Lik op stuk


“Net als voorgaande jaren zal er ook tijdens de komende jaarwisseling hard worden opgetreden tegen veroorzakers van ongeregeldheden. Zoveel mogelijk wordt lik-op-stuk-beleid toegepast.” Aldus een persbericht van het Openbaar Ministerie van 21 december. De personen die ’t betreft weten natuurlijk dondersgoed wat dat lik-op-stuk-beleid inhoudt:  (super)snelrechtzittingen en  meteen uitzitten van opgelegde gevangenisstraffen, maar waar de uitdrukking vandaan komt en wat ie oorspronkelijk betekende, daarover zullen zich wel nooit ’t hoofd gebroken hebben, vermoed ik. Dat heb ik wel gedaan.

De uitdrukking is ouder dan altijd aangenomen is (“na 1950” zegt Van Dale). De oudste vindplaats is namelijk die in De Tijd: godsdienstig-staatkundig dagblad van 4 december 1909, in een verslag van de vergadering van de Tweede Kamer. “De heer Thomson stond nog al eens te interrumpeeren, maar kreeg telkens lik op stuk.” Dat wil zeggen dat de heer Thomson telkens meteen een snedig antwoord kreeg. Ook bij de twee andere vindplaatsen uit ’t begin van de  20e eeuw gaat ’t om een verbale actie. De eerste definitie die Onze Taal van lik-op-stuk geeft, sluit daar goed bij aan:  ‘iemand meteen van repliek dienen’. De tweede helft van de definitie honoreert de betekenisverruiming die de uitdrukking ondergaan heeft:  ‘een onmiddellijke en afdoende reactie geven’.

Van Dale meent dat lik-op-stuk vermoedelijk “een verkorting is van een lik uit de pan krijgen, dat weer een variant is van een veeg uit de pan krijgen (‘zijn deel krijgen, een schimpscheut ontvangen’). Stukin lik op stuk zou de oorspronkelijke betekenis ‘zaak, punt, daad’ hebben. Lik op stuk betekende dus waarschijnlijk letterlijk ‘onmiddellijke, rake reactie op een bepaalde daad’.”
Dat ‘dus’ in laatste zin volgt niet uit wat ervoor staat en aan de definitie rammelt ook iets, want lik betekent niet ‘onmiddellijke reactie’ maar alleen ‘onmiddellijk’. Dat is goed te zien aan passages uit De Biënkorf der H. Roomsche Kercke (1569) van Philips van Marnix van Sint Aldegonde. In dat boek, dat een heftige aanval is op ’t katholieke geloof en de praktijken binnen de Roomse kerk, gebruikt Marnix twee keer de formulering op eenen lick: “soo haest als hy het eerste woordeken dit ghesproken hadde, soo soude hy van stonden aen op eenen lick, twee dinghen te samen dencken” (‘zo gauw als hij (= de priester) ’t eerste woordje dit gesproken had, zou hij vanaf dat moment onmiddellijk twee dingen tegelijk denken’.) Naast op eenen lick komt in diezelfde16eeeuw ook voor: met eenen lick: ” ’t Is met een lick gedaen”, Sartorius  (1561).
De formulering met/op eenen lick is te begrijpen als je je realiseert dat een lik in vroeger dagen nog voornamelijk een snelle beweging met de tong betekende, bijvoorbeeld zoals we die kennen van een kat. Op eenen lick is te vergelijken met op een sprong dat is ‘in de tijd van een sprong’  (Woordenboek der Nederlandsche Taal) en betekent dus ‘in de tijd van een lik’. ’t Tweede woord in de uitdrukking lik op stuk, te weten stuk, is hier te verstaan als daad of een woord. ’t Is een gangbaar woord met een breed scala aan betekenissen.  
In geschreven Nederlands komt de formulering op/met een lik na de 16e eeuw niet meer voor. Hij moet door de spreektaal overgeleverd zijn en komt pas in 1909 weer boven tafel, de schrijftafel. Dan is er inmiddels wel ’t nodige veranderd. Volgens mijn reconstructie was op een lik aanvankelijk een bijwoordelijke bepaling. Hij krijgt op een lik antwoord (‘hij krijgt meteen antwoord’). Vervolgens is er door de praktijk uit twee woordgroepen een vaste combinatie ontstaan. Hij krijgt op een lik op ’t stuk een reactie/antwoord (‘hij krijgt meteen op de zaak een reactie/antwoord’). De volgende stap was ’t verdwijnen van de lidwoorden, net als bij voet bij stuk houden.
Als de uitdrukking in zijn hedendaagse vorm verschijnt, het citaat uit 1909: “Thomsom […… ] kreeg telkens lik op stuk”, is lik op stuk lijdend voorwerp. ’t Heeft de plaats ingenomen van ’t eigenlijke lijdend voorwerp: “Thomsom […… ] kreeg telkens lik op stuk (antwoord)”. Die nieuwe status van lijdend voorwerp blijkt ook uit allerlei hedendaagse citaten, gevonden met Google. “Drankrijder krijgt lik op stuk” , “iemand lik op stuk geven”. “Er wordt niet langer thee gedronken maar er wordt lik op stuk gegeven”. In ’t laatste citaat is ’t lijdend voorwerp uit de actieve zin onderwerp geworden in de passieve zin.
De overgrote meerderheid van de vele recente gevallen van lik op stuk die bij Google te vinden zijn, gaat over ’t bestraffen van overtredingen en misdrijven.  De vorm is dan lik-op-stuk-beleid. Te verwachten valt dat er rondom de jaarwisseling nog heel wat gevallen bij zullen komen, want zoals Marnix meende: “noch souden sy op eenen lick van stonden aen soo ghesont werden, als een verrotten appel.”  (noch zouden ze (versta nu: de relschoppers, JS) onmiddellijk van begin af gezond worden, net zo min als een rotte appel).

Over Jan Stroop

Jan Stroop is gastonderzoeker bij de capaciteitsgroep Nederlandse taalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Van hem verschenen bij Athenaeum: Hun hebben de taal verkwanseld en Die taal, die weet wat . Dit is zijn website.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Lik op stuk

  1. Jan Stroop schreef:

    AANVULLING:
    De kop op de voorpagina van NRC Handelsblad van woensdag 3 januari illustreert weer een verdere betekenisontwikkeling: "Lik op stuk bij Oud en Nieuw? Nee dus."
    Uit 't artikel zelf blijkt dat er wel degelijk supersnelrecht toegepast is, lik op stuk dus, maar de straffen waren niet hoog genoeg. In die kop betekent lik op stuk blijkbaar: streng straffen.

Reacties zijn gesloten.