Al lezende in Ogier van Denemerken – 15

Al lezende in Ogier van Denemerken – 15 : De vogeltjes in mei

Amand Berteloot

In Al lezende 6 hebben we gezien hoe Gautier op een aangename plaats bij een rots in een bos aankwam, waar hij even kon ontspannen van de vermoeienissen van de voorgaande uren. Op een even aangename plaats, een boomgaard aan de oever van een rivier, belandden ook Ogier en Reynier nadat ze uit Parijs waren ontsnapt (zie Al lezende 4). Een derde locatie van dezelfde soort wordt door Ogier bereikt, als hij met het leger der Sarracenen tegen Karel optrekt. Voordat het tot een confrontatie tussen beide strijdkrachten komt, beveelt Ogier zijn leger het kamp op te slaan aan de oevers van de Leie:

Tenten ende pauwelione
Dett er slahen bysijts der Ley.
Es was in dem ingange des meyen,
Das krut und blumen staen
In den grunen grase bevaen,
Und das ein iglich vogel sang nach siner nature
By dem jare gein einre ure.
Enist so süße sin dar ut
Als es in dem meyen ist, wan das krut
Im vollen steet als es da det.
Der süße geruch von der stet
Bekam in das hertz wol Ogiern.  (9745-9756)

De eerste zes verzen van dit citaat leveren geen enkel probleem op. Maar dan beginnen de moeilijkheden. “By dem jare gein einre ure” zou omgezet kunnen worden tot ‘biden jare gheen ene (eenre?) ure’, maar dat zou betekenen dat in mei iedere vogel volgens zijn inborst niet één enkel uur zingt, waarbij we voorlopig open laten wat “by dem jare”/“bi den jare” zou kunnen betekenen. Ook een poging tot letterlijke reconstructie van de verzen 9752 tot 9754 levert geen zin op: “En eist so soete sin daer uut / alset inden meye es, als dat cruut / in vollen staet, alset doe dede.” Omdat HiWe de lezer op geen enkele manier ter hulp komt, zullen we het probleem zelf moeten oplossen.

We hebben net geconstateerd dat de moeilijkheden met vers 9751 beginnen. De eerste zes regels zijn volkomen duidelijk en maken ook de indruk een afgerond geheel te zijn. In het Mnl. zou daar gestaan kunnen hebben:

Tenten ende pawelioene
dede hi slaen besiden der Leye.
Het was inden inganghe van meye,
dat cruut ende bloemen staen
inden groenen grase bevaen
ende dat een ieghelijc voghel sanc na sijnre naturen. (9745-9750)

Een punt na ‘ein iglich vogel sang nach siner nature’ zou in ieder geval volkomen logisch zijn. Doen we er hier dus net zoals in het fragment in Al lezende 4 goed aan ook de interpunctie uit de editie Weddige over boord te gooien? Dat levert, beginnend met vers 9751, in ieder geval een nieuwe syntactische eenheid op, die – wat deze regels ook mogen betekenen – intern op een zinvolle manier georganiseerd is:

By dem jare gein einre ure
Enist so süße sin dar ut
Als es in dem meyen ist, wan das krut
Im vollen steet als es da det. (9751-9754)

Wat ‘by dem jare’ in vers 9751 betekent, is niet moeilijk te achterhalen. We kunnen terugverwijzen naar Al lezende 8, waar we in vers 2416 Mhd. “zu Rome […] bi der muren” als Mnl. “te Rome […] bin den mure” hebben hertaald. Het Mnl. voorzetsel ‘bin’ resp. ‘binnen’, dat geen vergelijkbaar equivalent heeft in het Mhd., heeft LuFl blijkbaar vrij consequent met ‘bi’ resp. ‘by’ weergegeven. In vers 7286 correspondeert “bi dryen tagen” in het Mnl. met “bin drien daghen.” In vers 8005 moet men “bi disem wald” in het Mnl. met ‘bin desen woude’ weergeven. En in vers 8020 correspondeert “bi diser zijt” met Mnl. “bin deser tijt.”. Belangrijk is in dit verband ook de passage in de tweede proloog van OvD, waarin de opdrachtgeefster over de auteur zegt: “Wann er verhohet bi dem jare / So manigen man mit sinem gedieht” (4196-4197). Hier steekt een mooie Mnl zegswijze achter. “Want hi verhoghet binnen sinen jaren / so meneghen man met sinen ghedichte” betekent dat hij, de auteur, zelfs als minderjarige al in staat is om het publiek met zijn voordrachtskunst te onderhouden. “By dem jare” in vers 9751 betekent dus met grote waarschijnlijkheid “bin(nen) den jare”.

Omdat in de eerste vergelijkende zin “Als es in dem meyen ist” het subject ‘es’ naar een onzijdig woord verwijst, kan “gein einre ure” in de hoofdzin niet de functie van onderwerp vervullen. Onnodig te vermelden dat het binnen deze woordgroep morfosyntaxtsch weer treurig gesteld is. Omdat ‘ure’ een vrouwelijk woord is, correspondeert het niet met de uitgang van ‘gein’, terwijl ‘einre’ op zijn beurt wel een vrouwelijke uitgang heeft, maar een datief of een genitief suggereert, waarvan de functie compleet ondoorzichtig is. Maar als deze woordgroep sowieso geen onderwerp in de zin kan zijn, wat komt er dan wel als onderwerp in aanmerking en welke syntactische functie zou ‘gein einre ure’ dan kunnen hebben?

