Tussen ons allen vallen eierschalen

Over een gedicht van Maria van Daalen

Door Marc van Oostendorp

Ik treed dezer dagen in het voetspoor van de dichteres Maria van Daalen. Zij was een paar jaar geleden op het NIAS in Wassenaar om hier gedichten te schrijven. Ik ben hier om na te denken over het ritme van, onder andere, gedichten.
Een van Van Daalens gedichten staat op de muur geschilderd van een gebouwtje waar sommige gasten van het NIAS slapen. (Het is een rare hebbelijkheid van onze tijd om gedichten op muren te schilderen, ik geloof eigenlijk niet dat dit in het verleden ook zo enthousiast gebeurde.)
Het is een mooi gedicht, vind ik, met allerlei beweging, en vooral een contrast tussen de inderdaad wat lome gelijkmoedigheid van de omgeving hier in lommerrijk Wassenaar en de stormen die kunnen opsteken in degene die hier zit:

Hoe de boomschaduwen over de grasmat
wandelen, rondom, onophoudelijk. Stil
staan als een beuk in het struikgewas. De wil
om te groeien is wet: van leven, maar wat

weten we van de vogels die tussen blad
en takken in ons nestelen? Is er pril
geluk dat nog uitgebroed moet? Het wil
hier aan de dag waar het strijklicht ons omvat.

Tussen ons allen vallen eierschalen
op de aarde. Het jaargetijde kennen
is zo onmogelijk als de kruin dragen:

voel je hoe ons hart buigt in de windvlagen?
Elke ochtend aan het hernieuwde wennen.
Doorstaan. Er is zwaar weer op til. Niet falen.

Een van de aardige aspecten van dit gedicht is dat de inhoudelijke beweging van rust (‘wandelen’, ‘stil staan’, ‘ons nestelen’) naar onrust (‘eierschalen vallen’, de chute van dit sonnet, ‘windvlagen’, ‘zwaar weer’) gespiegeld wordt in de vorm, die juist van onrust naar rust gaat.

Bijna iedere regel bestaat uit elf lettergrepen. (Alleen de zevende regel, ‘geluk dat nog…’, heeft er tien, misschien omdat het geluk nog uitgebroed moet, dus nog niet tot volle wasdom is gekomen). Dat doet enigszins denken aan de jambische pentameter, maar de eerste regels kun je niet in dat ritme (taDAM taDAM taDAM taDAM taDAM) lezen. Uit onderstaande voordracht blijkt dat de dichteres het er zelf ook niet in hoort. Pas aan het eind, wanneer het zware weer op til is, zijn er regels die echt jambisch zijn. De laatste regels, na de chute, zou je zo kunnen lezen waarbij de allerlaatste, de dreigendste, het duidelijkst de dreun heeft.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.

3 reacties op Tussen ons allen vallen eierschalen

  1. Ik had toch beter mijn best moeten doen op school! Nu moet ik me als oude man in het metrum gaan verdiepen als ik nog wat schrijven wil over gedichten.

  2. Hans Broekhuis schreef:

    "Het is een rare hebbelijkheid van onze tijd om gedichten op muren te schilderen, ik geloof eigenlijk niet dat dit in het verleden ook zo enthousiast gebeurde." Het lijkt erop dat Herman Pleij daar anders over denkt; zie Het gevleugeld woord, p.16-7 en verder eigenlijk dat hele boek. Het suffixsonnet in de blog van 11-9 is overigens wel een unicum; smaakt naar meer!

  3. Maria van Daalen schreef:

    Oh, wat aardig van je, Marc. Ik hoorde vrijdag 27 sept tijdens NFA-dag over precies dit bericht van je, maar de spreker kon mij je naam niet vertellen en nu vind ik het als vanzelf…:)

Reacties zijn gesloten.