Noam Chomsky vindt wat ik doe onzin

Het fonologie-congres in Istanboel waar ik de afgelopen dagen was, had zaterdag een mystery guest: de beroemdste taalwetenschapper aller tijden, Noam Chomsky. De dag ervoor had hij een lezing gegeven ter nagedachtenis van de Armeense journalist Hrant Dink, maar de organisatoren hadden hem ervan overtuigd om ook bij ons een uur te komen praten.

Dat was een bijzondere gebeurtenis. Chomsky publiceerde samen met zijn vriend Morris Halle in 1968 het boek The Sound Pattern of English, dat allerwegen wordt beschouwd als een van de belangrijkste boeken in het vakgebied, al is het natuurlijk inmiddels in veel opzichten achterhaald. Sindsdien heeft hij zich nooit meer met het vak bemoeid.

Hij beweerde in interviews altijd dat dit was omdat hij het inmiddels te druk had met zijn werk aan syntaxis en politiek, maar zaterdag bleek dat er iets achter zit. Hij vindt fonologie niet de moeite waard!

Dat komt zo. In de loop van de afgelopen 55 jaar heeft Chomsky een steeds engere definitie van het begrip ‘taal’ ontwikkeld. Volgens hem is taal in de eerste plaats een instrument voor het denken – de manier waarop een mens begrippen kan samenvoegen tot complexe gedachten: uit de begrippen Jan, kust en Henk vorm je het idee ‘Jan kust Henk’, dat op zijn beurt weer kan worden samengevoegd met de begrippen Jopie en zegt tot het nog complexere idee Jopie zegt: ‘Jan kust Henk’.

De structuur van gedachten is volgens Chomsky voor alle mensen hetzelfde – en dat noemt hij taal. ‘Language is audible thought’, zei hij op een zeker moment, maar hij maakte tegelijk duidelijk dat hij dat ‘hoorbare’ deel minder belangrijk vond. Omdat je gedachten nu eenmaal moet formuleren om ze aan iemand over te dragen, moet je ze in een uitspreekbare vorm gieten. Die uitspreekbare vorm verschilt van de ene taal tot de andere, zei hij en hij wees even op ons allemaal, zoals we in de zaal zaten. “En dat is waar jullie je mee bezig houden.”

Après la lettre

Het uitspreken kwam volgens Chomsky later in de evolutie van de menselijke soort. De eerste mensen met taal gebruikten om creatief te denken en zo begrippen aan elkaar te verbinden. Pas later vonden ze een manier om die gedachten ook met elkaar te delen. Maar het was die eerste stap die echt bijzonder is voor de mens – dieren kunnen ook communiceren, maar ze hebben niet zulke complexe, creatieve gedachten – en bovendien is de structuur van die gedachten volgens Chomsky ook verrassend en verbazend mooi en elegant – hij kan met heel eenvoudige wiskundige middelen beschreven worden. Terwijl de taalklanken die wij op ons congres bestudeerden volgens hem rommelig is en dus nauwelijks interessant. (Zelfs woordvolgorde is volgens hem eigenlijk geen serieus onderwerp – we denken woorden niet in een bepaalde volgorde, maar zetten ze pas in zo’n volgorde als we gaan praten.)

Het is natuurlijk een wat curieuze gang van zaken. Dat rommelige, die klanken, die woordvolgorde, dat steeds weer variabele, dat is precies wat mensen ‘taal’ noemen. Dat mensen universeel op een en dezelfde manier denken, is een interessante gedachte. Hij komt ook al voor in de zeventiende-eeuwse Grammatica van Port Royal, waarover Chomsky ooit een boek schreef (Cartesian linguistics). Door zijn critici werd Chomsky indertijd verweten dat hij die grammatica teveel op zijn eigen manier interpreteerde, alsof de monniken van Port Royal een soort Chomskyanen avant la lettre waren; inmiddels is Chomsky dus een Port Royalist après la lettre geworden.

Hoorbare vorm

Dat is allemaal machtig interessant. Maar het gaat nogal ver om te doen alsof het de enige opdracht is van de taalkunde om dat te achterhalen en om een aantal problemen – zoals hoe het kan dat kinderen de enorme variatie aan taalvormen zo makkelijk onder de knie krijgen, een klassiek probleem van de Chomskyaanse taalkunde – nu ineens af te doen als onbelangrijk en oninteressant. (Het is natuurlijk op een bepaald moment heel bewonderenswaardig dat iemand op zijn 84ste nog de kracht opbrengt om voor een zaal geleerden te gaan staan om ze te vertellen dat wat zij doen oninteressant en onbelangrijk is.)

Dat had ik hem wel willen vragen. Omdat Chomsky een onmenselijk druk programma heeft, bleek hij aan het einde van zijn lezing niet eens tijd te hebben om nog vragen te beantwoorden: hij moest alweer ergens anders een zaal toespreken – zijn merkwaardige, provocerende gedachten voor weer een ander publiek in een hoorbare vorm gieten.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags , , . Bookmark de permalink.

8 reacties op Noam Chomsky vindt wat ik doe onzin

  1. Dennis O. schreef:

    Hope it's OK if I respond in English; I'm not sufficiently confident about my Dutch.

