Realistisch frame (5)

 Gert de Jager

Twee soorten lezers. De lezers van literatuur die in de afgelopen tweehonderd jaar bij hun lectuur in totaal vijf frames hebben ingezet: historische lezers. En de lezers tot wie Thomas Vaessens zich richt in Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur en die de frames kunnen gebruiken als ‘productieve leesstrategie’. Die laatste lezers, door Vaessens consequent met ‘je’ aangesproken – voor zichzelf reserveert hij de pluralis modestiae ‘we’; een retorische strategie die ik associeer met brave fenomenologen uit de jaren vijftig: F.J.J. Buytendijk kijkt samen met ons naar ‘De vrouw’ of ‘De pijn’; al kijkend vormen we samen een gemeenschap, een ‘we’; een beetje katholiek waren die fenomenologen wel – zijn wij, anno 2013. Als lezende onderzoekers kunnen we, als we het romantische of het realistische frame inzetten, betekenissen produceren die niet noodzakelijkerwijs overeenkomen met wat historische lezers aan romantische of realistische betekenissen zagen. Het frame is ons frame. Dat ligt anders bij het avantgardistisch frame dat zo is gedefinieerd dat het alleen maar de leeservaring van een ander kan weergeven: de ervaring van een lezer die gedesoriënteerd raakte dankzij nieuwe en ongewone procedés.  

Daarmee staat het haaks op het modernistische frame: het modernisme à la T.S. Eliot, Nijhoff en Faverey. Dat is het modernisme dat een literaire tekst ziet als een complex mechaniek met een ultieme samenhang die niet zomaar te doorgronden valt. In die samenhang biedt het een alternatief voor een wereld die als chaotisch wordt ervaren, is het een protest tegen de massacultuur die de verworvenheden van de moderne wereld kritiekloos aanvaardt en van individuen consumenten maakt. Autonomie is het sleutelbegrip: de autonomie van de literaire tekst met elementen die uitnodigen tot een technische analyse van hun onderlinge verwevenheid. De lezer leest met een timmermansoog. Autonoom is ook de auteur die de wereld beziet met een kritische onthechting en zoveel mogelijk wil verdwijnen uit de perfecte mechaniekjes die hij vanuit zijn olympische positie laat neerdalen.

Het modernistische frame was niet alleen zeldzaam succesvol in de literatuur, maar ook in de literatuurwetenschap. De samenvatting in de vorige alinea laat zien waarom. De coherentie van een tekst valt niet zonder meer te doorgronden, maar de belofte van een ultieme samenhang is er wel. Techniek en analyse maken de literatuurwetenschap tot een echt vak. Een literatuurwetenschapper kan, net als een timmerman, zijn oog ontwikkelen. Neerlandici mogen zich bezighouden met mooie dichters als Leopold. New Criticism en Merlijnsocialiseerden generaties studenten die zelf weer docenten werden met als gevolg dat van hier tot Emmeloord structuuranalyses inwisselbaar werden. Zo inwisselbaar als de recepten van een goed opgeleide arts. Boekverslagen, boekverslagen!  

Als de 472 pagina’s van Vaessens’ Geschiedenis een polemische inzet hebben, dan is die te vinden in de afstand die hij neemt van het modernistische frame. Dat is geen verrassing voor wie eerder werk van hem kent. In zijn dissertatie over Nijhoff en Van Ostaijen liet hij zien hoe het werk en de denkwereld van deze grondleggers van de poëticale autonomie bepaald werden door van alles en nog wat dat tijdgebonden was. In zijn boek over postmoderne poëzie schrijft hij over dichters die geen boodschap hebben aan het modernistische frame en de ongeordendheid van de wereld toelaten in hun gedichten; samenhang is niet langer de norm. Ook voor de revanche in De revanche van de roman zorgen auteurs zelf: Grunberg, Februari en Mutsaers hebben weer oog voor maatschappelijke kwesties en dat is meer dan welkom. Het modernistische frame in literatuur en wetenschap – Vaessens verzet zich tegen beide.

Dat het verzet diep kan gaan, blijkt uit twee merkwaardige passages in het hoofdstuk over het modernistische frame. Vaessens stelt Chaplin als vertegenwoordiger van de massacultuur tegenover Eliot: 

In Eliots visie moet de literaire tekst geheel en al los gezien worden van de persoon die de tekst heeft geschreven. Ook dit is een variant van de autonomiegedachte: het kunstwerk heeft een samenhang die zich zelfs van de maker heeft losgezongen. Het staat dus los van zijn schepper, wat onder meer betekent dat het zich ook onafhankelijk heeft gemaakt van diens gebreken. Waar de filmbezoeker zit te schuddebuiken om de onhandigheden van Charlie Chaplin (inderdaad: Chaplin zelf), daar wordt de Eliotlezer geacht zich ervan bewust te zijn dat de persoon T.S. Eliot geheel en al uit zijn gedichten is verdwenen (303).  

‘Inderdaad: Chaplin zelf’ – het zijn de drie meest raadselachtige woorden in Vaessens’ dikke boek. Vermoedt hij dat Charles Spencer Chaplin zich met bolhoed, wandelstok en loopje door het dagelijks leven bewoog? Vermoedt hij dat ‘de filmbezoeker’ dat vermoedt? Of wordt hier de autonome wereld van The Tramp geweld aangedaan ter wille van een Dichotomie?      

Die dichotomie speelt Vaessens ook parten wanneer hij het werk van Faverey bespreekt en kritiekloos een karakterisering van Goedegebuure overneemt. Goedegebuure schrijft: 

Het gedicht [heeft] geen bestaansrecht buiten het kader van de pagina waarop het is afgedrukt; er is geen enkele buiten-tekstuele werkelijkheid waarmee het een relatie onderhoudt. […] De werkelijkheid van het gedicht bestaat exclusief uit taal (339). 

Vaessens over dit gedicht en andere: 

[…]  zij ontlenen hun ontregelende, ontwrichtende en als subversief ervaren effect aan hun voortdurende problematisering van de conventionele mechanismen van taal en waarneming (341). 

Het gaat onder meer over dit titelloze gedicht: 

            Aan de vaas
            die ik in mijn handen houd
            en naar de keuken draag
            om te vullen met water

            ontbreekt noch de vaas
            zoals hij is en blijft, noch 

            de vaas die kort hiervoor
            éenmaal nog in alle hevigheid
            ontvlamt, en zich dan pas tegen
            de grond aan stukken slaat.

 

Exclusief uit taal? Ontregelend en ontwrichtend? Een voortdurende problematisering van dit of van dat? Een kristalhelder gedicht, volgens mij. Die vaas: metaforisch, metonymisch of in het ‘echt’ – ik ken hem. Het is het openingsgedicht uit Favereys Hinderlijke goden en behoort toevallig tot de aangrijpendste gedichten die me in een lezersleven onder ogen kwamen.  

 

Vaessens citeert Goedegebuure uit diens Nederlandse literatuur 1960-1988, 193-194. Vervolg van 1 t/m 4; wordt vervolgd.       

 

 
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.