Nationale cultuur en identiteit in de Surinaamse literatuur

Door Rabin Gangadin

Binnen Surinaamse kringen is er een discussie aan het uitkristalliseren betreffende de sociale en culturele elementen die moeten bijdragen tot een natievorming. Haast alle syllabi en readers betreffende het vak antropologie laten reeds in eerste oogopslag zien dat er pas sprake is van natievorming indien een groep mensen dezelfde zeden, achtergrond, cultuur en taal met zich meedraagt. Je zou je daarbij op z’n minst de volgende vragen kunnen stellen: hebben Surinamers in grote mate dezelfde cultuur, spreken ze dezelfde taal, hebben ze een groot deel van hun geschiedenis gemeenschappelijk? We moeten ons er niet aan onttrekken dat de gemiddelde Surinamer zich meer Nederlander voelt dan dat die bereid is achter het spookbeeld van een zogeheten authentiek Surinamerschap aan te sjokken.

Men kan inderdaad verschillen aanhalen tussen Surinamers en Nederlanders maar die overleven geen generaliserende toets. Zou die antropologische onderbouw als voornoemd niet ontbreken dan zou er werkelijk een natiegevoel kunnen ontspinnen onder de Surinamers.

Het is misschien niet zo lovend, maar de moderne natievorming gaat niet meer langs romantische idealen, maar zoekt zijn weg via de economie. Antropologie is slechts een fundering geworden, waarop men een socio-economisch en politiek-culturele natie bouwt. Dat proces is reeds begonnen: op zoal alle gebieden treedt er convergentie op tussen Suriname en Nederland. Om een staat in de moderne wereld bijeen te houden, wordt het als essentieel gezien dat de bevolking een gemeenschappelijke identiteit en een gemeenschappelijk doel heeft. Dus moeten de burgers verbonden worden in hun loyaliteit ten opzichte van dezelfde instellingen, symbolen en waarden. Dit is een noodzakelijke voorwaarde tot actieve natievorming, een proces dat solidariteit kan vergemakkelijken, een positieve rol kan spelen in staatsvorming en een basis kan vormen voor participatie van het volk in politiek opzicht.1) Dit houdt echter niet in dat alle inwoners van de staat deel moeten uitmaken van dezelfde etnische identiteit. Nationale identiteit kan en moét in vele gevallen, eerder politiek dan cultureel zijn. Het doel van deze ‘grote nationale verdeling’ moet onder andere inhouden, het multi-etnisch rijk te voorzien van een regeersysteem dat het mogelijk zou maken vele verschillende bevolkingen samen in een enkele Surinaamse vorm te gieten (een proces dat men ‘internationalisme’ noemde), tegelijkertijd multilingualisme en de mensenrechten respecterend. De huidige Surinaamse republiek kan niet worden verondersteld als een diaspora van levensvatbare onafhankelijke entiteiten ook al heeft het land het formele uitzicht op staatsschap. Suriname is een kruitvat dat vol is van etnisch-territoriale (soms gewelddadige) conflicten.)
Ten aanzien van de hierboven benoemde natiekwestie– een zaak waar Helman het ooit met mij over heeft gehad – wil ik benadrukken dat Surinaamse schrijvers, hun etnische verscheidenheid ten spijt, stellig een verwoede poging hebben gewaagd de Surinaamse roman een nationale identiteit mee te geven. Neem als voorbeeld de roman Strafhok (1972) van Bea Vianen, waarin zij de verboden en omstreden relatie tussen een Hindostaanse onderwijzer en een Javaanse ten tonele voert. Terwijl de Surinaamse samenleving, pijnlijke scheuringen en tegenstellingen vertoont, de meeste etnisch bepaald, zwelgt zij in haar beschrijving van een diepgewortelde maatschappelijke tegenstelling. Elk Surinaams literair initiatief om de eigen identiteit te versterken legt zijn eigen accent, maar dikwijls op de verkeerde lettergreep. De ene identiteit wordt de hemel in geprezen, de andere wordt verwenst. In de Surinaamse maatschappij verzet niemand zich tegen het beeld van groepen Surinamers die tegenover elkaar staan als onverzoenbare cultuureenheden. Maar er zijn schrijvers die daar een idyllisch landschap omheen verzinnen. Wijlen Edgar Cairo deed dat bijvoorbeeld in zijn roman Collectieve Schuld. Dat bepaalde Surinaamse bevolkingsgroepen worden betiteld als dragers van een cultuur die gekenmerkt wordt door gebrek aan verantwoordelijkheid, luiheid, profijtelijk gedrag, diefstal en expansiedrang accepteert de schrijver niet. Het discours over ‘wat we zelf doen, doen we beter’,fungeert in zijn roman als glijmiddel om die asociale agenda aanvaardbaar te maken. Dit omwille van de competitiviteit.
