Resistent tegen stopwoordjes?

Door Marc van Oostendorp
Ineens besefte ik: er bestaat geen goede theorie over stopwoorden, of in ieder geval ik ken zo’n theorie niet. Waarom gebruiken mensen stopwoorden, maar vooral: hoe kunnen we begrijpen dat sommige stopwoorden ineens ergens opduiken en dan weer in de loop van de tijd verdwijnen. Er zijn allerlei theorieën over de aard en de functie van taal, maar geen ervan kan eigenlijk het fenomeen van het stopwoord verklaren.
Ik was aan het lezen in het aardige nieuwe taalboek Woorden weten alles van de journalist Ludo Permentier. In dat boek staan allerlei stukjes die Permentier de afgelopen jaren over taal schreef voor zijn krant De Standaard, steeds naar aanleiding van een woord. En een van die woorden is eigenlijk.
“Stopwoorden zijn als griepbacillen, uitermate besmettelijk,” schrijft Permenier

Ze verspreiden zich door imitatiegedrag. Een heerschap dat er verstandig uitziet, gebruikt vaak het woord sowieso op de televisie. Je kunt er dan donder op zeggen dat het de volgende dagen ook op straat vaker te horen is. Deze modewoorden komen onverwachts en trekken weer weg zonder een adres achter te laten. Wie gebruikt nog de stoplappen weet je wel, in principe, effenaf, enfin? Modern zijn absoluut, een stuk(je), heel erg, iets van, effectief, ik bedoel, pakweg, of zo, of wat en zeg maar.

Permentier gebruikt hier de twee metaforen die allebei gebruikelijk zijn, maar elkaar ook uitsluiten: stopwoordjes zijn een virus, stopwoordjes zijn een modeverschijnsel. Dat sluit elkaar uit omdat je moeilijk kunt beweren dat mensen de griep krijgen omdat dit nu eenmaal in de mode is.
Op het eerste gezicht is de modemetafoor ook het minst bruikbaar. Mensen die in iedere tweede zin een stopwoord gebruiken als aboluut, vinden het vaak zelf heel vervelend dat ze dat doen – als ze zich er al van bewust zijn. Bij modieus gedrag stel je je toch wat anders voor – mensen lopen niet zonder dat ze dat in de gaten hebben of zelfs tegen hun wil ineens met een hippe bril rond.

Wat dat betreft lijkt het verschijnsel meer op een virus: het overkomt de mensen, die zich er vaak nauwelijks van bewust zijn, dat ze het zeggen. En ook virussen zijn tijdgebonden: de griep die u vorige maand aan bed gekluisterd hield was dezelfde die Niels Geusebroek trof, en een andere dan die vijf jaar geleden woedde. Maar u hebt die nieuwe griep niet gekregen omdat u op Geusebroek wilde lijken en die verkoudheid van vijf jaar geleden inmiddels ‘zooooo 2008’ is, maar omdat de griep van Geusebroek nu heerst. Zo zit het volgens mij ook met absoluut en weetjewel.

Maar dat van dat virus blijft alleen een metafoor. De grote vraag is hoe het mogelijk is dat woorden zich als virussen gaan gedragen. Er valt nog min of meer te begrijpen waarom mensen überhaupt stopwoorden gebruiken. Je moet je in het openbaar uitlaten, je raakt in paniek, je moet woorden zeggen, nu, nu, nu, wat moet je zeggen, wat zal je nou eens zeggen, en dan vul je de leegte met in principe of eigenlijk.

De griep verandert steeds, niet omdat mensen erop uitgegeken raken maar omdat het virus op de mensen uitgekeken raakt, van wie het lichaam resistent raakt met het virus.

Maar waarom nemen mensen na verloop van tijd afscheid van hun stopwoordjes? Waarom hoor je eigenlijk nooit meer iemand zeggen best wel? Je kunt toch moeilijk volhouden dat het brein na verloop van tijd resistent wordt tegen stopwoorden? Waarom kiezen alle mensen dan niet aan het begin van hun leven een bepaald stopwoord en houden daar de rest van hun leven aan vast?

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags . Bookmark de permalink.

2 reacties op Resistent tegen stopwoordjes?

  1. Ik ken wel mensen die altijd dezelfde stopwoorden. Zo ken ik iemand die bijna elke zin afsluit met een bevestiging vragend 'ja'. Ook 'zeg maar' voor het onderwerp verhult een bepaalde mate van onzekerhed.
    Misschien behoren deze voorbeelden juist niet tot de categorie stopwoorden maar markeren ze een chronisch onzeker mens.

  2. Ja, waarom mensen stopwoorden gebruiken, dat kan ik nog wel min of meer begrijpen. Maar waarom, en op welke manier, individuele stopwoorden opkomen en weer verdwijnen, vind ik raadselachtig. Sommige zijn ook resistenter dan anderen. Ik heb het idee dat 'zeg maar' bijvoorbeeld al mijn hele leven bij me is, al hoor ik het de laatste jaren wat minder dan een jaar of tien geleden.

Reacties zijn gesloten.