De gekke professor kom

Door Marc van Oostendorp


Er zijn allerlei redenen om dialecten te bestuderen. Je kunt speciaal geïnteresseerd zijn in één dialect en alles willen weten over het Purmerends, of je kunt een grote groep dialecten met elkaar willen vergelijken.
Wanneer het je te doen is om een vergelijking, kan je aandacht zich richten op geografische patronen (waar komt wat voor) of op patronen die niets met aardrijkskunde te maken hebben (wat voor dingen kun je zoal zeggen in de Nederlandse dialecten, los van wat je waar zegt).
Wanneer je belangstelling hebt voor niet-geografische patronen kun je je richten op zaken die dialecten van elkaar doet verschillen, of juist op zaken die dialecten op elkaar doen lijken.

Van het laatste soort onderzoek is deze week een mooi voorbeeld verschenen op internet, geschreven door Olaf Koeneman, Paula Fenger en Jan Don. In dat artikel gaat het over het verschijnsel dat je in het Standaardnederlands je gaat zegt, maar ga je. Het werkwoord heeft dus verschillende vormen, afhankelijk van of het onderwerp aan het werkwoord voorafgaat of erop volgt.

De auteurs keken daarvoor in de Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten. In die database staat voor 267 representatieve plaatsen in Nederland en Vlaanderen hoe men ik leef / leef ik, jij leeft / leef jij zegt: voor alle personen, zowel met het werkwoord als met het onderwerp voorop.

Zo bleek de tweede persoon enkelvoud lang niet de enige waar er verschil wordt gemaakt tussen enkelvoud en meervoud (voor de overzichtelijkheid spel ik alles in het Standaardnederlands en geef ik van de voornaamwoorden ook de standaardvorm):

  • In Aalst zegt men ik leef, maar leven ik. In Gistel zegt men juist ik leven en leef ik.
  • In Staphorst zegt men wij leeft, maar leve wij. 
  • In Spijkerboor zegt men jullie leeft maar leven jullie.
Alleen de derde persoon enkelvoud (hij, zij, het) of meervoud (zij) hebben nooit zo’n dubbelvorm. Die zijn altijd hetzelfde, waar het onderwerp nu ook precies staat (en de enkelvoudige vorm is in alle dialecten zelfs hetzelfde: leeft).
Waarom dat zo is? Koeneman, Fenger en Don gaan uit van het idee dat een persoonlijk voornaamwoord na een werkwoord in de loop van de geschiedenis als een soort uitgang kan gaan worden opgevat (leefjij). 

Waarom gebeurt dit dan wel voor de eerste en de tweede en nooit voor de derde persoon? Een cruciaal verschil tussen ik, jij, wij en jullie aan de ene kant, en hij en zij aan de andere is dat de laatste ook vervangen kunnen worden door volledige woordgroepen. In plaats van hij komt kun je ook zeggen de goedheiligman komt, maar ik kom kun je niet vervangen door de gekke professor kom. De vormen voor de eerste en tweede persoon kunnen daardoor veel makkelijker voor een soort uitgangen worden aangezien: ze staan altijd bij het werkwoord.

Waarom het Nederlands alleen twee vormen heeft voor de tweede persoon enkelvoud en niet voor het enkelvoud wordt hiermee nog niet verklaard. Het zal een beetje toeval zijn welk persoonlijk voornaamwoord in de loop van de geschiedenis als zo’n halve uitgang wordt gezien. Wat Koeneman, Fenger en Don vooral laten zien is dat je het Nederlands alleen kunt begrijpen als je alle dialecten in beschouwing neemt.


Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.

2 reacties op De gekke professor kom

  1. plaatsman schreef:

    Hadden we 't hier niet een jaar geleden ook al over? -> http://nederl.blogspot.nl/2012/11/heb-jij-jij-hebt.html

  2. Goed gezien: novembermaand – hebjemaand. Koeneman en de zijnen bekritiseren in dit artikel Postma, over wie ik het vorig jaar had. Volgens zijn theorie zou de 1e persoon enkelvoud nooit zo'n dubbel paradigma kunnen laten zien. Aalst en Gistel tonen aan dat dit onjuist is.

Reacties zijn gesloten.