Al lezende in Ogier van Denemerken – 11

Al lezende in Ogier van Denemerken – 11 : Wraak (2)

Amand Berteloot

Met onze vorige bijdrage zijn we bij een van de hoofdmotieven van OvD aangekomen. Het wraakmotief loopt als een rode draad doorheen het hele epos. Het begint met Karels pogingen om Ogier te doden als wraak voor de smaad die hem door diens vader Godefroot werd aangedaan. Na de dood van Godefroot begaat Karels zoon Charloot een moord op Ogiers zoon Boudijn. Omdat Karel weigert Charloot aan Ogier uit te leveren, wordt deze zo lang door wraakzucht tegen Karel en zijn bondgenoten gedreven tot God door middel van een engel uiteindelijk de wraakneming op Charloot verhindert. Intussen strijden de Sarrazenen permanent tegen de christenen en beide partijen wreken zich voortdurend op elkaar voor de gesneuvelden op het slagveld. In het bijzonder de overwinning van Ogier op de Sarrazeense hoofdman Broyier is er de oorzaak van dat Ogier voortdurend het doelwit van wraakneming blijft. Het ligt dan ook voor de hand dat de woorden ‘wreken’ en ‘wraak’ in OvD niet van de lucht zijn. En als zowel kopiist LuFl als uitgever HiWe, zoals we in de vorige bijdrage hebben gezien, bij het eerste optreden van het woord ‘wraak’ van streek raken, kan het niet verkeerd zijn naast de vindplaatsen van het substantief ‘wraak’ ook die van het werkwoord ‘wreken’ nader te onderzoeken.

Een voorlopige telling levert 76 attestaties op voor de diverse vormen van het werkwoord ‘wreken’. Tegenover Mnl. ‘wreken’ staat in het moderne Duits ‘rächen’. In het Mhd. was dit ‘rëchen’ evenals het Mnl. ‘wreken’ een sterk werkwoord. De hoofdtijden waren: ‘rach’ (soms ook ‘roch’), ‘rochen’, ‘gerochen’ (zie Lexer II, 359-360). Voor de Heidelbergse kopie is het niet onbelangrijk vast te stellen dat het Middelduits ook nog een variant ‘wrëchen’ kent, waarvan het imperfectum ‘wrach’ luidde. Als Middelduitser zou LuFl dus eigenlijk wel met Mnl. ‘wreken, wrak, ghewroken’ overweg gekund moeten hebben.

Het werkwoord ‘wreken’ registreert HiWe in zijn glossarium (WeGl) onder het trefwoord ‘rechen, wreken’, waarnaar ook via de lemma’s ‘vrach’ en ‘wrecken’ wordt terugverwezen. De grondvorm ‘rechen’, die als infinitief en in het praesens wordt gebruikt, treedt naar onze telling 53 keer op. Daarnaast vermeldt WeGl ‘vrach’ met twee vindplaatsen (3234 en 8082). Deze vormen vervullen de functie van imperfectum enkelvoud. Verder noemt WeGl nog de vorm ‘wrake’ met één vindplaats (4738), die als praeteritum conjunctief fungeert. Tenslotte staat in het lijstje van HiWe ook nog een vorm ‘rachte’ met één attestatie (14508).

Het valt op dat LuFl’s vormen met anlautende ‘v’ of ‘w’ uitsluitend imperfectumvormen zijn. Het ziet er dus naar uit dat hij met Mnl. ‘wrac’ en ‘wrake’ meer moeite gehad heeft dan met de praesensvormen en de infinitief ‘wreken’. We moeten er hier echter meteen aan toevoegen dat het ook goed kon gaan. In weerwil van het lijstje in WeGl is ‘wrake’ in vers 4738 namelijk niet de enige attestatie van de conjunctief imperfectum in OvD. ‘Rache’ in vers 9840 (“Von Ogiern der sinen zorn / Gern rache, sollen wir nu lesen”) en ‘raiche’ in vers 22522 (“der rich Galioit, / Der sinen vatter raiche gerne”) hebben dezelfde functie. Dat betekent waarschijnlijk dat LuFl deze in de verzen 9840 en 22522 wel degelijk als conjunctiefvormen van ‘rechen’ heeft herkend, terwijl dat bij ‘wrake’ in vers 4738 betwijfeld mag worden. ‘Wrake’ is hier, getuige de onverschoven ‘k’, een directe overname uit het Mnl. Dit procédé past LuFl gewoonlijk dan toe, wanneer hij een woord in zijn legger niet begrijpt. Omdat HiWe in de inleiding op zijn glossarium zegt dat het zijn bedoeling was onder ieder lemma het volledige spectrum van de vormvarianten van het betreffende woord te presenteren (zie blz. 627: “Das Glossar berücksichtigt sämtliche Varianten in den Formen des Editionstextes”), hadden onder het lemma ‘rechen’ de vormen ‘rache’ en ‘raiche’ niet mogen ontbreken. Dat geldt evenzeer voor het participium ‘gerochen’, dat men in totaal 12 keer tegen komt (20, 3674, 5214, 9437, 13240, 13989, 15580, 15855, 15868, 18320, 18930 en 21728), maar waarvan men in WeGl geen spoor aantreft.

