Heeft taalonderwijs nut?

Door Suzanne Aalberse

Is het als docent Nederlands zinvol om je leerlingen op fouten te wijzen? Voor het onderwijs in Nederlands als tweede taal is deze vraag preciezer uitgezocht dan voor Nederlands voor moedertaalsprekers. Een belangrijk discussiepunt in het antwoord op die vraag is de relatie tussen bewuste kennis en onbewuste kennis. Onze taalkennis is voor een heel groot deel onbewust. In een flits bepaal je bijvoorbeeld of je over een man en een vrouw spreekt. Je hoeft niet na te denken of je hij of zij zegt, het gaat vanzelf goed. In andere talen dan het Nederlands hoef je lang niet altijd aan te geven of het om een man of een vrouw gaat en daarom hoor je Chinezen of Indonesiërs soms over she of zij praten als het om een man gaat of juist om he of hij als het om een vrouw gaat. Alle sprekers die ik tegenkom die hij/zij fouten maken, weten best dat hij voor een man is en zij voor een vrouw, er is dus op bewust niveau geen enkel probleem, maar om het onderscheid altijd goed te gebruiken, dat is de uitdaging.

De observatie dat weten hoe het zit niet maakt dat je een vorm goed gebruikt, ligt mede ten grondslag aan de non-interface hypothese van Krashen.

Krashen denkt dat er geen wisselwerking mogelijk is tussen bewuste kennis (‘als je naar een man verwijst zeg dan hij’) en onbewuste kennis en dat taalonderwijs in de vorm van het aanbieden van taalregels daarom tijdverspilling is. Anderen zijn optimistischer en zeggen dat er wel indirect effect kan zijn van bewuste kennis op onbewuste kennis en omgekeerd. Door taalonderwijs kun je je bijvoorbeeld bewust worden van de eigenaardigheden van de taal die je leert. Een doel van onderwijs zou ‘noticing’ kunnen zijn. Een docent kan ervoor zorgen dat een leerling een vorm opmerkt en daardoor kan hij/zij die vorm vaker goed gebruiken.

Aan het belang van ‘noticing’ dacht ik toen ik dit weekend in Aken rondliep. Ik wilde graag pinnen en zag geen pinautomaat. Ik vond het gebrek aan pinautomaten bizar. Toen ik eenmaal doorhad dat ik moest letten op een rode s met een puntje van sparkasse (zie plaatje) zag ik in de hele stad pinautomaten die ik eerst niet had gezien. Net zoals ik het even nodig had om pinautomatensymbolen te zien, zo neemt een taalleerder meer op als hij weet dat het er is. Die laatste ‘er’ bijvoorbeeld uit de vorige zin, die zouden veel tweedetaalverwervers niet horen. Als de docent ze ervan bewust maakt dat de vorm bestaat, is de kans dat ze hem gaan horen (en gebruiken) groter.
Wat ik nu graag zou willen weten is hoeveel je in je moedertaal kunt bijleren. Lang heb ik op colleges beweerd dat je maar heel beperkt kunt bijleren op het gebied van taal en dat bijleren vaak misgaat. Je krijgt hypercorrecties als “even groot dan “en “zij heb ik het gevraagd” en het soort leren is anders en beperkter. Dat laatste denk ik nog steeds, maar de precieze informatie die er bestaat voor tweedetaalverwerving op het gebied van de mogelijkheden van het bijleren van taal, die lijkt me ook interessant voor eerstetaalverwerving. Hoeveel succes kun je als docent hebben (los van de vraag of je dat succes zou moeten willen nastreven) met het overbrengen van de norm? Ik weet van tenminste twee dingen dat ik ze op school goed geleerd heb: het onderscheid tussen mij en mijn en tussen na en naar. Het onderscheid is voor mij nu zo vanzelfsprekend (en automatisch en onbewust) dat ik me niet kan voorstellen dat ik het niet altijd gehad heb. Door mijn eigen schoolschriften te bekijken, door naar mijn kinderen te luisteren en door Nicoline van der Sijs weet ik dat het onderscheid lange tijd niet zo duidelijk bestaan heeft. Niet in het Nederlands van een paar honderd jaar geleden en niet in mijn eigen Nederlands. De school heeft dus iets bereikt.  
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Heeft taalonderwijs nut?

  1. Gaston Dorren schreef:

    De opvatting van Krashen, of in ieder geval die opvatting zoals weergegeven door jou, is zó contra-intuïtief dat het me moeite kost om 'm zelfs maar serieus te nemen. Maar goed, dat geldt voor de relativiteitstheorie ook, en die zou ik niet in twijfel durven trekken.
    Grappig detail: jij hebt het over een 'puntje' boven de sparkasse. Ik zou dat één letter anders hebben gezegd: een muntje.

Reacties zijn gesloten.