Al lezende in Ogier van Denemerken – 25

Al lezende in Ogier van Denemerken – 25 : Meer verdwaalde verzen

Amand Berteloot

Gaandeweg het verhaal gaat OVD, dat als een realistische vertelling begon, steeds meer sprookjesachtige en fantastische trekken krijgen. In de verzen 18421-18990 leert de lezer een zeer speciaal koppel kennen: Cordragoen en Herpijn. De eerste is een reus met drie kinnen en twee neuzen, vier armen en vier handen, waarin hij telkens een knots als wapen hanteert. Herpijn is een kannibaal die een reusachtige bijl als wapen draagt, en die ingeval hij gekwetst wordt, onmiddellijk herstelt door kindervlees te eten, Weddige spreekt in zijn inleiding zelfs van kinderhoofdjes (WeIn XXVII), maar daarvoor biedt de tekst geen houvast. Om zeker te gaan, draagt de schurk altijd de nodige voorraad bij zich, opgehangen aan zijn zadel. Dat Ogier hen uiteindelijk zal overwinnen, zelfs met een pas geredde jonkvrouw achter zich op zijn paard, zal wel niemand verwonderen. Maar we zijn nog lang niet zo ver als we in de verzen 18492 e.v. over Herpijn lezen:

Ein roß brahte man dem fellen man
Mit isen verdeckt zur kure.
Er sprang uf zur selben ure
Und nam sin ackst sunder wang
Die was starck und lang.  (18492-18496)

Maar daarna gebeurt er iets vreemds, want twee regels lager leest men over dezelfde Herpijn:

Und hieß yme bringen sinen rabijt,
Da mit er pflag zu rijden zu strijde.  (18499-18500)

‘Rabijt’ is in het Mhd. bekend als variant van ‘râvît’ met de betekenis “strijdros”. Het is afgeleid van het Oudfranse ‘arabit’ met de betekenis “arabier, paard van een arabisch ras”  (Lexer II, 330 en 354; zie ook WeGl s.v. ‘rabijt’). Het woord was ook in het Mnl. bekend en wel in de vorm ‘arabi’ of ‘arabijn’. ‘Rabijt’ daarentegen komen we in het Mnl. behalve in OvD alleen tegen in de Renout van Montalbaen, die net als OvD in een Heidelbergse hertaling uit het Mnl. is overgeleverd. In de editie van Pfaff lezen we: “ir hant eyn verdompt rabyt / beschryten in dieser selben zyt” (7074-7075, geciteerd naar het MNW). Verdam staat daar terecht heel kritisch tegenover en schrijft: “daar een ‘arabisch paard’ niet licht genomen zal worden in de bet. knol, bonk, die hier vereischt is, is er meer kans dat de oorspronkelijke mnl. lezing geweest is; „gi hebt een verdoemt rosside bescreden nu te desen tide”. De kans is dus groot dat op de geciteerde plaats in OvD in het Mnl. oorspronkelijk gestaan heeft:

ende hiet hem bringhen sijn rosside,
daer mede hi plach te ridene ten stride.  (Reconstructie 18499-18501)

Maar het gaat in deze bijdrage niet op de eerste plaats om het woordgebruik maar om het feit dat men Herpijn in de verzen 18492-18496 zijn paard heeft gebracht en dat hij daar onmiddelijk is opgesprongen, terwijl hij pas in vers 18499 de opdracht geeft het paard te halen. Als LuFl niet iets grondig verkeerd begrepen heeft, klopt er hier iets niet, maar het is niet makkelijk uit te maken wat er aan de hand is. Pas als we verder lezen, wordt dit duidelijk. De verzen 18521-18523 springen in dit verband namelijk onmiddellijk in het oog. Deze luiden:

Er sprang dar uf zur selben ure
Und nam sin ackst sunder wanck
Daran die lomel was lang.  (18521-18523)

Deze verzen zijn nagenoeg gelijkluidend met de eerder geciteerde regels 18494-18496. Dat herinnert er ons aan dat we zoiets al eerder tegengekomen zijn en wel in de verzen 5459-5461 en 5487-5489 (zie Al lezende 16 : Zesentwintig verdwaalde verzen). Daar markeerde een dergelijke herhaling de plaats waar na de verplaatsing van 26 regels de tekst in de goede volgorde weer verder ging. Is het toeval of hebben we hier weer met zo’n verplaatsing te maken?