    I didn't attend Chomsky's talk, but from what you report I fail to see that he labeled phonlogy "oninteressant en onbelangrijk" — what exactly did he say that makes you think this is his opinion? I'm quite sure that it's not what he meant to say at all, and that instead you're conflating two issues: what's interesting as an object of inquiry (= what you took him to be talking about) and what the internal-language system looks like (= what, I strongly suspect, he was actually talking about). It's true that he likes to label the externalization component/PF-mapping/phonology (including linearization) "ancillary" — but that's a claim about the architecture of the system, not a claim about what is and what isn't interesting to study. In his view (although it's more of a conjecture at this point, as I'm sure he'd agree), there's a uniform, efficient and straightforward computation mapping a bunch of lexical items onto an interpretable representation, but externalization is more complex and variable, adding all kinds of extraneous information to the generated object, and in this sense "added on." Unless Chomsky's talk in Istanbul was very different from what he's been saying elsewhere over the past couple of years, he does not intend this to mean that studying externalization isn't interesting or important — in fact, what he's suggesting is that this is where most of the interesting stuff is!

  2. I am not sure, Dennis. Maybe he did not say that it was uninteresting (a video of the talk will soon be put online) but he defined it in a way that made it sound uninteresting, viz. as something which can vary almost indefinitely, and us, phonologists, as studying that infinite variation. I guess one can say that such things are also very interesting, but it is not what brought me, or many other people to linguistics: that is discovering universal patterns, and also learning something about the uniquely cognitive capacities of human beings; and Chomsky seemed to be saying that they are not there to be found.

    Not that this matters much of course; I think that he is just mistaken about this, if this is indeed what he thinks. He does not seem to have paid a lot of thought to phonology in any case. His only real example was the contrast between compensation and condensation (with reduction of the /e/ vowel in the former case, but not in the latter). As you know, this was a key example for cyclicity in the Sound Pattern, but there is also a lot of literature questioning the generalisations made then. I am not sure that Chomsky is aware of these developments.

    Again, none of that matters – I just thought it was curious enough to note it here.

  3. Norval Smith schreef:

    I've always pronounced both "compensation" and "condensation" with schwas in their second syllables.

  4. Dennis O. schreef:

    Thanks for your reply, Marc. I'm not sure either — I wasn't there, after all. I am convinced, though, that NC would agree that there are universals in phonology (and conversely, that variation is finite); I'd be *extremely* surprised had it really been his intention to deny this! And for this reason I doubt very much that the headline of your article is valid as it stands. Looking forward to seeing the video of the talk.

  5. I actually wrote a mail to Chomsky yesterday, asking for clarification on some of these issues. If he writes back, I will report. I am willing to accept that he was being a bit provocative; so was the title of this post!

  6. Norval, I think that has never been the point. I do not have SPE here, but as far as I remember they make it quite clear that this is about 'a dialect of (American) English', presumably Chomsky's own dialect.

  7. Dennis O. schreef:

    Marc — let us know about Noam's reaction; I'm curious.

  8. Hi Dennis, Here it is:

    Sorry there was no time for discussion. I would have been happy to have this question raised. If I gave the impression you describe, it was certainly not my intention, and it must be my fault.

    I only mentioned a few phonological issues, all involving the crucial importance of generative phonology, namely the compensation-condensation contrasts (vowel reduction, secondary stress, consonant cluster) and cases where underlying phonological representation is almost completely lost in phonetic output. In all these cases, as I mentioned (but apparently much too briefly), ordered generative rules (in one case also cyclic application) are necessary to account for the facts. With regard to stress, well beyond what you mention, I think that cyclicity (whether in the form of SPE and earlier work of mine and Halle’s, or as restated in metrical or other terms) is a deep universal property of phonology, doubtless of great interest for cognitive science. I thought that 60 years ago, and still do.

    I don’t have any doubt that generative phonology is a core part of language, something I’ve believed since my first work on generative phonology as an undergraduate (published many years later as “morphophonemics of Modern Hebrew”). There’s also no doubt in my mind that the topic can be studied scientifically (and indeed has been) and that important general principles apply to externalization.

    But that’s all independent of the question I was discussing: how externalization to the sensorimotor system fits into the general architecture of language. The facts you mention are real and glaring (about variety, etc.). But that does not entail that they are not significant for cognitive science.

    I’ve actually argued the opposite of the impression you gathered. Syntax-semantics appear to be virtually or maybe even completely uniform, and sometimes unlearnable even in principle because of absence of data. In contrast, phonology (externalization to the sensory-motor system) poses very hard cognitive problems: basically, the problem of relating what appears to be a virtually (or maybe even completely) invariant system based on very general computational principles, which emerged pretty suddenly maybe 100,000 years ago or less, to a sensorimotor system of far earlier origin, in some crucial respects even before separation from other primates. Hence the principles that guide this process and that underlie ease of acquisition are of unusual concern to cognitive science. It’s highly unfortunate, in my view, that cognitive scientists generally don’t understand this.

    Sorry that I gave such a misleading impression, virtually the opposite of what I’ve always believed, and still do.

    Noam Chomsky

Reacties zijn gesloten.