Van de twee sterke imperfectumvormen ‘vrach’ die WeGl in zijn lijstje opneemt, is er één, nl. die in vers 8082, nogal twijfelachtig, maar daar gaan we hier niet dieper op in. Interessanter is daarentegen het door HiWe gesignaleerde zwakke imperfectum ‘rachte’ in vers 14508. Ook al omdat ‘rechen’ in het moderne Duits een zwak werkwoord geworden is, is het optreden van een zwakke imperfectumvorm in het Mhd. zeker een nader onderzoek waard.

Over Karel de Grote die in zijn eentje voor de poorten van Parijs tegen een overmacht van vijanden aan het vechten is, wordt gezegd:

Den aller sorglichsten mort
Rachte der helt mit dem schwerd. (14507-14508)

Karel is hier eigenlijk niet bezig wraak te nemen voor de een of andere moord, maar een slachtpartij aan het aanrichten. Voor ‘een bloedbad aanrichten” kent het Mnl. de uitdrukking ‘ene mort werken’. Dat is precies wat hier bedoeld wordt en het is niet de eerste keer dat deze uitdrukking in de tekst voorkomt, men zie bijv. vers 2616: “Mitdem wort reyt er vort / Under die cristen wercken mort.”. Het ligt dus voor de hand aan te nemen dat ‘rachte’ in vers 14508 geen zwak imperfectum van het sterke werkwoord ‘rechen’ is, maar het praeteritum ‘wrachte’ van het onregelmatige werkwoord ‘werken’ representeert. LuFl heeft hier dezelfde techniek toegepast, die hij van ‘wreken’ kende, nl. weglating van de anlautende ‘w’. HiWe heeft LuFl dus juist geïnterpreteerd, maar die had zijn legger niet begrepen. Hetzelfde is trouwens ook gebeurd in vers 17175: “Auch hatt ine Ogier zur sichern stat / Geracht zu den selben stunden, / Das yme al sine gesunden / Gekrencket ußermaßen sere”. Hier duikt het participum ‘geracht’ op, dat eveneens bij ‘werken’ behoort, maar dat WeGl noch bij het lemma ‘rechen’ noch bij ‘wircken’ vermeldt. En het heeft er alle schijn van dat ook ‘raecht’ in vers 6049 (“Ir engeldent es wie ir uch raecht”) eigenlijk Mnl. ‘wracht’ representeert (“Ghi ontgheldet dat hi wracht”). Weer rekening houdend met het feit dat het handschrift dat LuFl afschreef, naar alle waarschijnlijkheid een Oost-Vlaamse kopie was, waarin ‘wrachte’ het originele West-Vlaamse ‘wrochte’ verving, mogen we de verzen 14507-14508 vermoedelijk reconstrueren als:

Die alresorghelijcste mort
wrochte die helt metten swerde. (14507-14508)

Daarmee hebben we het lijstje van vindplaatsen in WeGl afgewerkt, maar we zijn nog niet aan het eind van dit verhaal. Eén verdere vindplaats komt na de uiteenzetting over ‘wrake’ in de vorige bijdrage niet meer onverwacht: Net zoals daar het substantief met het werkwoord werd verwisseld, is in vers 15584 het werkwoord tegen het substantief ingeruild. “Wa es mir nit wurd in rache” kan men op die plaats nauwelijks anders hertalen dan “waert dat ic hem niet en wrake”. Bovendien is er nog het interessante geval van vers 2583. Hier staat tegenover “Das er kulen solt sinen mut” in het Mnl. fragment C3 “Dat hi sal wreken sinen moet”. Zolang de verhouding tussen de fragmenten (OvD-NL1) en de Heidelbergse tekst (OvD-DT) nog niet in detail onderzocht is, blijft het onzeker of er in LuFl’s legger werkelijk ‘sinen moet wreken’ heeft gestaan; ‘sinen moet coelen’ is namelijk ook uitstekend Mnl. Maar er is nog meer.