Opvallend is dat de eerste van de herhaalde passages rijmtechnisch perfect aansluit bij wat vooraf gaat (“ure” rijmt op “kure”, 18493-18494), terwijl de tweede met een weesrijm (“ure”, 18521) begint. Als we vers 18521 laten aansluiten bij 18493, dan krijgen we eerst een overlap van drie verzen (18521-18523 en 18494-18496) en daarna volgen 24 regels (18497-18520) die daardoor los komen te staan van de context en dus elders ondergebracht moeten worden. Omdat hierin gezegd wordt dat Herpijn zijn paard laat halen (18499), ligt het voor de hand dat deze 24 verzen vóór de cluster 18492-18493 gepositioneerd moeten worden. Maar waar?

Deze vraag is op het eerste gezicht moeilijk te beantwoorden want in de voorafgaande passage waarin Cordragoen en Herpijn worden voorgesteld, is nergens een duidelijke breuk in het verhaal vast te stellen. De parallellie met de verschuiving van 26 verzen in de passage 5436-5489 ligt echter ondertussen zo duidelijk voor de hand, dat we kunnen proberen om vanaf vers 18494 weer 26 verzen terug te tellen om de breuklijn te vinden. Dat brengt ons bij vers 18468. Hier wordt inderdaad overgeschakeld van Ogier, die met de geredde prinses op de vlucht is voor zijn Sarraceense achtervolgers enerzijds en Cordragoen, die de vluchtende Ogier ziet naderen:

Bijsijts lagent sie [nl. Cordragoen en Herpijn] in dem tal,
Da Ogier oben her zu kam geritten
Mit der jumpfrauwen von hubschen sitten. [/]
Cordragoen slug mit haisticheden
Sine augen uff und hatt ersehen
Ogiern. Er sprach iemitten: ….  (18465-18470)

Van een breuk in het verhaal kan men hier niet echt spreken, vooral omdat de lezer al in de verzen 18420-18422 door de verteller voorbereid werd op de confrontatie tussen Ogier en Cordragoen:

Suß floh sere der starck baroen.
Ein großer heyden genant Cordragoen
Kam ime kurtz in sin gemut.  (18420-18422)

Hoewel het verhaal naadloos door schijnt te lopen, zit er bij nader toezien toch een waarneembare breuk in. Wanneer we de geciteerde verzen naar het Nederlands hertalen, wordt die onmiddellijk zichtbaar:

Besiden laghen si in den dale
daer Ogier toe quam ghereden metter joncfrauwen van sconen seden. [/]
Cordragoen slouch met haestecheden
sine oghen up ende hevet versien
Ogier. Hi sprac mettien: …  (18465-18470, reconstructie)

De verzen 18466-18468 bevatten een drierijm, terwijl de rijmsituatie in de Duitse tekst onoverzichtelijk is. Maar hoe dan ook is ook daar op zijn minst een weesrijm (18468) in het spel. Het is dus evident dat we hier eens te meer te maken hebben met een verplaatsing van 26 verzen. Bij vers 18467 aangekomen heeft een kopiist een bladzijde in zijn legger overgeslagen. Dat is hem pas opgevallen nadat hij met de volgende bladzijde klaar was. Daarna heeft hij de vergeten bladzijde ingevoegd. Net zoals in de verzen 5436-5489 markeren de herhaalde verzen de breuklijnen in het kopieerproces. Ook hier stonden er vermoedelijk verwijzingstekens naast de tekst, die echter in het volgende afschrift verdwenen zijn.

Welke gevolgen heeft de verplaatsing voor het tekstverloop? In de editie-Weddige gaat de handeling als volgt: Eerst worden Cordragoen (18423-18440) en Herpijn voorgesteld (18441-18464). Ogier rijdt het dal in waar Cordragoen en Herpijn kamperen. Hij rijdt op Bantsant, het paard van Broyier, dat hij na diens dood heeft buitgemaakt. Achter hem op het paard zit een door hem geredde Britse prinses (18465-18467). Cordragoen (die niet weet dat Broyier dood is) ziet Ogier en zegt tegen Herpijn dat hij hem wil gaan bestrijden om het gestolen paard voor zijn meester Broyier terug te halen (18470-18481). Herpijn protesteert en wil zelf de strijd met Ogier aangaan om Bantsant voor zichzelf te winnen (18482-18485). Cordragoen toont zich inschikkelijk en Herpijn dankt hem daarvoor (18486-18489). Herpijn trekt zijn wapenrusting aan en springt op het paard dat hem gebracht wordt (18490-18496). Hij wil Ogier tegemoet rijden als hij hem ziet (18496-18498). Hij laat zijn paard, zijn sporen en andere benodigdheden brengen en hij windt zich er ondertussen over op dat een christen op Bantsant rjdt. Hij wil weten hoe Ogier daar aan gekomen is en wil hem daarvoor bestraffen (18499-18520). Herpijn springt op zijn paard en grijpt zijn strijdbijl (18521-18524).

