandstalig.29 Groet, als immer hartelijk, Jos

  4. Dank je wel. Ja, die literatuur ken ik wel; hij gaat helaas grotendeels over de inhoud en niet over de vormelijke kant. Er is zelfs een interessant artikel van mede-blogger Gert de Jager waarin hij beweert dat de sonnet bij uitstek een visueel fenomeen is! Daar zit enerzijds iets in (je kunt onmogelijk horen dat een gedicht veertien regels telt), maar het gaat voorbij aan de aspecten die ik interessant vind. Zo is er altijd wat.

  5. Olga van Marion schreef:

    Ha Marc,
    Kun je met mij college geven over sonnetten op woensdag 12 februari of 5 maart (15-17 uur)? Klein groepje enthousiaste derdejaars in de UB.
    Hg Olga

  6. We regelen het even via de mail!

Reacties zijn gesloten.