Laat schrijvers meesters zijn

Wat een moeite moet Christiaan Weijts hebben gehad met het essay over literaire tijdschriften dat hij voor het Nederlandse letterenfonds schreef. Het fonds publiceerde het gisteren op zijn website, waarschijnlijk om het feit op te luisteren dat vier literaire tijdschriften ieder 25.000 euro kregen. (Alsof dat een echt geldbedrag is. Alsof het niet tot wanhoop moet stemmen voor die redacties, dat er zoveel ophef wordt gemaakt over zo’n fooi, waar je nog niet eens een app voor kunt laten ontwerpen, laat staan vullen.)

Affijn. In zijn essay probeert Weijts argumenten te geven voor het grote belang van literaire tijdschriften, maar hij komt er niet echt uit.
Zo moet hij toegeven dat hij zelf niet in zo’n tijdschrift gedebuteerd heeft (maar in plaats daarvan in de Leidse universiteitskrant Mare). En dat er inmiddels allerlei alternatieve manieren zijn waarop een jonge schrijver de literaire wereld binnen kan komen (‘literaire agenten, verhalenwedstrijden en […] een wijdvertakt baantjes- en borrelcircuit‘). Maar ondertusssen, hoor je hem koortsachtig denken, moet hij natuurlijk het literaire tijdschrift toch verdedigen; nog niet eens omdat het letterenfonds dat wil – ik neem aan dat ze hem vrij gelaten hebben – maar omdat het natuurlijk onaardig is om te zeggen dat het afgelopen is.

Maar eigenlijk, lees ik in dat essay, is het dat. Het is afgelopen. Daar helpt geen 25.000 euro meer aan. Een jonge student Nederlands gaat niet meer naar de afdeling tijdschriften van de UB om in de literaire tijdschriften te kijken.

Leeftijdsgenoten

Hoe jammer is dat? Als ik het goed zie, vindt Weijts uiteindelijk twee argumenten voor de tijdschriften: ze schiften (‘Het is niet populair om te zeggen, maar in een wildgroei van online geschrijf, getwitter en doe-het-zelf-gepubliceer zijn er autoriteiten nodig om potentie van pulp te scheiden’) en ze brengen het jonge talent in contact met meer ervaren vakbroeders (‘het leerling-gezel-meestermodel dat op die manier toch ook voor de letteren vorm krijgt’).

Maar voor dat alles is geen literair tijdschrift nodig. Wat nodig is, is dat schrijvers gaan ontdekken hoe prettig het is, hoe inspirerend en leuk het is om een aantal ‘gezellen’ te hebben: dat het inspirerend is om niet alleen maar in de kroeg te hangen met je leeftijdsgenoten, maar om een paar door jouzelf geselecteerde jongeren op te leiden.

Stiekem geeft Weijts volgens mij een suggestie hoe het beter kan dan via het stimuleren van schrijvers. Een paar goede schrijvers, stimulerende schrijvers, zouden gestimuleerd moeten worden zo’n online werkplaats te openen – een website waarop ze zelf publiceren en wat jonge mensen die zij zelf hebben uitgekozen? En die zij van advies dienen en verder helpen?

Weijts is vorig jaar een tijdje writer in residence geweest op het NIAS, een onderdeel van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen. Wanneer schrijvers zich als meesters gaan opstellen zouden ze misschien sowieso een plekje kunnen krijgen aan de academie? Zou het geld dat nu in tijdschriften wordt gestopt – en liefst wat meer – niet beter in een paar meesters gestoken kunnen worden?

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in letterkunde met de tags , , . Bookmark de permalink.

7 reacties op Laat schrijvers meesters zijn

  1. Martijn Benders schreef:

    Het pleit bepaald niet voor dat Letterenfonds dat je er nooit eens een tegendraadse mening hoort, maar altijd en immer de partijlijn. Dan kun je zo'n instituut toch meteen als literaire entiteit al niet meer serieus nemen. Weijts kreeg geld om de partijlijn te verwoorden, en deed dat braaf.

  2. Boekenliefhebber schreef:

    Laat schrijvers het goede voorbeeld geven in en met hun boeken, dat volstaat. (Kan je meteen ook iets leren van schrijvers die al lang onder de zoden liggen). En zou het niet kunnen dat er meer schrijver-meesters op zoek zijn naar 'apigonen' dan omgekeerd? 😉 Een literaire rups ontpopt pas als hij zich onttrekt aan de schaduw van een 'meester'!

  3. Nee, dat geloof ik niet dat dit volstaat. Volgens mij kun je de meeste dingen alleen leren door interactie met een leraar, die kritiek geeft. Je leert ook niet goed viool spelen door naar platen van meesters te luisteren.

    U hebt volgens mij een wel erg romantisch beeld van het kunstenaarschap. Het zal vast zo zijn dat vadermoord af en toe nodig is, maar dan moet er nog wel een vader zijn. En hoe dan ook: wanneer u gelijk hebt, zijn literaire tijdschriften natuurlijk in ieder geval niet nodig!

  4. Boekenliefhebber schreef:

    Hoe meer ateliers, labo's en interactie, hoe beter. Maar de stiekeme suggestie die u ontwaart in het essay (liever gezegd: de ode) van Weijts heeft toch ook nood aan een soort voorgeborchte (ach, mijn 'romantische' taalgebruik kan beter!) waar de schrijver dan zijn poulains uitkiest? En dat blijkt dan het papieren of digitale tijdschrift, waar iemand anders (die vele minder bekende redacteurs) al een selectie heeft gemaakt. Ben eigenlijk wel benieuwd of zo'n gevestigde schrijver uw originele idee van zo'n open workshop ziet zitten? Daar zal ook wel een subsidie tegenover moeten staan waarschijnlijk? Al zou het wel mooi en leerrijk zijn, zo'n wijsheid/ervaring/feedback op een publiek podium!

  5. Martijn Benders schreef:

    Die neiging terug te grijpen naar de middeleeuwen lijkt me juist vrij eigentijds, dat heeft Oostendorff goed opgepikt. Een leuke kelder laten aanleggen onder de Letterensoos is dan de volgende stap. Na het uitbannen van elke polemiekvorm en het heilig verklaren van de partijlijn is dat een logische volgende stap. Kwaliteit is ouderwets, kwam gister al Soosmadam Floris Lieshout in de Volkskrant uitleggen. Meer hierover:
    http://www.loewak.nl/uitgeverij/de-sociale-dienst-voor-schrijvers/

  6. Inderdaad, het probleem van de voorselectie is nog niet opgelost, maar ik zou weleens cijfers willen zien van in hoeverre dat op dit moment door de literaire tijdschriften opgelost is. Zoals gezegd, Weijts werd bekend door zijn werk voor Mare, dat hijzelf eigenaardig genoeg een 'studentenblad' noemt (het is toch vooral een journalistiek orgaan voor de Leidse academische gemeenschap, althans, in mijn ogen).

    En inderdaad zullen die gevestigde schrijvers vast geld willen; dat suggereer ik ook in mijn stuk. Wanneer we nu eens zouden beginnen om vier schrijvers ieder 25.000 euro (per jaar) te geven. Zij kunnen dan allemaal een of twee jonge collega's begeleiden – hoeveel schrijvers hebben we eigenlijk nodig?

  7. Boekenliefhebber schreef:

    En wie selecteert de schrijvers? Ja, de discussie lijkt weinig animo teweeg te brengen, maar wie weet krijgt het ooit ergens een vervolg!

Reacties zijn gesloten.