Laten we teruggaan naar het tweegevecht tussen Ogier en de sultan Karahen. De laatste heeft Ogier en Charloot uitgenodigd tot een duel met hemzelf en koning Sadoni. Beide partijen hebben op voorhand plechtig beloofd dat het gevecht fair zou verlopen en dat niemand anders zich in de strijd zou mengen. Als het er voor Karahen en Sadoni echter slecht begint uit te zien komt Davimont, de zoon van admiraal Cursabel, met zijn troepen tussen beide en neemt Ogier gevangen. Karahen is daarover woedend en doet zijn beklag bij Cursabel:

Herre, ich bitte uch, sunder wan,
Das ir nu fragent uber uwern sun,
Wann zu liegen was ich ungewone.
Auch gelobte ich Karolo als ein gut payen,
Das Ogiern nit solte mißgeschehen
Von yeman sonder mir zufaren.
Dis hat uwer sun sonder sparen
Gebrochen. […] (3076-3083)

Het is noch syntactisch noch semantisch zinvol Karahen te laten zeggen: “Heer, ik verzoek u dat u nu vraagt over uw zoon, want ik ben het niet gewend te liegen.” Karahen komt naar Cursabel toe om het verraad van Davimont aan te klagen en de vrijlating van Ogier te eisen. Dat is precies wat in deze verzen behoort te staan. Met vers 3077 klopt er dus iets niet, maar wat? Het vers doet onwillekeurig denken aan de klacht van Bruun tegen koning Nobel nadat hij door Reynaert in de val is gelokt en mishandeld: “Coninc, edel here, / wreket mi dor u selves ere / over Reinaerde, dat felle dier” (Van den vos Reynaerde, vers 991-992). Dat kan ons op het goede spoor zetten. Zeer waarschijnlijk is ‘nu’ in vers 3077 zoals op veel andere plaatsen in LuFl’s tekst een leesfout voor ‘mi’ en ‘fragent’ een verbastering van Mnl. ‘wreken’. Als we dit vers zo interpreteren, dan wordt Cursabel daarin door Karahen gesommeerd zijn zoon Davimont voor zijn verraderlijk gedrag te bestraffen:

Heere, ic biddu sonder waen,
dat ghi mi wreket over uwen sone,
want te lieghene was ic onghewone.
Ooc gheloofdic Karle alse goet payien,
dat Ogiere niet en soude messcien
van iemenne sonder van mi te waren.
Dat hevet u sone sonder sparen
ghebroken. […] (3076-3083)

Hoe vreemd het ook lijkt, we moeten er ernstig rekening mee houden dat LuFl het Nl. werkwoord ‘wreken’ een aantal keren met het Duitse ‘fragen’ heeft weergegeven. Dat moet er ons toe aanzetten om in de hele tekst het woord ‘fragen’ te wantrouwen. En dat blijkt inderdaad zinvol te zijn, want er zijn ten minste nog drie vindplaatsen, waar men het Duitse ‘fragen’ niet echt als ‘vragen’ kan opvatten, nl. in de verzen 4693, 4858 en 5107.

In het bijzonder problematische vers 4693, dat nog andere onopgeloste problemen bevat, wordt onze twijfel in ieder geval door het rijm ondersteund, want ‘frage’ rijmt daar op ‘sprache’, wat dus op een rijmpaar ‘wrake : sprake’ kan wijzen:

Also nu Garnier wart kunt,
Das es Ogier was der da stunt
Gegen ime und so lang hatt gehalten sprache,
Sprach er: “wie ein nair dijs frage
Da mit er uch bedrugt. […]” (4690-4694)

Deze verzen hebben hun geheim nog lang niet prijsgegeven, zodat onze hertaling hier maar zeer voorlopig kan zijn. Terwijl WeNo de verzen 4693-4694 vertaalt als “Welch ein Narr (war ich), diese Frage zu stellen, um Euch zu betrügen”, vermoeden wij dat er iets gestaan zou kunnen hebben als:

Doe Garniere wart cont
dat Ogier was, die daer stont
jeghen hem ende so langhe hadde ghehouden sprake,
sprac hi: “Een nar die niet en wrake
dat menne bedriegt. […]” (4690-4694)

