Al lezende in Ogier van Denemerken – 27

Al lezende in Ogier van Denemerken – 27 : Ghevee

Amand Berteloot


In Al lezende 6 : Van ruggen en rotsen hebben we een passage uit het begin van OvD geciteerd, waarin verteld wordt dat Gautier vanop een rots gadeslaat hoe zijn oom Namels door Buteram en twee andere Sarraceense koningen wordt achtervolgd:

An einen ruck kam er geritten,
Da er sahe sinen ohem
Naymelsen vil sere fliehen
Vor Butramen dem payen
Und nach vor ander kunige zwen,
Dargegen er was gevee.  (1876-1881)

Onze reconstructie luidde:

Van eenre roke nam hi goom
daer hi sach sinen oom
Namels vele seere vlien
vor Buterame, den payien
ende noch vor andre coninghe twee,
die jeghen hem waren ghevee.  (Reconstructie 1876-1881).

Dat het laatste vers in dit fragment zo drastisch werd omgewerkt, heeft alles te maken met het feit dat het woord ‘ghevee’ volgens het MNW zoveel betekent als “onderling vijandig, vijandig gezind”. Voor de vluchtende Namels is het inderdaad weinig relevant dat hij vijandig gezind is tegen zijn achtervolgers. Het omgekeerde, namelijk dat hij weinig goeds van hen te verwachten heeft als zij hem in handen krijgen, is op dat ogenblik veel belangrijker. Deze ingreep is dus logisch maar wel erg drastisch en daarom met het nodige voorbehoud te behandelen.

Al lezende wordt men wijzer en dat is ook hier het geval. De twijfels die bij vers 1881 opkomen, doen zich namelijk nog vaker voor en wel telkens als het woord ‘ghevee’ om de hoek komt kijken. WeGl registreert ‘ghevee’ met de betekenis “feindselig” in de verzen 1881, 18112, 19801 (hier in de variant “gevey”) en 19873. Verdam waarschuwt dat er met dat woord “veel geknoeid [is] door overschrijvers en uitgevers.” Hij somt als varianten op: “gewee”, “alge vee” (voor “al gevee”), “genee”, “gheree” en “ghemee”. Het mocht een wonder heten als de Heidelbergse kopiist van OvD niet ook een paar mooie varianten had verzonnen. We registreren inderdaad “genoe”, “gere” en “gewe” in de verzen 1933, 3863 en 11001. Al heeft Hilkert Weddige hier steeds een andersluidende interpretatie paraat, bij al deze woorden gaat het met de grootste waarschijnlijkheid telkens om het Mnl. ‘ghevee’. Alles bij elkaar zijn dat dus zeven vindplaatsen, telkens in rijmpositie. De rijmpartners zijn “twee” (1881, 1933, 3863 en 11001), “ontwee” (17209 en 19801) en de eigennaam “Tenebre” (18112), die in vers 17935 op “twee” rijmt en dus ook een lange ‘ē’ als rijmvocaal heeft.

Om te laten zien waar de schoen wringt, bekijken we een tweede citaat, nl. de verzen 18109 – 18113. Uit een hele troep Sarracenen die door Ogier in de pan werden gehakt, is er een die weet te ontsnappen om zijn meesters te informeren:

Sinen herren fur er zelen
Die nuwe mee vort und vort,
Wie ein cristen so großen mort
Volbrechte und mecht gevee
Alle die payene.  (18109-18113)

In het Nederlands hertaald luidt deze passage vermoedelijk:

Sinen heeren voer hi tellen
die niemare vort ende vort,
hoe een kerstijn so groten mort
vulbrochte ende maecte ghevee
alle die payiene. (Reconstructie 18109-18113)

