Al lezende in Ogier van Denemerken – 21

Al lezende in Ogier van Denemerken – 21 : Helm (2)

Amand Berteloot

Als we ons afvragen wat er aan een middeleeuwse helm allemaal los en vast zat, zijn we gedwongen een kijkje te nemen op de diverse helmen die toen in gebruik waren. Dat kan in een bijdrage als deze maar op een zeer beperkte manier gebeuren en als filoloog voel ik me ook geenszins een specialist op dit gebied, maar we moeten ten minste een poging doen.

Behalve aan de hand van de weinige originele helmen, die in musea bewaard worden, kunnen we ons een beeld vormen door het bestuderen van miniaturen die gevechtsscenes weergeven. Die zijn er in groten getale. We kiezen er nogal willekeurig twee uit.

Handschrift New York, Pierpont Morgan Library, MS M 638, waartoe ook enkele bladen in de Parijse Bibliothèque nationale en het J.P. Getty Museum in Los Angeles behoren, is het eerste deel van een prentenbijbel, die rond het midden van de 13de eeuw vermoedelijk in het kader van de kruisvaart van de Franse koning Lodewijk IX (Lodewijk de Heilige, 1214-1270) ontstond. Het boek staat bij kunsthistorici bekend onder de naam Kreuzritterbibel, Bible des Croisades of Shah Abbas Bijbel. Dit manuscript in waarlijk royaal folioformaat bevat een hele reeks gevechtsscenes, waarin de acteurs uit het Oude Testament als contemporaine 13de-eeuwse ridders zijn uitgedost. Als men de miniaturen aandachtiger bekijkt, kan men vier verschillende helmtypes onderscheiden.

Het eerste type ziet eruit als een kap die deel uitmaakt van de maliënkolder en dus uit metalen ringetjes bestaat. Waarschijnlijk is het dit type dat met de term ‘hersenier’ werd aangeduid. Het Lexikon des Mittelalters (LdM IV, 2182 s.v. hersenier) beschrijft het als een “Ringelkapuze mit großer Gesichtsöffnung, zunächst vom Panzerhemd […] trennbar. Im 12. Jh. wurde sie aber fest mit diesem verbunden und der Gesichtsausschnitt verkleinert […]” Dit laatste kan men op de miniaturen in de Kreuzritterbibel goed zien. Sommige exemplaren laten het hele gezicht onbedekt, terwijl bij andere alleen de ogen en de neus zichtbaar zijn. Op talrijke miniaturen is te zien dat dit type hoofdbeschermer ook gedragen werd onder de andere helmtypes die we verder nog zullen beschrijven. Dat is b.v. goed te zien op folio 28r rechts boven, waar het verhaal van 1 Samuel 17, 38-39 wordt afgebeeld. David, die als een kleine jongen wordt voorgesteld, draagt als voorbereiding op zijn strijd tegen Goliath een veel te grote maliënkolder met kap en daar zet koning Saul nog een zware pothelm bovenop. Op de volgende miniatuur ligt de helm op de grond en probeert de kleine David zich uit de maliënkolder te wurmen. Dat de hersenier vaker met andere helmtypes werd gecombineerd, is vermoedelijk de reden waarom het MNW het begrip definieert als een “metalen kapje, dat op het hoofd sloot en onder den helm gedragen werd”, terwijl het Vroegmiddelnederlands woordenboek voorzichtiger formuleert en spreekt van “[w]sch. een ijzeren hoofdbescherming, gedragen onder of in plaats van een helm”. Verder lijkt het niet onwaarschijnlijk dat er zich onder de kap van de maliënkolder, wanneer daar geen supplementiare helm meer aan te pas kwam, een metalen kapje als hoofdbescherming bevond. Dat is echter op de miniaturen niet zichtbaar.

Het tweede type helm dat we op de miniaturen kunnen zien, bestaat uit een simpele, boven afgeronde metalen schaal, die de hersenpan omsluit. Sommige exemplaren lijken een eerder conische dan ronde vorm te vertonen. Het is vermoedelijk deze variant van dit tweede type dat men ‘Kegelhelm’ noemde. Hoewel we in onze Middelnederlandse teksten een hele reeks begrippen tegen komen, waarmee helmen worden aangeduid (‘ketelhoet’, ‘pothuve’, ‘hovetketel’, ‘iserhoet’, ‘tophuve’ enz.), is het nauwelijks mogelijk één daarvan met dit type te verbinden. Bij vorstelijke dragers van deze helm was het blijkbaar mogelijk hem te voorzien van een kroon, die op de onderste rand bevestigd werd.