De revolutionaire dichter Ravales Dobru heeft niet alleen met de Surinaamse vlag gezwaaid maar ook met de Nederlandse. Dat lijkt misschien tegenstrijdig maar dat is het allerminst. Dobru heeft de Surinaamse diversiteit in zijn vers wan bon, wat zoiets betekent als één boom,tot een eenheid willen smeden. Helaas verwoordt dit gedicht de sociale belangen van de Surinaamse burgers niet op een doeltreffende wijze. Suriname bestaat uit besloten gemeenschappen die voortdurend versplinteren tot strikt afgebakende “cultuurgemeenschappen’. Die ontwikkeling sluit sociale samenhorigheid vrijwel uit . Dobru heeft in zijn – iets te schreeuwerige – revolutionaire poëzie, waarmee hij zich binnen de Creoolse gemeenschap in Suriname onsterfelijk heeft gemaakt, nooit de schijnwerper gericht op het gegeven dat de meertaligheid en de verscheidenheid aan culturen het land Suriname een natierol ontnemen. Een lichtend voorbeeld van eenheid en solidariteit, een model voor de samenleving van morgen? Het tegendeel is waar. Suriname kan hooguit een ‘gevangenis van volkeren’ worden genoemd.
Immers, steeds zal een eventuele dominante etnische groep van dat land prediken voor één territorium, één taal eisen en haar eigenheden opdringen aan de andere etnieën door hun onderwerping of vertrek te verlangen2). Een consensus over omvang en vorm van de solidariteit tussen Surinamers zou moeten betekenen: “Hoe vriendelijker de mensen met elkaar zijn, hoe onvriendelijker de talen.” Of, explicieter: Verschillende taalgemeenschappen kunnen eeuwenlang naast elkaar leven zonder dat hun respectievelijke talen bedreigd zouden zijn, behalve wanneer een specifieke levenswijze of religieuze verschillen ertoe zouden leiden dat ze heel weinig met elkaar te maken hebben2). Maar zodra mensen uit verschillende taalgemeenschappen intensief met elkaar beginnen te praten, handel drijven, werken etc. dan begint de trage maar zekere uitdrijving, verplettering van de zwakkere taal door de sterkere — tenzij dit proces belemmerd wordt door het uit België afstammende taalterritorialiteitsprincipe, het principe dat op een afgebakend territorium één enkele taal de officiële taal is.3) Binnen de Surinaamse context is dat het Sranan Tongo.
In de discussie over natievorming heb ik een beetje nagelaten om te spreken over wat natievormende factoren kunnen zijn. Nu is dat proces van natievorming een beetje afgezwakt. Surinaamse politici zullen dus moeite hebben om na het maken van een Suriname, ook Surinamers te brouwen. Daar waar het in het kunstmatige gesublimeerde Surinaams-nationalistische discours fundamenteel aan ontbreekt, is solidariteit.

Feedbackende literatuur:
1. G.J Kruijer, [prof.dr.] Suriname, neokolonie in rijksverband , Boom Meppel 1973

2 E. Goffman, Interaction ritual. Essays on face to face behavior New York, 1967; P. Brown & S. Levinson: ‘Universals in language usage: Politeness phenomena’, in: Questions and politeness Strategies in social interaction. Ed. E.N. Goody. Cambridge [etc.], 1978

3 C. Cucchiarini & E. Huls: ‘De sociolinguïstiek in het Nederlandse taalgebied anno 1995. Centrale Thema’s en theorieën’, in: Toegepaste Taalwetenschap in Artikelen 52 (1995) (Thema’s en trends in de sociolinguïstiek)
Dit bericht is geplaatst in letterkunde met de tags , , , . Bookmark de permalink.