Als we het MNW en WeGl mogen geloven, dan betekent ‘ghevee’ zoals gezegd “vijandig gezind” oftewel “feindselig”, maar dit past niet echt in de context. De boodschapper gaat zijn meesters niet vertellen dat Ogier vijandig gezind was tegen al zijn kameraden, maar wel dat hij een bloedbad onder hen heeft aangericht. Men krijgt de stellige indruk dat ‘ghevee maken’ in vers 18112 niets anders kan betekenen dan “doden”. Ook de verzen 19873-19874 bevatten de uitdrukking ‘ghevee maken’. Hier heeft Ogier de Sarraceense koning Gaudes doodgestoken en

Das sahe der kunig Agrapert
Und siner ander brudere zwene.
Ogiern begerten sie gevee
Zu machen mit ir maht.  (19871-19874)

Oftewel:

Dat sach die coninc Agrapert
ende sine andre broedre twee.
Ogier begherden si ghevee
te makene met hare macht.  (Reconstructie 19871-19874)

Ook in deze verzen maakt het niet veel zin ‘ghevee’ als “vijandig gezind” te interpreteren. Veeleer wensen Ogiers vijanden niets liever dan hem uit te schakelen. Nog een voorbeeld. In de verzen 19799-19804 vecht Ogier met een reuzin die hem met een zeis te lijf gaat. Ogier verdedigt zich met zijn zwaard:

Der sensen lamel er gerahte
Und slug sie in der mitten enzwey.
Da waende sie wol gevey
Werden und hatt erhaben reht
Der sensen stuck offrecht
Und slug da Ogiern med, … (19788-19804)

In het Mnl.:

Der seisene lemmele hi [= Ogier] gherochte
ende slouchse te middewaert in twee.
Doe waende si [= de reuzin] wel ghevee
werden ende hevet verheven echt
der seisene stick uprecht
ende slouch daer Ogier mede…  (Reconstructie 19788-19804)

Ook hier weer raakt de interpretatie “vijandig gezind” kant noch wal. Wat onze reuzin echter verbindt met Namels in het ons eerste citaat is dat beide zich op dit ogenblik in levensgevaar bevinden. Namels wordt door drie vijanden achtervolgd en de reuzin wordt om zo te zeggen het wapen uit de hand geslagen. M.a.w. ‘ghevee’ lijkt zoiets te betekenen als “in levensgevaar, de dood nabij”. Deze interpretatie past ook in de verzen 1933 en 3863 die in onze reconstructie gelijkluidend zijn en beide zoals vers 1881 de uitdrukking ‘ghevee zijn’ bevatten:

Verbolghen was hi [= Gautier] up die payiene,
hi hadder eer versleghen tiene
alser die Bavier hadde twee.
Wat vore hem quam was ghevee.  (Reconstructie 1930-1933)

En:

Hi [= Karahen] slouch den coninc van Arabie,
daertoe ooc sijnre broedre twee.
Wat vore hem quam, was ghevee.  (Reconstructie 3861-3863)

De laatste zin van beide citaten moet betekenen dat al wie binnen het bereik van deze twee helden kwam, in levensgevaar verkeerde. Maar hoe kan ‘ghevee’ de betekenis “in levensgevaar, de dood nabij” krijgen, zonder dat het MNW daar iets van af weet?

Het antwoord op deze vraag lijkt mij te vinden te zijn in vers 17209 van OvD. Hier zitten we midden in het tweegevecht tussen Ogier en Broyier. Ogier slaagt erin de riem, waaraan Broyiers schild is opgehangen door te hakken, zodat het op de grond valt, waardoor Broyier geen kans meer heeft de wonderzalf die zich aan de binnenkant van het schild bevindt en waarmee hij op staande voet alle verwondingen kan genezen, te bereiken. Dat drijft hem tot wanhoop:

Do woende Broyer wol sin fey.
Nie kein ding yme me derde,
Wenn daz der schilt viel uf die erd,
Da die specie an was ture.  (17209-17212)

In het Mnl.:

Doe waende Broyier wel sijn vee.
Ne gheen dinc hem meer derde
dan dat sijn scilt viel up derde,
daer die specie an was diere.  (Reconstructie 17209-17212)