Als we al deze tekstbouwstenen op de goede plaats zetten, ziet het verloop van de handeling er als volgt uit: Eerst worden Cordragoen (18423-18440) en Herpijn voorgesteld (18441-18464). Ogier rijdt het dal in waar Cordragoen en Herpijn kamperen (18465-18467). Herpijn ziet Ogier en wil hem tegemoet rijden (18496-18498). Hij laat zijn paard, zijn sporen en andere benodigdheden brengen en hij windt zich erover op dat een christen op Bantsant rijdt. Hij wil weten hoe Ogier daar aan gekomen is en wil hem daarvoor bestraffen (18499-18520). Cordragoen ziet Ogier (18468-18470) en deelt Herpijn mee dat hij Ogier wil gaan bestrijden om Bantsant voor zijn meester Broyier terug te halen (18471-18481). Herpijn protesteert en wil zelf de strijd met Ogier aangaan om Bantsant voor zichzelf te winnen (18482-18485). Cordragoen toont zich inschikkelijk en Herpijn dankt hem daarvoor (18486-18489). Herpijn springt op zijn paard en grijpt zijn strijdbijl (18521-18524).

De verschillen zijn niet groot, maar nu is het verloop van de handeling helemaal logisch. Moeilijkheden leveren alleen de twee versparen op de beide breuklijnen op. Om te beginnen is er het al gesignaleerde wees- resp. drierijm in vers 18468.

Cordragoen slouch met haestecheden
sine oghen up ende hevet versien Ogier. Hi sprac mettien: …  (18468-18470, reconstructie)

Eigenlijk is dit weesrijm makkelijk weg te werken, want een groot deel van het vers bevat geen relevante informatie. De inhoudelijke kern van deze zinnen is:

Cordragoen hevet versien
Ogier. Hi sprac mettien 

Deze verzen zien er niet bijzonder elegant uit, maar het rijmschema is op deze manier weer intact. Er moet echter een reden zijn waarom LuFl of een van zijn voorgangers-kopiisten het nodig vond hier in te voegen dat Cordragoen de ogen moest opslaan om Ogier te zien. Het ligt voor de hand te vermoeden dat dit met “oben her zu” in vers 18466 te maken heeft. Als Ogier van een heuvel naar beneden komt, moet Cordragoen, die zich in het dal bevindt, inderdaad naar boven kijken en dus de ogen opslaan.  Als we echter in aanmerking nemen dat de verzen 18468 – 18470 eigenlijk achter vers 18520 moeten staan, dan is er niet echt een reden waarom Cordragoen de ogen op moet slaan, zelfs niet – wat mij niet onmogelijk lijkt – wanneer we in vers 18470 “Ogier” door ‘Herpijn’ zouden vervangen. Cordragoen reageert op dat ogenblijk namelijk eerder op de actie van Herpijn dan op de komst van Ogier: hij wil Herpijn ervan weerhouden Ogier te gaan bevechten om dit zelf te kunnen doen. Het ziet ernaar uit dat vers 18468 een toevoeging is van dezelfde kopiist die voor de verplaatsing van de verzen 18468-18496 verantwoordelijk is. Als dit het geval zou zijn, dan bewijst het feit dat we in de Duitse tekst met een weesrijm en in de Nederlandse met een drierijm te maken hebben, dat deze toevoeging eerder aan een Nederlandse kopiist dan aan LuFl te wijten is.