Op zoek naar het onderwerp moeten we regel 9752 analyseren. Hij begint met het negatiepartikel ‘en’ gevolgd door het koppelwerkwoord ‘ist’ en het naamwoordelijk gezegde ‘so süße’. Omdat de zin met een bepaling van tijd (‘by dem jare”) en een voorlopig nog ongeïdentificeerd ander zinsdeel (“gein einre ure”) begint, vertoont de constructie inversie. Met andere woorden op één van de zinsplaatsen ná het naamwoordelijk gezegde moet het subject volgen. Omdat we daar ‘sin dar ut’ lezen, wat op het eerste gezicht geen naamwoordgroep en dus ook geen subject kan zijn, moeten we ervan uitgaan dat daar iets mis is gegaan.

Twee dingen zijn duidelijk: In de woordgroep ‘sin dar ut’ moet ergens het subject verstopt zitten, én het moet een onzijdig substantief zijn. Bovendien hebben we sterk de indruk dat ‘dar’ in het midden van de woordgroep het Mnl. ‘daer’ zou kunnen zijn. Als bijwoord moet dit echter nog vóór het subject in de zin staan. Als we dit ‘daer’ naar voren verschuiven, levert dat ‘dar sin ut’ op. Nu begint ook ‘sin’ een zin te krijgen, want het schijnt een bepalend woord te zijn bij het volgende ‘ut’. Uiteraard denken we daarbij onmiddellijk aan het possessief pronomen ‘zijn’. Dat ‘sin’ en ‘dar’ van plaats verwisseld zijn kan aan de legger van LuFl gelegen hebben. Het zou best kunnen dat daarin de goede volgorde door middel van verwijzingstekens was hersteld, die door LuFl evenwel over het hoofd gezien werden.

De puzzle begint langzaam structuur te krijgen: “By dem jare gein einre ure / en ist so süße dar sin ut / als es in dem meye ist.” Dat is syntactisch volkomen aanvaardbaar, als we voor ‘ut’ maar een passende verklaring vinden. Daar komen we achter als we ons de vraag stellen op wie het possessivum ‘sin’ zou kunnen terugslaan. Binnen de verzen 9745-9750 komt daarvoor alleen “ein iglich vogel” in aanmerking. En omdat het in vers 9750 om het gezang van die vogel gaat, kan ‘ut’ eigenlijk alleen maar Mnl. ‘luut’ zijn, waarvan het MNW zegt dat het zowel mannelijk als onzijdig kan zijn. Waarom LuFl de ‘l’ van ‘luut’ heeft verdonkeremaand, weten we niet. Maar als men de zin op deze manier reconstrueert, dan wordt ook de functie van ‘gein einre ure’ als bepaling van duur volkomen duidelijk. Men vraagt zich alleen af waarom LuFl daar een genitief- of datiefuitgang in gesmokkeld heeft: Geen vogel zingt tijdens de rest van het jaar ooit weer zo mooi als in mei. De hertaling luidt dus:

Bin den jare gheen eene ure
en es so soete daer sijn luut
alst in den meye es, …  (9751-9753)

We zijn al een heel stuk opgeschoten, maar wat betekent de tweede bijzin “wan das krut / Im vollen steet”? Het MNW kent geen uitdrukking ‘in vollen staen’, maar het is wel meer dan waarschijnlijk dat er bedoeld wordt dat de kruiden in mei in bloei staan. Daar kent het Mnl. de uitdrukking ‘ghebloeyt staen’ voor. Omdat het Mhd. geen voor de hand liggend equivalent van ‘ghebloeyt’ heeft, is LuFl waarschijnlijk op zoek gegaan naar een plausibel alternatief. Mhd. ‘volle’ correspondeert met het moderne Dt. ‘Fülle’ (Lexer III 446 – 447). Misschien heeft hij dus iets gedacht als: “wanneer de kruiden in overvloed ter beschikking staan.” De reconstructie van het hele citaat ziet er dus als volgt uit:

Tenten ende pawelioene
dede hi slaen besiden der Leye.
Het was inden inganghe van meye,
dat cruut ende bloemen staen
inden groenen grase bevaen
ende dat een ieghelijc voghel sanc na sijnre naturen.
Bin den jare gheen eene ure
en es so soete daer sijn luut
alst in den meye es, alse dat cruut
scone ghebloeyet staet, alset doe dede.
Die soete roke vander stede
bequam int herte wel Ogiere.  (9745-9756)

Natuurlijk weten we niet of dat inderdaad in de Nederlandse legger van LuFl gestaan heeft. Maar het maakt zin en het past in de context. Waarom LuFl zo drastisch en zinstorend in de tekst heeft ingegrepen, weten we niet. Soms krijgt men de indruk dat hij zijn taak niet aan kon en er regelmatig met de pet heeft naar gegooid of zelfs bewust onzin heeft geschreven. Dat kon hij eigenlijk alleen doen als hij zeker wist, dat niemand ooit zijn tekst zou lezen en daar achter komen. Was het manuscript alleen bedoeld om de boekenkast van zijn opdrachtgever of -geefster te stofferen? HiWe van zijn kant moet dit gezien hebben, maar hij heeft er de voorkeur aan gegeven er geen commentaar bij te leveren. Laten we maar niet hopen dat ook hij de wens koesterde dat niemand zijn boek ooit zou lezen!

Brock, januari 2013

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.