Passage (1)

Gert de Jager

Jede Epoche ist unmittelbar zu Gott: de beroemde uitspraak van Leopold von Ranke die elke historicus als eerstejaars te horen krijgt en een literatuurhistoricus, als het goed is, niet veel later. Elk tijdperk staat recht voor God: middeleeuwen zijn niet belangrijk omdat ze duizend jaar lang ergens tussenin zitten; een term als preromantiek is onzinnig; wie een historische periode ziet als een voor- of naspel van een Gouden Tijdperk, duwt iets wat op zichzelf een existentie heeft in een teleologische mal. Geen toeschouwer amuseerde zich met een toneelstuk omdat even later Shakespeare geboren zou worden. De wereldgeest maakte zich niet eeuwenlang druk om tot rust te komen in het Pruisen van Hegel.
 
In Een vlok duisternis; de poëzie van Hans Faverey als ritueel proces lijkt Piet Gerbrandy een nieuwe vorm van teleologisch denken te ontwikkelen – nieuw in ieder geval voor de literaire kritiek en de literatuurbeschouwing. Dat in Favereys poëzie iets ritualistisch schuilt, is niet zo’n verrassende vaststelling – al was het alleen maar door opmerkingen van Faverey zelf die zijn gedichten als ‘onthechtingsoefeningen’ betitelde. Wat in het mooi uitgegeven boekje van Gerbrandy – dichter, classicus, criticus – wel nieuw is, is de antropologische invalshoek. Het gaat om een tak van de antropologie die, als ik Google mag geloven, in Nederland weinig academische erkenning heeft gekregen: de existentiële antropologie waaraan vooral de naam van de Nieuw-Zeelander Michael Jackson is verbonden – niet alleen antropoloog, maar ook dichter en romancier. Wat Jackson in zijn drie hoedanigheden waarneemt en beschrijft, is de menselijke neiging om in crisissituaties het gedrag te ritualiseren. Groepen en individuen – wanneer het erop aankomt, verrichten ze symbolische daden die veronderstellen dat er een analogie bestaat tussen mens, wereld en kosmos. Als het niet wil regenen, wordt in een dans een natuurverschijnsel nagebootst totdat de kosmos reageert. Als we ziek zijn of een dierbare verliezen, ‘doen we externe objecten geweld aan in de hoop daarmee te bevestigen dat we zeggenschap hebben over wat ons zomaar overkomt’ (17).  Wanneer we die symbolische daden verrichten, verliezen handelingen en objecten hun gebruikelijke, eenduidige betekenis. We gaan een drempel over en betreden een schemergebied waarin meerduidigheid heerst.
 
Zo’n schemergebied is in een cultuur als de onze dat van de literatuur:
 
Wat de sociale betekenis van literatuur betreft zou men kunnen volhouden dat lezen, althans het lezen van literatuur, een aangeleerde, geritualiseerde en min of meer collectieve handeling is die niet alleen helpt het leven te duiden maar ook het deelgenootschap van een bepaalde civilisatie constitueert en bevestigt. Het lezen schept een tijdelijke ruimte waarin eigen wetten gelden, waarin de conceptuele categorieën van alledag worden opgeschort. (…) Het is de schrijver die zich als liminale figuur in dienst stelt van de gemeenschap om die ervaring mogelijk te maken (24-25).
 
Een liminale figuur is de figuur die de drempel, de limen, is overgegaan van het schemergebied. Wanneer hij schrijft, plaatst de schrijver zich buiten de gemeenschap zodat de gemeenschap zich kan verhouden tot die aspecten van het leven die altijd met rituelen worden omgeven: ‘het geboren worden en het sterven, de seksualiteit, de dynamiek tussen het vreemde en het eigene’. In die wereld met eigen wetten, vol contradicties en conceptuele verwarring, moet een rite de passage worden doorstaan die het mogelijk maakt de wereld te bezien met nieuwe ogen.
 
Wat Faverey doet in zijn poëzie is ons zo’n rite de passage laten beleven:
 
De lezer plaatst zich kortstondig buiten de normale orde, ervaart in een staat van verwarring de ritmische kringloop van leven en kosmos, aanschouwt de meerduidige sacra [= heilige voorwerpen] en verlaat gelouterd het leesproces om zijn leven van alledag weer op te pakken (25-26).
 
Van woordgrappen tot formele strengheid, van logische paradoxen tot eclectische intertextualiteit, van – voeg ik eraan toe – sacra als ijsvogels en dolfijnen tot de ejaculatie van een gehangene – ook een sacrum: alles wordt bij Faverey ondergebracht in een weefsel van cycli en processen waar de lezer nooit volledig greep op krijgt. Niettemin, of juist daardoor: hij ervaart, aanschouwt en wordt gelouterd. Hij kan het beleven aan Favereys gedichten, aan zijn cycli, aan zijn bundels.
 
En aan Favereys oeuvre als geheel, volgens Gerbrandy. De acht bundels vormen ook samen een rite de passage. Het deed mij denken aan het dictum van een typisch negentiende-eeuwse intellectuele reus.    
 
 

Piet Gerbrandy, Een vlok duisternis; de poëzie van Hans Faverey als ritueel proces, Rimburg 2013. Wordt vervolgd.

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.