Al lezende in Ogier van Denemerken – 23

Al lezende in Ogier van Denemerken – 23 : Trekken, steken en stoten.

Amand Berteloot

Dat er in een ridderroman als Ogier van Denemerken nogal wat getrokken, gestoken en gestoten wordt, zal niemand verwonderen. Ridders trekken hun zwaard, steken hun tegenstanders dood of stoten ze van hun paard. Maar wat er gebeurt als de afschrijver van zo’n tekst moeilijkheden met één of meer van deze werkwoorden heeft, daar is bij mijn weten nooit eerder aandacht aan besteed. In het geval van onze Heidelbergse kopiist LuFl loont dat de moeite. De Nederlandse werkwoorden ‘steken’ en ‘trekken’ vormen voor een Duitstalige echte struikelblokken en dan komt ‘stoten’ vaak als geroepen om de problemen op te lossen.

Beginnen we met ‘steken’. Iedereen die Duits heeft geleerd, weet dat Nl. ‘steken’ in het Duits met twee werkwoorden correspondeert: het sterke ‘stechen’ en het zwakke ‘stecken’. Van Dale (blz. 3228-3229) geeft voor het woord ‘steken’ 32 betekenisdifferentiëringen, wat het niet makkelijk maakt daar enige structuur in aan te brengen. Duitse woordenboeken van hun kant baseren meestal op de etymologische onderscheiding tussen ‘stechen’ en ‘stecken’. “Stechen” is het oudste van de twee en betekent volgens het woordenboek van Gerhard Wahrig (Wahrig, 3510-3511) “sich mit dem Stachel wehren (Insekt); mit dem Stachel oder Dorn bohren (Pflanze), mit einem spitzen Gegenstand zustoßen; spitz, rauh, kratzig sein (Stachel, Stoff, Wolle); einen unentschiedenen Wettkampf durch ein letztes Spiel entscheiden”. Daarvan werden twee zwakke werkwoorden afgeleid, die al heel vroeg in ‘stecken’ zijn samengevallen. Dat heeft tot gevolg dat ‘stecken’ vandaag de dag nog twee duidelijk gescheiden betekeniscomplexen vertoont. De eerste betekenis is “sich (an einem Ort, einer Stelle) befinden, sein” en de tweede “mit einer Nadel, Nadeln befestigen (an, in); durch Schieben befestigen, daran-, daraufschieben, anfügen, hineinschieben, einfügen, hineingeben” (Wahrig, 3511-3512). Het samenvallen van beide werkwoorden leidde in de 16de eeuw ook tot contaminaties zoals “Das Geld stak in der Tasche” (Kluge, 742). Met deze kennis in het achterhoofd moeten we er ons van bewust zijn dat het voor LuFl geen sinecure was om voor het sterke Nl. werkwoord ‘steken’ (met de hoofdtijden ‘stac, gesteken’) steeds de juiste Duitse vorm te kiezen. Hoe heeft hij dat probleem opgelost?

In de brontekst van LuFl kwamen volgens onze reconstructie in totaal 90 vormen van ‘steken’ voor en wel de volgende: steken (5x). stekene (2x), ic steke (2x), stac (74x), wi/si staken (2x), ghesteken (voltooid deelwoord, 3x) en versteken (2x, in de betekenissen ‘verjagen’ en’verbergen’).

LuFl maakt daarvan het volgende: steken > stechen (4x) en stechent (1), stekene > stechend(e) (2x), ic steke > ich stech (2x), stac > stach (61x), stachde (1x), stackte (2x) en stieß (10x), staken > stachen (2x), ghesteken  > gesteckt (2x) en gestochen (1x), versteken > versteken (1x, “verjagen”) en verstechen (1x, “zich verbergen”).

De Duitse tekst bevat 75 sterke vormen (stach, ich stech, stechen, stechent, stachen, stechende, gestochen), waarbij men de volgende betekenisonderscheidingen kan waarnemen:

– 1) met een speer op een schild steken: 723/8, 6160, 12305, 18164, 18187, 20182 [6x];
– 2) een paard met sporen steken, d.w.z. de sporen geven: 774, 1350, 1807, 1874, 1928, 3828, 4731, 9963, 10323, 10685 [10x];
– 3) met een speer of een zwaard een man of zijn wapenrusting (door)steken: 1570, 1625, 1716, 1940, 1941, 3190, 3197, 4710, 4741, 8080, 8110, 8305, 9980, 10040, 10044, 10042, 10047, 10329, 10655, 10659, 12110, 12191, 12271, 12907, 14378, 15748, 15755, 15771, 15775, 16823, 16871, 16998, 18169, 18287, 18291, 18709, 18903, 19453, 19456, 19865, 19875, 20185, 22445, 22505, 22509, 23021, 23709 [47x];
– 4) met een speer een dier (paard, hert) dood steken: 2619, 5009, 14602 [3x];
– 5) met een speer een man van zijn paard steken: 2674, 3233, 11422, 18083, 20330, 23703 [6x];
– 6) met de schouder een man van zijn paard stoten: 12311 [1x];
– 7) met de voet tegen een deur of muur trappen: 6315 [1x];
– 8) een paard een bit in de muil steken: 7367 [1x].