Een andere variant van dit tweede type vertoont nog een bijzonderheid: de helm is uitgerust met een ijzeren spang, die de neus beschermt. Het LdM dateert het eerste optreden van deze variant in de tweede helft van de 12de eeuw (LdM IV, 2123 s.v. helm). Ook van dit helmtype weten we niet hoe het in het Mnl. genoemd werd, maar de neusbeschermer heette ‘nesebant’. De Oudfranse benaming was ‘nasal’ en de begrippen ‘nasebant’ en ‘nasale’ werden ook in het Duits gebruikt. Op een aantal miniaturen in de Kreuzritterbibel ziet men dat onder de diverse verschijningsvormen van deze helm de boven beschreven hersenier werd gedragen, waardoor dan meteen ook de oren en in sommige gevallen ook de kin en de mond werden beschermd.

Het derde type helm uit de Kreuzritterbibel ziet er een beetje uit als een moderne strohoed. Opvallend is vooral de brede rand, terwijl de bovenkant vaak afgeplat, maar soms ook rond kon zijn. Sommige van deze exemplaren dragen links en rechts metalen spangen die de oren beschermen, en af en toe kan men zien dat ook dit helmtype met een hersenier werd gecombineerd. Men kan zich goed voorstellen dat het dit soort helmen was die men in het Mnl. als ‘hoet’ (‘iserhoet’, ‘stormhoet’, ‘schermhoet’) karakteriseerde, maar daar hebben we geen bewijzen voor.

Het vierde en laatste type verschilt heel duidelijk van de voorgaande en is vermoedelijk het type waar men bij de term ‘middeleeuwse helm’ het eerst aan denkt. Terwijl de vorige types alleen de schedelpan beschermen, hebben we hier te maken met een boven afgeplatte ketelvormige helm die het hele hoofd omsluit. Voor de ogen zijn er smalle horizontale openingen voorzien en de ademlucht wordt door kleine ronde of kruisvormige gaatjes in de onderste helft van de helm binnengelaten. Dit type noemt men in het Duits ‘Topfhelm’ (Nl. pothelm), een ietwat ronder type noemt men ook ‘Kübelhelm’. Deze helmvorm ontstond omstreeks het jaar 1200 en was vooral ontworpen om het hoofd, het gezicht en de ogen te beschermen bij de tjost met de speer. Men kan zich goed voorstellen dat het dit type is, waarvoor in het Mnl. de termen ‘ketelhoet’, ‘hovetketel’ of ‘pothuve’ werden gebruikt, maar bewijzen hebben we ook daarvoor niet.

Omdat de drager van deze helm compleet onherkenbaar was, was het noodzakelijk zijn identiteit op een andere manier zichtbaar te maken. Dat gebeurde door middel van het wapenteken dat op het schild en op de kleding van de ridder aangebracht kon worden. Maar ook de helm kon tot de herkenning van zijn drager bijdragen. De helm kon met het wapenteken beschilderd worden of het wapenteken kon met behulp van leren riemen boven op de helm vastgemaakt worden. Daarvan valt echter op de miniaturen in de Kreuzritterbibel niets te bekennen. De enige waarneembare versiering van de helm bestaat hier uit een metalen omranding van de oogspleten of, blijkbaar bij vorstelijke dragers, een kroon, die boven op de helm werd vastgemaakt.

Onder deze grote helm werd in de regel een kleinere gedragen, die de grote stabiliseerde en de slagen kon helpen afzwakken. Die kleine, relatief eenvoudige (waarschijnlijk gewatteerde) metalen kap, die veel weg gehad moet hebben van het hierboven beschreven tweede helmtype, werd in het Mnl. met een Frans leenwoord ‘coifie’ of met een eigen Nederlands begrip ‘beckineel’ (hersenpan) genoemd. Omdat deze binnenhelm een gereduceerde vorm van de boven beschreven ronde variant van het type 2 lijkt te zijn, is het niet uitgesloten dat de term ‘beckineel’ voor beide vormen, zowel de buiten- als de binnenhelm, in gebruik is geweest.