Hoewel vers 17209 niet het woord ‘ghevee’ bevat, maar wel ‘vee’, is de betekenis dezelfde: Broyier voelt zich in levensgevaar. En deze keer hebben we de oplossing van het raadsel – ere wie ere toekomt! – aan Weddige te danken. Terwijl het MNW er alleen op wijst dat het adjectief ‘vee’ een gangbare variant is van ‘ghevee’ en dus “vijandig, iemand tegen zijnde” betekent, verwijst WeGl bij ‘fey’ naar het trefwoord ‘vege’ en slaat daarmee de spijker op de kop. Mnl. ‘veghe’ betekent “de dood nabij, op sterven liggende” en dat is precies wat ‘vee’ hier en ‘ghevee’ in al de bovenstaande citaten betekenen. ‘Vee’ en ‘ghevee’ zijn dus varianten van ‘veghe’. Vreemd is echter dat het MNW voor ‘veghe’ wel de vormen ‘veige’, ‘veech’ en ‘veich’ kent, maar geen enkele variant waarin de gutturale consonant ontbreekt. Deze keer is het het WNT dat uitsluitsel geeft: “Na de 17de E[euw] kent de cultuurtaal uitsluitend den vorm veeg, die als vlaamsch wordt beschouwd. In dit laatste dial[ect] komt ook voor, met apocope van de gutturaal, de vorm vee” [WNT s.v. ‘veeg’ (V), XVIII, 1059 – 1070, hier 1060]. De variant ‘vee’ voor ‘vege’ is dus jong én Vlaams, twee kenmerken die op OvD van toepassing zijn zoals we in Al Lezende 2 : Rijmanalyse en 17 : De OvD-chronologie hebben betoogd.

Eigenlijk zou ons verhaal hier te einde moeten zijn, ware het niet dat we het woord ‘veghe’ in OvD niet alleen in de vorm ‘(ghe-)vee’ tegenkomen, maar ook in de oorspronkelijke vorm ‘veghe’, en wel op drie plaatsen, nl. in de verzen 950, 10080 en 20392. In vers 20392 vinden we de bekende uitdrukking ‘die veghe doot’ en in vers 10080 zegt Bertram tegen een Sarraceense tegenstander:

Ware ic veghe, u ware wel ghesciet.  (Reconstructie 10080)

Vers 950 verschilt van deze twee vindplaatsen doordat ‘veghe’ hier in rijmpositie staat. HiWe is er niet zeker van of het handschrift hier “vege” dan wel “rege” leest, maar hij opteert tenslotte voor “vege”, wat we vanuit het Nl. alleen maar kunnen ondersteunen, vermits het woord ‘rege’ in het Mnl. niet bestaat. In deze passage wordt Gautier in een bos door Karels ridders achtervolgd. Als ze de gezochte ontdekken, kiest een van de ridders de kortste weg naar hem toe om hem als eerste te lijf te kunnen gaan:

[…] dis ist mit hestecheden
Ein ritter alumb geritten
In rehting von dem wege
Und rieff: “her ritter, ir sint vege,
Diß gebt uch hesticlich,
Ee ich uch von uwerm roß steche …” (947 – 952)

In het Mnl.:

[…] Dies es met haestecheden
een rudder al omme ghereden
recht ute van den weghe
ende riep: “Heere rudder, ghi sijt veghe!
Gheeft u over haesteleke,
eer ic u van uwen orse steke!” (Reconstructie 947-952)

Al is vers 949 niet helemaal koosjer, toch hebben we geen reden om aan het rijmpaar “weghe : veghe” te twijfelen. Daarmee is vers 950 het enige in heel OvD waarin ‘veghe’ in rijmpositie staat en daardoor dus extra bevestigd wordt. Het dwingt ons tot de veronderstelling dat de Mnl. auteur van OvD de vormen ‘veghe’ en ‘(ghe)vee’ als synoniemen naast elkaar gebruikt heeft, waarbij hij het laatste woord uitsluitend en het eerste alleen bij gelegenheid in rijmpositie bezigde.