De betekenissen 1-5 passen perfect bij het moderne Dt. ‘stechen’. In de laatste drie gevallen, die telkens maar één keer geattesteerd zijn, is dat moeilijker. Betekenis 6 past eerder bij ‘stoten’ dan bij ‘stechen’, maar het laatste is zeker niet fout. Betekenis 7 komt vandaag de dag niet meer voor en moet als idiomatisch beschouwd worden. Betekenis 8 past definitief niet bij ‘stechen’, hier hoort ‘stecken’ te staan. Samenvattend kan men dus constateren dat LuFl op een totaal van 75 vindplaatsen, waar men in het moderne Duits ‘stechen’ zou gebruiken, 73 keer (97%) juist gekozen heeft.

Hoe zien de overige 15 gevallen eruit? We komen de volgende betekenisvarianten tegen. Tussen haakjes voegen we er telkens de vorm(en) aan toe die LuFl gekozen heeft:

– 1) een speer in de aarde steken (639 – stackte);
– 2) de ingewanden van een gewonde op hun plaats terugduwen (2013 – stieß);
– 3) het zwaard in de schede steken (3714- stackte; 8570 – stieß);
– 4) zijn hoofd naar buiten of ergens onder steken (6250, 15516 – stieß);
– 5) een object op de punt van een speer steken (7879, 21263 – gesteckt);
– 6) een ladder in een toren naar beneden laten (11967 – stieß);
– 7) iemand iets onder het hoofd leggen bij wijze van kussen (17391 – stieß);
– 8) iets in zijn mond steken (21861 – stieß);
– 9) een ring aan de vinger steken (23603 – stieß);
– 10) met de voet tegen een muur trappen (15240 – stieß);
– 11) een tegenstander neersteken (1941 – stachde).

Betekenis 11 hoort definitief bij ‘stechen’. De vreemde vorm ‘stachde’ lijkt in se een compromis van sterke en zwakke vervoeging te vormen. Interessant is dat LuFl tien keer de vorm ‘stieß’ koos, waar men in het moderne Duits ‘stecken’ verwacht. Dat lijkt niets ongewoons te zijn. Het  Mittelhochdeutsches Handwörterbuch geeft meerdere voorbeelden waarin ‘stôzen’ de betekenis ‘stecken’ heeft, o.a. “Den rinc an den vinger, an die hant st[ôzen]” (Lexer II, 1218-1219). In betekenis 10 herkennen we de uitdrukking “met de voet tegen een muur, deur trappen”, waarvoor LuFl bij haar eerste optreden de sterke vorm ‘stach’ had gekozen. De onzekerheid is duidelijk het gevolg van het idiomatische karakter van de uitdrukking. In de resterende vier gevallen opteert LuFl voor ‘stackte’ (met z.g. Rückumlaut) of ‘gesteckt’, die allebei van het zwakke ‘stecken’ zijn afgeleid.

Wanneer we er rekening mee houden dat ‘stecken’ en ‘stoßen’ in het Mhd. als synoniemen gebruikt konden worden, mogen we constateren dat LuFl afgezien van ‘stach’ in vers 7367 en het merkwaardig gevormde ‘stachde’ in vers 1941 ‘stecken’ en ‘stechen’ perfect uit elkaar gehouden heeft. Alleen de typisch Nl. uitdrukking “met de voet ergens tegen steken” heeft een enkele keer voor verwarring gezorgd, maar de keuze voor ‘stoßen’ bij het tweede optreden ervan was definitief de juiste.

Nadat we geleerd hebben dat ‘stoßen’ synoniem kan zijn met ‘stecken’ en door LuFl in deze betekenis 10 keer gebruikt wordt, zijn een aantal keuzes van LuFl duidelijk geworden. We houden echter nog drie gevallen over. In de verzen 378 (“Stoßent dar vort einen puten sun”) en 1722 (“Und [er] stieß das schwert metter spoet”) correspondeert ‘stoßen’ eerder met Nl. ‘trekken’ dan met ‘steken’, en in vers 10817 (“Und Ogiers krafft was so gros, / Das das swert keinen widder stoß / Envant. Mer stoet Bertram aldur”.) vinden we een vreemde vorm “stoet”, die er als een praesensvorm zonder klankverschuiving uit ziet. Semantisch sluit hij enigszins aan bij ‘steken’, maar ‘slaan’ zou hier zeker beter in de context passen, men zie vers 10820 (“Der schlag was sere fel / den uff sinen neven slug Ogier”) waarin naar deze actie met het woord ‘schlag’ wordt gerefereerd. Terwijl ‘slaen’ in de regel geen problemen veroorzaakte, lijkt het toch zinvol om even na te gaan wat LuFl met Mnl. ‘trecken’ heeft gedaan.

