De Bob de Rooij-t in de achttiende eeuw

Door Marc van Oostendorp


Taalmopperaars mogen graag de zinsneden ‘de laatste tijd’ en ‘steeds meer’ in de mond nemen. Klachten gaan vrijwel altijd over dingen die nu ineens, de laatste paar jaar, door onnozele taalgebruikers in de mond genomen worden. Mede als gevolg van het almaar kelderende niveau van het onderwijs en de voortschrijdende lamlendigheid der taalgebruikers.

Het aardige van het onderzoek van de laatste jaren, is dat er steeds meer bewijzen naar boven komen dat vrijwel al die klachten ongegrond zijn. Er komen steeds meer bronnen van ‘normaal’ taalgebruik uit vroeger eeuwen, waaruit blijkt dat je al die dingen die je de laatste tijd steeds meer hoort, driehonderd jaar geleden ook al kon waarnemen.

Neem de Bob de Rooij-t, die in ik hebt, bekend geworden van het typetje van Paul de Leeuw. Door sommigen wordt hij wel met het Rotterdams geassocieerd, maar Rotterdammers wijzen hem af. Wel schreven mensen hem in de achttiende eeuw al, bijvoorbeeld in de volgende ontroerende zin:


mijn doesje [schatje] lief je moet niet denken schoon dat ik sulks geschreeven hebt dat ik qijaje [kwade] vrinden met uw ben o neen gans niet 

De observatie komt uit het proefschrift van Tanja Simons, die de afgelopen jaren promovenda was in het Brieven als buit-project van Marijke van der Wal, waarin allerlei brieven zijn gedigitaliseerd die gewone Nederlanders kregen en schreven in de zeventiende en achttiende eeuw (hier staat meer informatie over het project). Eerder dit jaar promoveerde Judith Nobels op een proefschrift over het materiaal uit de 17e eeuw; Simons heeft de 18e eeuw voor haar rekening genomen.
Je kunt de twee proefschriften als een vervolgverhaal lezen. In het voorjaar schreef ik een stukje over de eerste persoon enkelvoud naar aanleiding van Nobels’ proefschrift. Simons gaat weer iets verder.
Wat gebeurde er? In de loop van deze periode – en in sommige gebieden al daarvoor – verdween de slot-e in vormen als ik hebbe. In officieel of plechtig taalgebruik bleef men hem nog wel lange tijd schrijven, maar in de informele briefjes dook hij steeds minder vaak op.
Tegelijkertijd kwam, blijkens Simons’ materiaal, ook die Bob de Rooij-vorm naar voren. Het bleef altijd een minimale vorm, en daarom gaat de promovenda er niet uitgebreid op in, maar hij was nu ook weer niet helemaal marginaal: in de Amsterdamse brieven vond ze zo’n vijf procent ik hebt-achtige gevallen. Dat is onder andere opvallend: nergens elders was het percentage zo hoog (hoewel hij met name elders in Holland ook wel regelmatig voorkwam).
Ik heb een theorie over die t-vormen, waar Simons bevindingen aardig in passen. Volgens mij komen zulke vormen op in plaatsen waar relatief veel anderstaligen bij elkaar komen.
Voor anderstaligen zijn rijtjes moeilijk te leren. Denk maar terug aan je eigen tijd op de middelbare school en het gestamp op j’ai, tu as, enzovoort. Op plaatsen waar mensen samenkomen, en waar het aantal vreemdelingen groot genoeg is om een factor te worden, kunnen die rijtjes gaan verschuiven. Die vreemdelingen hoeven niet van heel ver te komen; het volstaat dat ze een ander dialect spreken. De consequentie ervan kan zijn dat men ik heb, jij heb gaat zeggen. Of ik hebt, jij hebt. 

In de zeventiende en achttiende eeuw was nu juist Amsterdam natuurlijk een trekpleister voor vreemdelingen.

Ik houd nu juist weer niet zoveel van verklaringen in termen van hypercorrectie: mensen proberen het te goed te doen en maken daardoor fouten. Ik vind zo’n verklaring vaak wat gemakzuchtig. Maar in dit geval zitten er in Simons’ gegevens wel degelijk aanwijzingen voor zo’n verklaring. Het kan namelijk vooral aangetroffen worden in wat je nu de ‘hogere middenklasse’ kunt noemen: niet de hoogste klasse, en niet de laagste, maar de laag ertussen in – de laag die altijd het meest zijn best doet om het zo goed mogelijk te doen. Voor de lagere klasse is die norm sowieso onbereikbaar, en de hoogste klasse hoeft zich niet zo nodig te bewijzen.
Die t-vorm van Bob de Rooij is dus een onnatuurlijke vorm, een overgangsvorm die tijdelijk ontstaat in regio’s in verwarring. Waar hij ‘steeds meer’ voorkomt, hoeft men zich geen zorgen te maken. De vorm zal binnenkort wel weer verdwijnen.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , , . Bookmark de permalink.

2 reacties op De Bob de Rooij-t in de achttiende eeuw

  1. Dit heeft er maar zijdelings mee te maken, maar ik moest er opeens aan denken:

    De gebiedende wijs krijgt geen -t (meer), maar vaak nog wel in de uitroepen 'pleurt op' en 'tieft op'. Op de middelbare school hadden we het over 'optieften' (6270 resultaten in Google). De uitgang van de gebiedende wijs is door onbegrip kennelijk als deel van de stam opgevat. 'Oppleurten' zeiden we dan weer niet, maar die vorm komt in Google ook sporadisch voor.

  2. Wat een leuke observaties! Dank je wel.

Reacties zijn gesloten.