Om dit verhaal helemaal af te ronden moeten we nog drie andere vindplaatsen vermelden, nl. de verzen 13846, 20355 en 20483. Geen problemen veroorzaakt vers 13846, waar we het Dt. woord ‘viehe’ in de betekenis “stuk vee, dier” aantreffen, dat volkomen regelmatig op ‘mee’ (Nl. ‘meer’) rijmt. Moeilijker is vers 20355, waar het substantief “fie” rijmt op “Marie”. WeGl verwijst hier naar Mnl. ‘vee’ in de betekenis “vijandschap”. In het bewuste vers is sprake van vijfhonderd Sarraceense krijgers die Ogier te lijf willen gaan:

Mit stolzem mut, mit großer fie. (20355)

Dat de rijmvocaal een ‘ie’ is, en geen ‘ē’, is voldoende reden om aan Weddiges interpretatie te twijfelen, want het MNW kent bij het substantief ‘vee’ met de betekenis ‘vijandschap’ geen varianten met een ‘ie’-vocaal. Het is daarom waarschijnlijker dat we hier een ingreep van LuFl mogen aannemen. De kans is groot dat ‘fie’ hier op het Franse ‘envie’ (“nijd, nijdigheid”) teruggaat, dat in OvD ook in de verzen 3835 en 3855 optreedt.

Als derde en laatste geval noemen we nog ‘fye’ in vers 20483. Weer zitten we midden in een tweegevecht:

Zu den swerten griffen die zwene gesellen,
Die fye raufften uß den scheyden.  (20482-20483)

WeGl herkent in “fye” het Mnl. bijwoord ‘vee’ en vertaalt “feindselig”. Bij deze interpretatie staat niet alleen de ‘ie’-vocaal in de weg, maar vooral de syntaxis. Als we vers 20483 als een relatieve zin interpreteren waarin “die” het onderwerp vomt, dan kan “fye” moeilijk een bijwoord zijn, zoals WeGl veronderstelt. Op deze zinsplaats zou het object behoren te staan, maar dat ontbreekt in deze interpretatie. Het ligt daarom voor de hand om “die” als het object te beschouwen en in “fie” weer eens een simpele leesfout te zien:

Ten swerden grepen die twee ghesellen,
die si trocken uten sceeden.  (Reconstructie 20482-20483)

Als we al deze gegevens op een rijtje zetten, valt op dat de betekenis “vijandig gezind” die door het MNW aan het woord ‘ghevee’ wordt toegeschreven, in OvD nergens voorkomt. ‘Ghevee’ betekent daarentegen in onze tekst overal “de dood nabij, in levensgevaar” en wordt door de auteur gebruikt als een synoniem voor ‘veghe’. Formeel is de vorm ‘vee’ verklaarbaar als een jonge Vlaamse variant van ‘veghe’ ontstaan via apocope van de gutturale consonant in ‘veech’. Dat alles belet niet dat de auteur ook de vorm ‘veghe’ gebruikt, maar dan meestal binnen in het vers. We vinden het slechts één keer als rijmwoord op ‘weghe’. ‘(Ghe-)vee’ daarentegen staat uitsluitend in rijmpositie en wordt alleen gekoppeld aan woorden met een lange ‘ē’ als rijmvocaal. De varianten ‘fie’ en ‘fye’ in de verzen 20355 en 20483 hebben niets met het woord ‘(ghe-)vee’ te maken en, last but not least, moet de reconstructie van vers 1881 uit het eerste citaat in deze bijdrage luiden “daer hi jeghen was ghevee” (“tegen wie hij geen overlevingskansen had, waardoor hij in levensgevaar verkeerde”).

Brock, december 2013

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.