De Kreuzritterbibel ontstond omstreeks het midden van de 13de eeuw en spiegelt dus vermoedelijk de realiteit van dat ogenblik. Als we bedenken dat de Franse Ogier le Danois in de eerste decennia van de 13de eeuw ontstaan is (LdM VI, 1373-1374), mogen we verwachten dat het deze vier helmtypes geweest zijn die de auteur van het Franse epos bij het schrijven voor ogen hebben gestaan. Daarmee had de middeleeuwse helm echter nog lang niet het einde van zijn ontwikkeling bereikt. Elke verandering op wapentechnisch gebied, zoals de invoering van vuurwapens sinds het midden van de 14de eeuw, bracht noodzakelijkerwijs aanpassingen van de wapenrustingen met zich mee, waarbij deze naar het einde van de Middeleeuwen toe steeds meer aan effectiviteit verloren. Tegen kanonnen en geweerkogels boden metalen pantsers en helmen steeds minder bescherming. Zodoende kregen wapenrustingen niet alleen andere vormen, ze kwamen op den duur ook steeds meer in onbruik. Uiteindelijk dienden ze alleen nog als pronkstukken en werden ze alleen nog voor toernooien gebruikt.

Het is niet de bedoeling de complete geschiedenis van de middeleeuwse helm te traceren, maar nadat we in Al Lezende 17. De chronologie van OvD hebben betoogd dat onze Mnl. OvD, in concreto OvDNL2, in de 15de eeuw is ontstaan, en met het oog op het feit dat Ludwig Flugel zijn afschrift in 1479 heeft voltooid, werpen we een blik op een manuscript uit de 15de eeuw. Zo is de kans groot dat we daar precies te zien krijgen, wat de Nl. auteur van  OvDNL2 en de Heidelberger bij het thema helm voor ogen heeft gestaan. We maken ook deze keer weer een vrij willekeurige keuze en bekijken de onlangs verschenen facsimile-editie van handschrift Berlijn, Staatsbibliothek Preußischer Kulturbesitz Ms. germ fol. 855, de z.g. Hundeshagensche Codex, het enige geïllustreerde handschrift van het Nibelungenlied. Dit manuscript ontstond vermoedelijk tussen 1436 en 1442 in Augsburg (J. Vorderstemann, S 89) en al is het Nibelungenlied zelf bijna 250 jaar ouder, toch mogen we er van uitgaan dat in de illustraties bij de tekst “Kleidung, Rüstung, Waffen und Architekturdetails den jeweils aktuellen Moden und Formen entsprechend gestaltet” werden (B. Braun-Niehr, 105).

De helmen die in het Nibelungen-handschrift worden afgebeeld, zien er totaal anders dan die uit de Kreuzritterbibel. Het valt op dat de grote verscheidenheid uit de 13de eeuw plaats gemaakt heeft voor een hoge mate aan uniformiteit. Vrijwel al de afgebeelde helmen vertonen twee vernieuwingen, die in de 13de eeuw nog onbekend waren, namelijk het beweeglijke vizier en de brede metalen nekbescherming aan de achterkant. Het vizier kon omhooggeklapt worden en bedekte in gesloten toestand niet  alleen de ogen maar ook de mond en de kin. Deze innovatie werd volgens het LdM reeds rond 1315 ingevoerd. De brede nekbeschermer schijnt kenmerkend voor 15de-eeuwse helmen te zijn. Als men dit handschrift mag geloven, dan had rond het midden van de 15de eeuw dit helmtype, dat men met de term ‘salade’ (‘celata’) aanduidde, de oudere vormen zo goed als compleet verdrongen. Maar dat kan ook een vrijheid zijn die de illustrator zich veroorloofde.

Na dit kleine overzicht over verschillende helmtypes keren we terug naar de vraag welke helmen in OvD beschreven worden en welke consequenties daaruit getrokken kunnen worden voor de interpretatie van de verzen 3009-3014. Een beschrijving van een helm in de echte zin van het woord komt in OvD nergens voor. Wel kan men soms uit de context afleiden, welk type bedoeld moet zijn. De gebruikte terminologie reflecteert in ieder geval niet de diversiteit van vormen die we op de miniaturen tegengekomen zijn.

Laten we beginnen met de termen en de cijfers. Het hyperoniem ‘helm’ is het begrip dat we in OvD het vaakst tegenkomen en wel 73 keer. Met 11 vindplaatsen komt ‘beckeneel’ op de tweede plaats. Het leenwoord ‘cofie’ komen we drie keer tegen (9327, 17147 en 17750). Telkens twee keer vallen de termen ‘hersenier’ (1966 en 21797). ‘palette’ (10771 en 11494) en ‘stalijn hoet’ (1002 en 20292). Dit laatste cijfer moet waarschijnlijk tot drie verhoogd worden want ‘haubt’ in vers 17747 (“Uf das haubt oben von stael”) is naar alle waarschijnlijkheid een verschrijving voor ‘hoet’.

Wat kunnen we nog meer te weten komen over de dingen die zich achter deze begrippen verbergen? Beginnen we bij ‘hersenier’. Hier levert de context geen enkele supplementaire informatie op, behalve het feit dat de drager van de ‘hersenier’ in beide gevallen een Sarraceen is. Maar dat kan natuurlijk toeval zijn.

