Al lezende in Ogier van Denemerken – 13

Al lezende in Ogier van Denemerken – 13 :  “Want si sijn valsc uwe gode.”

Amand Berteloot

Ons titelcitaat, vers 4051 van OvD, demonstreert het merkwaardige beeld dat de Middeleeuwers in West-Europa hadden van wat ze ‘Mametrie’ (verzen 9076, 9498, 14064) noemden, de godsdienst van de Saracenen. Die wordt voorgesteld als een polytheïstische religie, waarin verscheidene goden werden vereerd, die uit christelijk perspectief vanzelfsprekend als heidense afgoden werden beschouwd. Men komt ze in de tekst om de haverklap tegen. Mamet, vermoedelijk identiek met Mahoen, Tervogant en Apolijn worden het vaakst genoemd. In de verzen 9337 – 9341 worden er zes in een keer opgesomd:

Machmet und Apollin,
Tervogant und Jupetine,
Baldewijn und Verlegaen
Boden sie, daz er zu entgaen
Irem herren gebe maht. (9337-9341)

Dat een heidense god ‘Baldewijn’ – in het Middelnederlands ‘Boudewijn’ of ‘Boudijn’ – zou heten is nogal onwaarschijnlijk, vooral omdat Ogier zijn beide zonen deze naam geeft. Het zal vermoedelijk weer een van de verbasteringen zijn die we aan LuFl te danken hebben, die zoals we in de vorige bijdragen al herhaalde malen hebben gezien, namen en woorden bij hun eerste optreden graag verkeerd leest en verknoeit. Het REMLT vermoedt terecht dat het gaat om een “verbastering van een Saraceense (goden)naam die met ‘Bal’ begint”. Het verwondert dan ook niet dat ook de naam van ‘Jupetijn’ bij zijn eerste optreden in vers 4067 door LuFl als ‘vipetine’ geschreven werd. Ook ‘Verlegaen’ is er niet beter aan toe. Het REMLT suggereert m.i. terecht dat er een samenhang zou kunnen zijn met de bekende duivelsnaam ‘Barlebaen’. Afbeeldingen in middeleeuwse handschriften en de beschrijving van afgoden zoals b.v. die van een Indische afgod in de Legenda aurea (Gulden Legende, p. 254-255) laten zien dat er tussen afgoden en duivels nauwelijks onderscheiden werd. Tervogant oftewel Tervogan of Tervogaen, Apollijn en Mahoen (telkens voor het eerst genoemd in de verzen 1518, 2431 en 2754) komen er daarentegen zonder kleerscheuren van af, maar is dat ook het geval met Mamet, de belangrijkste en de meest genoemde van de zes? Die duikt in het Heidelbergse handschrift voor het eerst op in vers 1509, waar Davimont, de zoon van sultan Cursabel, verslag doet over de toestand van het leger van de christenen:

Er rieff: “zu den wopenern uberal!
Hie Mamette, der uns domen sal,
Ich han ubersehen das cristen her;
Soe soelen diser van onsen spere
In ire libe gevallen schon. […]” (1508-1512)

In het Mnl. luidt dit citaat, waarvan we in Al Lezende 5 al enkele regels hebben leren kennen:

Hi riep: “Te wapinen overal!
Bi Mamette, die ons doemen sal,
ic hebbe ghesien dat kerstijn heere. Si sullen diser van onsen speeren
in haren live ghevoelen saen. […]” (1508-1512)

Het is, bij de intussen bekende kopieerpraktijk van LuFl, de vraag of Mamet niet al eerder in de tekst voorkwam, maar door een ingreep van de kopiist onherkenbaar geworden is. Hoe dan ook, ik kan het gevoel niet van me afzetten, dat er met de verzen 206-207 iets niet in orde is. We zitten midden in het verslag dat de boden aan Karel doen over de verovering van Rome door de Saracenen. Na het bericht over de onderwerping en ontvolking van Toscane en de val van Sicilië volgt een beschrijving van de toestand in de Heilige Stad zelf:

Ich wene, das nyeman wart geborn
Der ie so großen jamer sah,
Als da gefiel uf den tag.
In Rome ist maniger verhieben
Und Sant Peter und Paulus sint verdrieben.
In den munstern, in den kerken
Hant sie nu tun wercken
Stelle, dar ire pferde inne stan;
Dis ist uns zu schmacheit getan. (Verzen 203-211)

Vers 206 zouden we in het Mnl. als “in Rome es die meneghe verheven” kunnen vertalen, waarbij “die meneghe” zoveel betekent als “menigeen” en “verheven” zoveel als “bevorderd, tot hoger aanzien gebracht”. Onmiddellijk daarbij aansluitend wordt in een gelijkwaardige nevengeschikte zin echter meegedeeld dat de apostelen Petrus en Paulus, twee van de belangrijkste heiligen van de christenheid, verdreven werden, wat moeilijk anders te interpreteren is dan dat de reliquien van beide heiligen door de vluchtende christenen uit de stad werden meegenomen. In de volgende zin wordt de profanering van de kerken gethematiseerd. “Maniger” in vers 206 is verdacht omdat men daar een tegengewicht tegenover de apostelvorsten Petrus en Paulus verwacht. Terwijl deze verdreven werden, werd een ander verheven. En wie zou dat anders kunnen zijn dan Mamet? Ik vermoed daarom sterk dat “maniger” een verbastering is van “Mamet”: de letters “ma-“ aan het begin en “-er” (waarbij ‘r’ en ‘t’ graag verwisseld worden) aan het einde hebben beide woorden gemeenschappelijk, en in het midden staat een ‘m’, die zonder meer als ‘ni’ gelezen kan worden. Dan missen we alleen nog een hiaatvuller tussen “mani-“ en “-er/t”, waarvoor een ‘g’ uitstekend geschikt is. Veel logischer dan de letterlijke vertaling van vers 206 boven lijkt het als we dit fragment als volgt interpreteren:

Ic wane, dat niemen wart gheboren,
die ie so groten jamer sach,
alse daer gheviel up dien dach.
In Rome es Mamet verheven
ende sinte Peter ende Pauwels sijn verdreven.
In den monstren ende in den kerken
hebben si doen werken
stalle, daer haer perde inne staen.
Dats ons te lachtere ghedaen. (203-211)

In vers 1509 in het citaat hierboven hebben we ook gezien dat de Saraceense goden op dezelfde manier beoordeeld en aangesproken worden als de God van de christenen. Daar is sprake van “Mamet die ons doemen sal”, wat ook een eigenschap is van de bijbelse God. Op dezelfde manier vindt men een reeks andere vaste uitdrukkingen die even goed op de andere religie betrekking kunnen hebben. Vanuit die kennis kunnen we een aantal twijfelachtige plaatsen in LuFl’s tekst vij makkelijk herstellen.

In de verzen 3502-3205 vindt men een dergelijke frase:

Karahen sprach so er erst mochte:
“Machmet der nu gebrahte,
Behute den Denoys Ogier
Und Glorianden, die maget fier.” (3502-3505)

HiWe heeft daarbij terecht “nu” door “mi” vervangen, maar de gebruikelijke formule bevat in het Mnl. niet het werkwoord ‘ghebringen’ maar wel ‘ghewerken’ met de betekenis “scheppen, in het leven roepen”:

Karahen sprac alse hi eerst mochte:
“Mamet, die mi ghewrochte,
behoede den Danoys Ogier
ende Gloriande, die maghet fier.” (3502-3505)

Helemaal parallel daarmee, maar op de bijbelse God gemunt, is vers 1057: “Da schwur ich by gott der myn geworcht” (Mnl. „Doe swoer ic bi Gode die mi ghewrochte“). In tegenstelling tot “gebrahte” heeft HiWe “gheworcht” onder het lemma ‘wircken’ wel in zijn glossarium opgenomen, maar zonder de specifieke betekenis die het woord in deze context heeft.