Maar hoe zag de overgang na vers 18467 er dan oorspronkelijk uit? Als we in overeenstemming met onze reconstructie de tekstblokken bijeen schuiven, dan krijgen we:

Bijsijts lagent sie in dem tal
Da Ogier oben her zu kam geritten
Mit der jumpfrauwen von hubschen sitten. [/]
Und haiste sere zu komen
Als er denn Ogiern hatt vernomen,
Und hies yme bringen sinen rabijt,
Da mit er pflag zu rijden zu strijde.  ((18465-18467 & 18497-18500)

Hier is het rijmschema weliswaar intact gebleven, maar wat betekent vers 18497? Omdat ‘hasten’ in het Mhd. niet reflexief is (Lexer II, 1194), moeten we in het Mnl. in die zin een wederkerend voornaamwoord invoegen: “ende haeste hem sere te comen”. Omdat bovendien het onderwerp ontbreekt, zijn we spontaan geneigd dit vers met het onderwerp van de vorige zin, nl. Ogier, te verbinden. Maar wat betekent “ende (Ogier) haeste hem te comen”? Ogier heeft er op dat ogenblik geen enkel belang bij Cordragoen of Herpijn te ontmoeten, dus zou de zin kunnen betekenen dat hij zich haastte om “wech te comen”. Mnl. ‘wechcomen’ betekent “ontsnappen, zich redden”. Maar er is eigenlijk nauwelijks een reden te verzinnen waarom het woord “wech” uit de tekst verdwenen zou kunnen zijn.

Zonder enige zekerheid daaromtrent opteer ik voor een andere oplossing. Als we aannemen dat “zu” een haplologie is, die op “zu zu” teruggaat, dan zou daar in het Mnl. gestaan kunnen hebben: “ende haeste hem seere toe te comen”, waarbij Mnl. ‘toecomen’ betekent “op iemand afgaan, tegen iemand oprukken”. Dit moet dan echter op Herpijn slaan en niet op Ogier, maar dit is geen enkel probleem, want in de verzen 18490-18496, die na de verplaatsing onmiddellijk aan deze verzen vooraf gaan, is sprake van Herpijn, zodat de lezer automatisch de goede verbinding legt. M.a.w. het ziet ernaar uit dat ook vers 18497 door de kopiist die voor de verplaatsing verantwoordelijk was, is gemanipuleerd om er een zin aan te geven. In het volgende vers 18498 is dan vermoedelijk ook nog met voegwoorden geknoeid, maar dat is iets wat LuFl regelmatig doet. Wanneer we beide verzen als volgt hertalen, passen ze perfect in de gereconstrueerde tekst:

Herpijn haeste hem seere toe te comen
doe hi Ogier hadde vernomen.  (18497-18498, reconstructie)

Wat nog irriteert is het feit dat beide verzen op de breuklijn allebei het element ‘haast’ bevatten. In vers 18468 is van “met haestecheden” sprake en in vers 19497 van iemand die “zich haast”. Dit kan nauwelijks toeval zijn, maar hoe dat teksttechnisch verklaard moet worden, is alles behalve duidelijk.

Voor de tweede keer blijkt een kopiist in OvD een bladzijde van 26 regels eerst overgeslagen en achteraf op de verkeerde plaats ingevoegd te hebben. In beide gevallen markeren enkele herhaalde verzen de breuklijn. De rijmsituatie lijkt erop te wijzen dat de pogingen tot herstel van de fout eerder in een Nederlandse dan in een Duitse kopie plaatsgevonden hebben. LuFl en Weddige hebben de fout beide keren niet bemerkt en zijn er commentaarloos over heen gestapt.

Hoe kan die fout ontstaan zijn? Men kan zich voorstellen dat een kopiist in zijn legger een rectozijde heeft afgeschreven, het blad omslaat en met de volgende rectozijde verder gaat, tot hij merkt dat hij de vorige versokant overgeslagen heeft. Maar waarom zou hij tot twee keer toe telkens een hele bladzijde afschrijven vóór hij zijn vergissing bemerkt? Is er niet een eenvoudigere verklaring denkbaar? Met het oog op de korte overleveringsgeschiedenis van OvD (Al Lezende 17 : De OvD-chronologie) zou men zich kunnen afvragen of de autograaf niet uit een dikke stapel van twee kanten met 26 regels per blad beschreven losse vellen bestond, waarvan er per ongeluk twee achterstevoren in het pak terecht waren gekomen. Dat zou kunnen verklaren waarom de verplaatsingen beide keren bladzijdsgewijs zijn verlopen.

Brock, november 2013

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.