Het begrip ‘helm’ is, zoals gezegd, een hyperoniem. Hij omvat dus vermoedelijk meerdere types. We zullen de eigenschappen van de diverse helmen daarom proberen te rangschikken.

Wanneer de drager van een ‘helm’ een zware slag op het hoofd krijgt, dan splijt het zwaard in veel gevallen niet alleen de ‘helm’ zelf maar ook de ‘cofie’, het ‘beckineel’ of de ‘palette’, die zich daar onder bevinden. In andere gevallen gaat weliswaar de helm kapot, maar de ‘cofie’, het ‘beckineel’ of de ‘palette’ houden stand, zodat het slachtoffer de slag overleeft. Van de elf vindplaatsen voor het begrip ‘beckineel’ zijn er zes waarin het ‘beckineel’ in combinatie met een ‘helm’ deze functie van binnenhelm vervult (3629, 8411, 10771, 12402, 12423, 17410 en 17758). Als buitenhelm bij een ‘beckineel’ fungeert een ‘stalijn hoet’ in de verzen 1002 en 20292. Een ‘cofie’ in combinatie met een ‘helm’ vinden we in de verzen 9327 en 17147. Als onze reconstructie van daarnet klopt, speelt de ‘cofie’ ook in vers 17750 de rol van binnenhelm in combinatie met een ‘stalijn hoet’. Van een ‘palette’ onder een ‘helm’ is sprake in vers 11494. Wanneer we vers 10771 even buiten beschouwing laten, ligt het voor de hand om op al de genoemde plaatsen bij de buitenhelm aan een pothelm van het type vier te denken. Daar komen nog een aantal andere plaatsen bij, waar eigenschappen genoemd worden die het best bij een pothelm passen. In het in de vorige bijdrage van Al Lezende geciteerde vers 20837 wordt gezegd dat Ogier voor Karahen onherkenbaar is omdat hij een helm draagt. Elders is er sprake van dat de helm zeer zwaar is (6803-6804, 11258), dat hij zijn drager overlast bezorgt (2015) en dat men een ridder die bewustloos is geslagen in ieder geval de helm van het hoofd moet nemen omdat er levensgevaar (vermoedelijk door verstikking) bestaat (6851 en 12469 e.v.). Vers 12423 e.v. laat zien dat de magische, in het bloed van sint Gratianus gedrenkte helm, vermoedelijk een pothelm moet zijn geweest, want de helm zelf blijft ongeschonden terwijl het ‘beckineel’ daaronder stuk gaat.

Hogerop hebben we het vermoeden geuit dat de term ‘beckineel’ niet uitsluitend op de binnenhelm van de grote pothelm slaat. Dat kan men hard maken aan de hand van de verzen 14394 en 19335, waar beide keren van een ‘beckineel’ sprake is zonder dat een andere helm daaronder vermeld wordt. In het daarnet al genoemde vers 10771 blijkt het ‘beckineel’ zelf te fungeren als buitenhelm bij een ‘palette’, wat dan weer impliceert dat de buitenhelm bij een ‘palette’ niet noodzakelijk een pothelm geweest moet zijn zoals we dat voor het ‘beckineel’ en de ‘cofie’ hebben aangenomen. Interessant is ook de passage 12393-12403 waar de helm van Ogier zelf een ‘beckineel’ blijkt te zijn en wel de bijzondere variant met de ‘nesebant’. In onze reconstructie luiden deze verzen als volgt:

Enen slach die seere was swaer
hevet Karel mettien woorde verheven
ende hevet Ogiere so ghesleghen
upten scilde, dat hi hem clovede
den harden helm, dien hi upten hovede
hadde. Daerin maecte hi hem ene scaerde.
Doe dat swert sanc nederwaerde.
slouch hi Ogiere, den wigant, up den vergulden nesebant
dwers up dat beckineel.
Int vorhovet wonde hine een deel
mettien slaghe, die was fel.  (12393-12403)

Behalve in vers 12401 waar ‘nesebant’ in onmiddellijke samenhang met ‘beckineel’ wordt genoemd, komen we de neusbeschermer aan de helm nog op twee andere plaatsen in OvD tegen en wel in de verzen 2116 en 18735. In vers 2116 slaat Buteram Ogier op de ‘helm’. Met dezelfde slag slaat hij Ogier het ‘nasale’ van de helm en diens paard een groot deel van zijn kop af. In de verzen 18733 e.v. krijgt Ogier te maken met een monsterlijk wezen met drie kinnen en drie neuzen. Hier lezen we in onze hertaling:

Met Corteine, sinen swerde,
gaf hi hem wel sijn deel.
Van den helme dat naseel
slouch hi hem of upter stede
ende die ene nese dede hi mede
vallen mettien smete.  (18733-18738)

Ook al leggen alleen de verzen 212401-12402 een directe verbinding tussen ‘nesebant’ en ‘beckineel’, toch lijkt het onmiskenbaar dat op al deze plaatsen het helmtype 2 met de neusbeschermer in het spel is. De tekst van OvD biedt meteen ook een goed argument om aan te nemen dat het Mnl. naast de term ‘nesebant’ ook het woord ‘naseel’ heeft gekend, ook al is dit buiten OvD niet geattesteerd.

Als we al deze gegevens op een rijtje zetten dan blijkt dat de in OvD vermelde helmen heel goed overeenstemmen met die die we in de Kreuzritterbibel afgebeeld zien. We komen de ‘hersenier’ tegen (type 1), het ‘beckineel’ met de neusbeschermer (type 2) en de pothelm (‘helm’, ‘stalijn hoet’) met als binnenhelm een ‘cofie’ of een gereduceerde vorm van het ‘beckineel’ (type 4). Van de ‘salade’, de 15de-eeuwse variant met het grote beweeglijke visier en de brede nekbeschermer is er in OvD nog geen spoor te bekennen.

Helpt ons dat om inzicht te krijgen in de passage 3009-3014? Vermoedelijk wel. Als HiWe gelijk heeft met zijn interpretatie ‘stechachsel’, dan is het evident dat Flugel iets wat hij uit de toernooipraktijk van zijn eigen tijd kende, in de tekst heeft binnengesmokkeld. Dat kan niet in de Oudfranse tekst gestaan hebben en, na alles wat we hierboven hebben gezien, met alle waarschijnlijkheid ook niet in de Mnl. legger. We weten weliswaar nog steeds niet welk type helm Sadoni gedragen heeft, maar de mogelijkheden zijn nu toch erg ingeperkt. Als het een pothelm van het type 4 is geweest, dan viel daar alleen de versiering, in dit geval waarschijnlijk een kroon aan af te slaan. Misschien stond er dus in plaats van ‘achsel’ oorspronkelijk ‘cirkel’, want dit is een van de Mnl. begrippen voor ‘kroon’. Maar omdat we nergens een aanwijzing hebben dat Sadoni een belangrijke vorst was, is dit eerder onwaarschijnlijk. De meeste kans maakt de veronderstelling dat Sadoni een ‘beckineel’ met een neusbeschermer droeg. Net zoals in de vrezen 12393-12403 hakte de slag van Charloot de neusbeschermer van de helm af en trof meteen ook de neus van Sadoni, die zich daarna ernstig gewond uit de voeten maakte. Zonder enige zekerheid te hebben stellen we daarom de volgende hertaling voor:

Charloot balch hem mettien
ende slouch weder upten payien,
dat hi hem den helm of dede,
ende hi hevet hem metter snede
dat naseel vanden helme ghesleghen
ende die nose ofgedreghen. (3009-3014)

De vraag is alleen nog waarom Flugel het gepostuleerde ‘naseel’ hier niet herkend heeft, terwijl hij daar in de verzen 2116 en 18735 geen moeite mee had. Net als zoveel andere plaatsen zal dit wel voor altijd een raadsel blijven, maar feit is in ieder geval dat LuFl zich bij het afschrijven van de passage 3009-3014 niet al te veel moeite getroost heeft om de tekst voor zijn opdrachtgever en zijn lezers leesbaar te maken. Dat kan men zonder veel moeite aan de overige ongerijmdheden in deze verzen aflezen.

Brock, mei 2013

Bibliografie

Braun-Niehr, B.: Die Federzeichnungen. In: Das Nibelungenlied. Der Hundeshagensche Codex. Ms. germ. 855 der Staatsbibliothek zu Berlin – Preußischer Kulturbesitz, Berlin. Gütersloh / München 2012, 101-122.
Die Kreuzritterbibel. Faksimile. Luzern 1998.
LdM: Lexikon des Mittelalters. München /  Zürich, 1980-1999.
Das Nibelungenlied. Der Hundeshagensche Codex. Faksimile. Gütersloh / München 2012.
Vorderstemann, J.: Die Herkunft. In: Das Nibelungenlied. Der Hundeshagensche Codex. Ms. germ. 855 der Staatsbibliothek zu Berlin – Preußischer Kulturbesitz, Berlin. Gütersloh / München 2012, 89-100.

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.