Een soortgelijke maar op het eerste gezicht raadselachtige formule vinden we in vers 2990: “Bi Mamet, der nu gekort”. HiWe heeft hier niets aan geëmendeerd en via een verwijzend lemma ‘gekorten’ belandt men in zijn glossarium bij ‘korten’. Dit wordt van Mnl. ‘corten’ afgeleid en vertaald als “entscheiden”. Omdat het in hetzelfde artikel genoemde Mhd. ‘kürzen’ de betekenis “kurz machen, kürzen, abkürzen, verkürzen” heeft (Lexer I, 1798) en dus geen enkele aanleiding geeft tot de interpretatie “beslissen”, vraagt men zich af hoe HiWe daar bij komt. Het antwoord ligt in het MNW, want het transitieve werkwoord ‘corten’ betekent in verband met het object ‘strijd’ wel degelijk “beslissen, beslechten” (betekenis 1b). Het probleem is alleen dat er in de betreffende tekstpassage in OvD van strijd geen sprake is en dat het woord ‘corten’ in die zin helemaal geen object bij zich heeft. Daarom komt op deze plaats alleen het onovergankelijke ‘corten’ in aanmerking, dat volgens het MNW “korter worden” of “verminderen, afnemen, kleiner worden” betekent. De oplossing van dit raadsel ligt voor de hand als men in aanmerking neemt dat “gekort” op “Charloet” blijkt te rijmen. Dan is het duidelijk dat vers 2990 niets anders kan zijn dan de door LuFl verbasterde uitdrukking “bi Mamet die mi gheboot”, die men b.v. in vers 1709 in haar intacte vorm tegenkomt: “by Machmet der uns gebot”.

LuFl kan het zijn lezers werkelijk moeilijk maken. Soms komt men er alleen achter, wat hij bedoeld zou kunnen hebben, als men goed vertrouwd is met het Mnl. epische taalgebruik. Zo’n voorbeeld bevatten de verzen 2754-2758. Charloot heeft zich zelf in plaats van Ogier aangeboden om met Karahen te duelleren, en deze heeft er duidelijk moeite mee dit aanbod op een vriendelijke manier van de hand te wijzen:

Karahen sprach: “helffent Mahoen,
Cherloet, ir sint kune von libe,
Me ich in ontsage nit selke vive
Also ir eins sint in einen kampf.
Ob das nu Mamet hette von ramp, […]. (2754-2758)

Het laatste vers wordt door HiWe in de voetnoot vertaald als: “Selbst wenn das für die Sache Mohammeds schlecht ausgehen sollte […]”. Ik ben er niet in geslaagd te achterhalen hoe HiWe bij deze interpretatie komt. Misschien leidt hij “hette” af van ‘haen’ (‘hebben’) en denkt hij aan “zelfs als Mamet ramp zou hebben”, waarbij dan de functie van ‘von’ volkomen in het duister blijft. Er lijkt me geen enkele twijfel over te bestaan dat hier een heilswens uitgesproken wordt en dat “hette” met Mnl. ‘hoeden’ (‘beschermen’) te maken moet hebben. Daarom luidt de hertaling:

Karahen sprac: ”Helpe Mahoen!
Charloot, ghi sijt coene van live,
mer ic en ontsaghe niet sulker vive
alse ghi een sijt in enen campe.
Dat u Mamet hoede van rampe.” (2754-2758)

Op het eerste gezicht is ook vers 2036 raadselachtig. Gautier heeft niet minder dan vijftien dodelijke wonden opgelopen en wenst na al wat Karel en zijn pairs hem hebben aangedaan alleen nog maar de heldendood te sterven in de strijd tegen de Saracenen. Zonder helm mengt hij zich in de strijd en ontmoet de Sarraceense koning Buteram, die hem zijn respect voor zijn dapperheid betuigt en hem de raad geeft, zich terug te trekken en zijn wonden te laten verzorgen. De ‘orgelioese’ Gautier maakt zich daarover erg kwaad en zegt dat hij Buteram liever dood wil slaan dan de aftocht te blazen. Daarop volgt als reactie van Buteram:

“Dieß vert Mamett”, sprach der payien,
“Ich meyne, din dot sal hie geschehen
Und du solt sterben uf dirre vart.” (2036-2038)

In de voetnoot vertaalt HiWe het eerste deel van vers 2036 als “Dies kommt M[amett] zu”, wat men zou kunnen omschrijven als: “Mij doden is iets wat alleen Mamet betaamt, waar alleen Mamet recht toe heeft”. Wie zich afvraagt hoe deze vreemde interpretatie tot stand komt, belandt weer bij WeGl achteraan in het boek. Daar blijkt HiWe “vert” als een vorm van Mnl. ‘varen’ opgevat te hebben, wat met het oog op het Dt. “fährt” niet onbegrijpelijk is. “Dieß vert” zou dan volgens HiWe een vertaling zijn van Mnl. “het vaert”, wat hij vertaalt als “dies gebührt, dies kommt zu”. Deze interpretatie ligt helemaal niet voor de hand en men moet er het MNW bij halen om te begrijpen hoe HiWe daarop gekomen is. Onder rubriek C van het MNW-artikel ‘varen’ wordt het onpersoonlijke ‘varen’ vermeld, dat men aantreft in uitdrukkingen als “hoe soot vaert” (“hoe het ook moge gaan, wat er ook moge gebeuren”). “Het vaert” betekent volgens het woordenboek “Het gaet, het gebeurt”. Deze gebruikswijze van “het vaert” past op geen enkele manier bij vers 2036 omdat de functie van ‘Mamett’ dan compleet in de lucht hangt. Niettemin ligt precies hier de oorzaak van HiWe’s misslag. Het is Verdams betekenisomschrijving “het gebeurt” die HiWe de interpretatie “dies gebührt” heeft ingefluisterd. De uitgever van onze tekst blijkt niet minder vatbaar te zijn voor interferenties dan de middeleeuwse kopiist! En bij “dies gebührt” past ook nog heel goed een datiefobject. Jammer genoeg verliest HiWe volkomen uit het oog dat ‘Mamett’ fomeel geen datief maar een nominatief is en daarvoor dus helemaal niet in aanmerking komt. Het raadsel is snel opgelost als men “Mamett” als onderwerp beschouwt en “vert” afleidt van Mnl. ‘verren’ of ‘weren’, die beide de betekenis “op afstand houden, verhinderen, beletten” gemeenschappelijk hebben: “dat (nl. dat ik door u doodgeslagen word) moge Mamet verhinderen”.Vreemd is alleen dat dit in het Mnl. een conjunctief vereist, terwijl LuFl duidelijk een indicatief schrijft. We zullen er niet meer achter komen, wat hij bedoeld heeft, maar zeker is dat “dat verre Mamet” of “dat were Mamet” het enige zinvolle antwoord van Buteram op de aanmatigende woorden van Gautier kan zijn. Een denkbare hertaling is dus:

“Dat verre Mamet,” sprac die payien.
“Ic meene, dijn doot sal hier ghescien
ende du suls sterven up dese vaert.” (2036-2038)

Niet alleen als het om interferenties gaat schijnt HiWe op dezelfde manier te reageren zoals LuFl. We hebben al verscheidene keren vastgesteld dat LuFl een woord bij zijn eerste optreden niet herkent, maar het later toch correct interpreteert. In vers 7399 schrijft LuFl “Also ferre mich got von leid”, wat door WeNo in weerwil van vers 2036 correct wordt weergegeven met “Solches Leid […] halte Gott von mir fern.”

LuFl interpreteren is vaak moeilijk, maar men moet toch eerst goed lezen voor men in zijn tekst ingrijpt. Het rijm is daarbij, zoals we hierboven bij “gekort” hebben gezien, een goed richtsnoer. We besluiten dit stukje daarom met een laatste voorbeeld, waarin de Saraceense goden weer de hoofdrol spelen.