Bij ‘trekken’ waren LuFl’s problemen vermoedelijk groter dan bij ‘steken’, want in tegenstelling tot ‘steken’ vs. ‘stechen’ en ‘stecken’ heeft ‘trecken’ geen min of meer gelijkluidend pendant in het moderne Duits. Vandaag de dag is ‘ziehen’ de meest voor de hand liggende vertaling voor ‘trekken’. Toch moeten we voorzichtig zijn, want in het Mittelhochdeutsches Handwörterbuch is ‘trekken’ niet onbekend. We registreren een sterk werkwoord ‘trëchen’ met de betekenis “ziehen, schieben, stoßen” en een zwak werkwoord ‘trecken’ met de betekenis “ziehen”, waarvan het imperfectum “treckete, trahte” luidt (Lexer II, 1500). Daarvan afgeleid zijn een sterk werkwoord “vertrëchen” met de betekenis “überziehen, verbergen” en een zwak werkwoord ‘vertrecken’ met de betekenis “verziehen, verzerren” (Lexer III, 274). Hoe ziet het er nu in OvD uit?

Onze reconstructie bevat 83 keer het werkwoord ‘trecken’ en wel in de volgende vormen: (ver)trecken (5x), trec (1x), trect (3x), vertrecke (1x), (ver)trac (57x), trocken (9x), ghetrocken (7x). In het Duits corresponderen daarmee – een paar vocaalvariaties buiten beschouwing gelaten – niet minder dan 15 verschillende werkwoorden: drucken (1x), geraken (1x?), gurten (1x), machen (1x), rauffen (29x), reden (1x), rücken/rucken (3x), slauffen, stoßen (2x), tragen (5x), (ver-)trecken/trocken/trucken (13x), trechen (2x), treten (4x), ziehen (4x) en zucken (11x).

De hoogste frequentie behaalt het woord rauffen (29 keer; zie Lexer ‘roufen’, II, 515), dat alleen verschijnt in combinatie met ‘swert’ of ‘brant’. De werkwoorden trecken (bij LuFl met de varianten trocken en trucken) en trechen hebben we hierboven al genoemd. Ze komen samen 15 keer voor, het laatste alleen in rijmpositie. Zucken, dat ook in het moderne Duits nog optreedt in uitdrukkingen als ‘ein Messer zucken’ (Lexer III, 1165-1166) komt 11 keer voor. Het woord ziehen (Lexer III, 1103-1105) dat vandaag de dag de meest adequate vertaling voor trekken is, komt vier keer voor en rucken resp. rücken drie keer. Dit laatste is volgens het Mittelhochdeutsche Handwörterbuch eveneens een passende vertaling voor trekken (Lexer II, 523-524). Alles bij elkaar heef LuFl dus 62 keer (74,7%) een adequaat equivalent voor ‘trekken’ gevonden, waarbij hij niet minder dan zes verschillende werkwoorden gebruikte.

In de resterende gevallen is er iets fout gegaan. Dat LuFl Mnl. trac met Mhd. trug (van tragen) associeerde, is begrijpelijk maar daarom niet minder fout. We komen dit trug vijf keer tegen. Waarschijnlijk hoort een eenzaam trog daar eveneens bij. Wanneer trac met trat verwisseld wordt, is er een leesfout in het spel, maar kan dat ook bij trettent en trade? In ieder geval heeft LuFl vier keer een vorm gebruikt die van treten afgeleid schijnt te zijn. De beide vreemde stieß-vormen aan het begin van de tekst hebben we hierboven al genoemd. De resterende werkwoorden (drucken, gurten, machen, reden, slauffen en geraken) werden maar één keer gebruikt. Blijkbaar ging het daarbij om verlegenheidsoplossingen, waar LuFl zelf ook niet erg van overtuigd was.

De indruk dat LuFl door de Nl. werkwoorden ‘steken’, ‘trekken’ en ‘stoten’ behoorlijk in de war is gebracht, blijkt bij nader toezien toch aanzienlijk minder erg dan vermoed. De opsplitsing van ‘steken’ in ‘stechen’ en ‘stecken’ lukt bijna foutloos. Het feit dat Mhd. ‘stôzen’ ook ‘steken’ kan betekenen, maakt een hele reeks keuzes begrijpelijk. En doordat Mnl. ‘trekken’ in het Mhd. door middel van niet minder dan zes verschillende werkwoorden adequaat kan worden weergegeven, verklaart die diversiteit die we in LuFl’s tekst aantreffen. Niettemin heeft dit laatste werkwoord hem behoorlijk meer moeilijkheden bezorgd dan ‘steken’.

Brock, juni 2013

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.