De t in stroop

Door Marc van Oostendorp

Waar komt de [t] in het Nederlandse woord stroop vandaan? Dat vroeg een Amerikaanse taalkundige me onlangs, en ik wist het niet. In de Etymologiebank had hij zelf al het volgende gevonden:

“siroop via seroop in sroop [1657; WNT]”

Inderdaad blijkt sroop in deel XIV van het Woordenboek der Nederlandsche Taal te staan. Het is het laatste woord van dat deel, en het enige woord in heel het woordenboek dat begint met de letters sr. Dit is wat het woordenboek erover zegt:

 

Overgangsvorm tusschen Siroop en Stroop (zie verder op Stroop (II). Eenmaal aangetrodden. || Als die, met suigen sroop, uit suikerrieten, trekt, En naasoet, van syn lippen, lekt, SIX V. CHAND. 264.

Ik vroeg er mijn collega Nicoline van der Sijs naar die erop wees dat precies deze vorm de enige is die je in de DBNL kunt vinden (in datzelfde gedicht van Six van Chandelier) en dat de vorm ook in het Maastrichts voorkomt, als sroep of sjroep. De Limburgse Wikipedia leert ons vervolgens dat die vorm met sjr ook elders in Limburg voorkomt (en in een moeite door dat ‘de enigste twae echte sjroapfabrieke die eppel en paere gebroeke’ allebei in Limburg staan.)

Ooit heeft het woord siroop de klinker verloren: hij was onbeklemtoond, een [i] is een korte klinker, en kon dus makkelijk wegvallen. Maar dat leverde dus de medeklinkercombinatie sr op waar sprekers van het Nederlands (anders dan de inwoners van Sri Lanka) zich ongemakkelijk bij voelen. In het Limburgs was er een uitweg: de [s] veranderen in [ʃ] (sj), die ook gebruikt wordt in woorden als sjrieve (schrijven), maar in de andere variëteiten van het Nederlands was die uitweg er niet.

In de tijd dat dit gebeurde (het moet, gegeven het gedicht van Six van Chandelier, de zeventiende eeuw zijn geweest), werd de [r] vermoedelijk allerwege nog met het puntje van de tong gemaakt, net als de [s]. De meest voor de hand liggende mogelijkheid was dus om een korte medeklinker in te voegen die ook met het puntje van de tong gemaakt werd: de [t]. Woorden met str waren er natuurlijk ook in die tijd al volop: straat, stroom, strook, streef enzovoort. En zo werd siroop tot stroop. Het moet heel snel zijn gebeurd, anders was de ‘tussenvorm’ niet alleen in dat enige gedichtje overgebleven.

 

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.

3 reacties op De t in stroop

  1. Henno Brandsma schreef:

    Het Fries heeft "sjerp" laten ontstaan; de sj is hoogfrequent in het Fries, dus dat was ook een acceptabele uitkomst voor s plus zwakke i, de klinker is wellicht versprongen.

  2. Interessant. Waarom zou het niet schroop geworden zijn?

  3. Stefan Norbruis schreef:

    Interessant dat in deze late ontwikkeling voor dezelfde oplossing gekozen is als in het Proto-Germaans, dat de klankwet sr- > str- kende (stroom < *strau-ma- < *srou-mo-, vgl. o.a. Sanskrit sráv-a-ti 'stroomt' < *sreu-e-).

Reacties zijn gesloten.