Nadat de Saracenen Rome hals over kop onder achterlating van al hun bezittingen verlaten hebben (zie Al lezende 8), valt deze buit in handen van de christenen. Karel neemt de beslissing om alles over te dragen aan sultan Karahen, aan wie hij een belangrijk deel van de overwinning te danken heeft. Karahen bedankt voor het aanbod:

Er sprach: “herre, ich han es nit zutun,
Laßent es teilen uwern rittern koen,
Me gebent mir Machmet und Apollin,
Tervogant und Vipetine,
Des bitt ich uch hart sere,
Wann ich begere nit mere
Von dem andern gut niet.” (4064-4070)

Met de eerder besproken emendatie van “Vipetine” tot “Jupetine” wordt daaruit in het Mnl.:

Hi sprac: “Heere, ic en hebbes niet te doene.
Latet deelen uwen rudderen coene,
mer ghevet mi Mamet ende Apolijn,
Tervogant ende Jupetijn.
Dies biddic u harde seere,
want ic en begheere meere
vanden andren goede niet.” (4064-4070)

Karel is het daar onmiddellijk mee eens en laat Karahens wens vervullen. We citeren weer naar de editie-Weddige en zonder de diacritische tekens:

Da sprach Karolus, das kune diet:
“Das ich hart gern wil tun.”
Da nament sie die barren
Und trugen sie zu schiffe dar.
Sie waren sunderlichen schwer,
Wann sie waren von vijnem gold
Und von gesteyne manigfald. (4071-4077)

Bevreemdend is dat het rijmwoord in vers 4073 een emendatie is van HiWe. In het handschrift staat “baroen”, wat in tegenstelling tot “barren” op “tun” in vers 4072 rijmt. In zijn verantwoording van die ingreep verwijst WeEm naar het Franse woord ‘barre’, dat hij in het Duits als “Goldbarren” vertaalt. Het blijft compleet in het duister waarom hij er hier het Frans bij haalt. Moeten we dat zo interpreteren dat in de Franse brontekst het woord ‘barre’ stond? Of moet het simpele bestaan van het Franse woord ‘barre’ de keuze voor “barren” i.p.v. “baroen” verantwoorden? Feit is dat “baroen” rijmt op “doen” en “baer” niet. Bovendien kent het Mnl. het woord ‘baer’ of ‘bare’ in de betekenis ‘staaf’ (nog) niet. Ook in het Mhd. komt ‘bar’ of ‘bare’ of ‘baere’ getuige het Mittelhochdeutsches Wörterbuch van Matthias Lexer in deze betekenis nog niet voor. Het blijkt een jong leenwoord uit het Frans te zijn, dat volgens het Chronologisch woordenboek van Nicoline van der Sijs (blz. 881) in het Nederlands pas in 1717 voor het eerst is geregistreerd. Er is dus geen enkele reden om LuFl’s tekst hier in twijfel te trekken, zelfs niet het feit dat “baroen” als schijnbaar enkelvoud niet congrueert met de meervoudsvormen “nament” en “trugen”. Volgens de voorbeelden bij het trefwoord ‘baroen’ in het MNW en volgens A. van Loeys Middelnederlandse spraakkunst (I. Vormleer, § 12, Opm. 1) blijft een aantal vreemde woorden op ‘-oen’ “in het meervoud wel eens onveranderd”. M.a.w. “baroen” is het onderwerp in vers 4073, en met het object “sie” kan niets anders bedoeld zijn dan de beelden van Mamet en Apolijn, Tervogant en Jupetijn, die in tegenstelling tot gangbare goudbaren wel met edelstenen bezet waren. De vertaling van de geciteerde verzen luidt dus:

Doe sprac Karel, dat coene diet:
“Dat willic harde gherne doen.”
Doe namense die baroen
ende droughense ten scepe daer.
Si waren sonderleke swaer, want si waren van finen goude
ende van ghesteente menechfoude. (4071-4077)

Bibliografie

Gulden legende. De Middelnederlandse vertaling van de Legenda aurea door Petrus Naghel uitgegeven naar handschrift Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 15140 door Amand Berteloot, Geert Claassens en Willem Kuiper. Turnhout 2011.

Nicoline van der Sijs, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen. Amsterdam / Antwerpen 2001.

Brock, januari 2013

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.