Zaaddodend

In NRC Handelsbladvan zaterdag 15 december kwam ik twee keer ’t adjectief zaaddodend tegen in figuurlijke betekenis. Dat verbaasde me, want je komt dat woord in die betekenis zelden tegen, zei mijn gevoel. Dat gevoel heeft me niet bedrogen, want de Krantenbank wijst uit dat dit zaaddodend gemiddeld één keer per jaar voorkomt.
De eerste attestatie is in een artikel in De Volkskrant van 20 februari 1995. Marcel van Lieshout schrijft daar over het ‘zaaddodend proza’ dat ie in ’t blad Opzij aantreft. Ik noem hem omdat hij hoogstwaarschijnlijk de eerste is die zaaddodendzo gebruikt, want ook in de database ‘Historische Kranten’ van de Koninklijke Bibliotheek heb ik geen ouder voorbeeld  aangetroffen.
Overigens is ’t woord zaaddodendook in letterlijke zin niet zo oud. De eerste keer gaat ’t om een zaad-dodend sproeisel dat de Amerikanen inzetten om ’t plantenleven in Vietnam te vernietigen (De tijd : dagblad voor Nederland, 01-08-1968). Dat dat ontbladeringsmiddel ook voor menselijk zaad dodelijke gevolgen kon hebben, was in dat woordgebruik nog niet verdisconteerd.
Dankzij de sexuele revolutie van de jaren 60 raakte ’t woord algemeen in gebruik. Het ging toen om zaaddodende pasta’s die in combinatie met condooms de kans op zwangerschappen verminderden. In die betekenis komt ’t woord voor ’t eerst voor in een stuk van Herma Vergouwe (De tijd: dagblad voor Nederland, 01-08-1968). ’t Heeft dus bijna 30 jaar geduurd voor zaaddodend ook figuurlijk gebruikt werd.
In dat eerste citaat uit 1995 is er nog een duidelijke associatie met sexualiteit: vrouwen schrijven zaaddodend proza. Hier wordt, denk ik, nog bedoeld ‘proza dat mannen afschrikt’. In de meeste citaten in de periode erna gaat het ook om proza of om een boek of een soap-serie, maar dan is de betekenis inmiddels verruimd tot:  futloos, dor, saai: “Een soap waar jullie ook in meespelen. Inmiddels net zo zaaddodend als GTST” (Noordhollands Dagblad, 15-09-2007).

Een volgende stap is die naar andere vormen van geluid als blokfluit- en vedelspel (Volkskrant,  03-08-2001) en de muziek op het Preuvenemint  in Maastricht (Limburgs Dagblad , 08-03-2012). Even later noemt Ruud Maas zelfs de hele stad Maastricht ‘zaaddodend’ (De Limburger, 18-09-2012). Dat kan alleen maar iemand zeggen die er zelf vandaan komt.  
In de voetbaljournalistiek duikt  zaaddodend op om een wedstrijd te kwalificeren, of een speelsysteem, de ‘ruit’ bijvoorbeeld, waarbij men speelt met een aanvallende middenvelder vóór een verdedigende. In : “Een zaaddodend model, dat zich vertaalde in het beeld van de bestuurder: een 50-plusser met een rij- en prostaat-probleem.”  (Algemeen Dagblad, 01-04-2000) gaat ’t over een model auto, een duffe Daf. Je kunt je hier wel afvragen of de schrijver doelt op de ongezonde zithouding van de chauffeur die slecht is voor de kwaliteit van diens zaad of dat ’t uiterlijk van de auto zelf hem dwarszit. In ’t eerste geval is het gebruik te vergelijken met dat in: “Verdrietig slenterde hij door de PC Hooftstraat in een zaaddodend strakke broek” (Parool, 14 nov. 2007). Zaaddodend in welhaast letterlijke zin dus.

Ik waag de voorspelling dat zaaddodend de plaats gaat innemen van geestdodend. Geestdodend kun je  alleen maar zeggen van een boek of  film. Zaaddodend is in veel meer situaties te gebruiken. Een voetbalwedstrijd geestdodend noemen gaat niet, maar zaaddodend is vaak de spijker op z’n kop. Zaaddodend is vanwege zijn brutale karakter in deze tijd-zonder-gène bovendien een extra aantrekkelijk woord. Misschien lijken vrouwen ’t figuurlijk gebruik van zaaddodend daarom juist te mijden: alle 19 hits van 1995 tot en met 15 december 2012 zijn van mannen.

Terug naar die verbazingwekkende krant (NRC Handelsblad van 15 december) met zijn twee hits. ’t Eerste citaat is uit een interview met Paul de Leeuw: “Ik heb niks tegen de vladip, maar denk wel: wat is het zaaddodend.”  Die vladip is een attractie in zijn tv-programma’s waarbij iemand na ’t zoveelste verkeerde antwoord voor straf in een kuip met zo te zien vanillevla terechtkomt. Daar wordt erg om gelachen. ’t Is een belangrijk onderdeel van die programma’s, want als die vladip er niet zit, dan scheelt dat honderdduizenden kijkers. Die vla zelf is zeker niet zaaddodend, denk aan de ARBO-wet, dus De Leeuw bedoelt ’t hier figuurlijk.
In ’t tweede artikel uit diezelfde krant wordt ’t dorre proza van Marc Rutte door Bas Heijne als zaaddodendgekwalificeerd en ik begrijp dat goed. Op ’t eerste gezicht niet te begrijpen is dat twee personen op dezelfde dag zo’n zeldzaam woord gebruiken. Maar toen ik een tweede keer keek, zag ik dat dat interview met Paul de Leeuw een week eerder verschenen is in Vrij Nederland (van 8 december). De conclusie ligt voor de  hand. Bas Heijne heeft dat stuk gelezen en dat woord bewust of onbewust daaraan ontleend. ’t Zou me niet verbazen als we zaaddodend vanaf nu steeds vaker in de krant gaan tegenkomen, want zo gaat dat in de journalistiek. 
Ik vraag me trouwens af of ’t toeval is dat ’t figuurlijke gebruik van zaaddodend geëntameerd of aangezwengeld wordt door twee mannen die weinig boodschap hebben aan de letterlijke betekenis van dat woord.

Over Jan Stroop

Jan Stroop is gastonderzoeker bij de capaciteitsgroep Nederlandse taalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Van hem verschenen bij Athenaeum: Hun hebben de taal verkwanseld en Die taal, die weet wat . Dit is zijn website.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Zaaddodend

  1. Gaston Dorren schreef:

    Ik ben verbaasd dat de combinatie 'zaaddodende ogen' nog niet is opgedoken. Lijkt me zo'n inkoppertje.

Reacties zijn gesloten.