Vers 4858 daarentegen is duidelijker. Hier rijmt ‘fragen’ zelfs op ‘versteken’. Na de dood van zijn vader Godefroot reist Ogier naar Denemarken om zijn land in bezit te nemen. Hij wordt daarbij onderweg nog opgehouden door de troepen van zijn stiefmoeder die haar eigen zoon Garnier op de troon wil zien en daarom probeert Ogier uit te schakelen. In het volgende gevecht overwint Ogier zijn tegenstanders en delft Ogiers halfbroer Garnier het onderspit. Daarna neemt Ogier zijn erfland plechtig in bezit:

Auch bleib er da sunder sage
Und nam huldung uf viertzig tage.
Er wolt auch nit fragen
Nach siner stieffmuder nach die versteken,
Wie wol er wißte, daz sie yme hatt getan
Groß boßheit. Die er ließ gaen
Und gab ir ir duwarie intlant. (4856-4862)

Interessant is dat ‘fragen nach siner stieffmuder’ volgens WeEm in het handschrift doorgestreept is. Er lijken dus al eerder twijfels omtrent deze verzen bestaan te hebben. Ogier heeft inderdaad weinig reden om te vragen naar zijn stiefmoeder, veeleer heeft hij na haar verraderlijke poging om hem van kant te maken een goede reden om wraak op haar te nemen. ‘Wreken’ is dan ook een ideale rijmpartner voor ‘versteken’ in vers 4859. HiWe emendeert in vers 4862 ook ‘Jutlant’ i.p.v. ‘int lant’, wat zeker ook voor discussie vatbaar is. We houden ons wat dat betreft voorlopig aan het handschrift:

Ooc bleef hi daer sonder saghe
ende nam huldinghe up veertich daghe.
Hine wilde hem ooc niet wreken
an sine stiefmoeder, no si versteken,
al wiste hi dat si hem hadde ghedaen
grote boosheit. Hi lietse gaen
ende gaf hare haer duwarie int lant. (4856-4862)

De vierde vindplaats van het verdachte ‘fragen’ bevindt zich in vers 5108. Charloot ergert zich over het feit dat Ogiers zoon Boudijn hem op ettelijke punten de baas is. Hij wil hem daarom het liefst uit de weg ruimen. Hij vraagt een paar duistere gestalten, waaronder we Guweles, de zoon van de aartsverrader Guweloen (Ganelon), en Macarijs, de kindermoordenaar uit de Aiol, herkennen, om raad hoe hij het best op de vermeende provocaties van Boudijn kan reageren:

Guwels sprac: “bi dem herren der voget
Der werelt ist, Cherloet, kunig, herre
Enfragent dis nit, men sals serer
Affter lande tragen uwer schand,
Doch ir sint kunig von disem land
Wie wol es uwerm vatter als ist undertan.
Was solte dann bestan
der unwerd basthart?” (5105-5112)

Men kan ‘fragen’ in vers 5108 duidelijk niet als ‘vragen’ interpreteren. Men zal van Charloot geen schande spreken als hij niet naar de provocaties van Boudijn vraagt, maar als hij ze onbestraft laat. De voorlopige hertaling van deze verzen luidt dus:

Guweles sprac: “Biden heere, die voghet
der werelt es, Charloot, coninc, heere,
en wraket ghijt niet, men sal des seere
achter lande draghen uwe scande,
sidi doch coninc van desen lande.
Nadien dat uwen vader al es onderdaen,
wat soude dan bestaen
dien onwerden bastaert?” (5105-5112)

Interessant is dat de vier ‘fragen’-attestaties met als potentiële betekenis ‘wreken’ een cluster vormen. Ze bevinden zich tussen de verzen 3077 en 5107. Daarvóór en daarna komt dit fenomeen niet voor. Ware het niet dat er tussen het eerste en het laatste optreden van dit ’fragen’ ook nog vindplaatsen voor ‘vrach’, ‘wrake’ en ‘gerochen’ lagen, dan zou men het als een voorbijgaande fase in de ontwikkeling van LuFl kunnen beschouwen. Maar we hebben al eerder geconstateerd dat de man allesbehalve consequent is. We mogen er dus wel van uitgaan dat hij bij zijn kopieerwerk een tijdje de voorstelling heeft gehad dat Nl ‘wreken’ in het Duits met ‘fragen’ correspondeerde, en daarna weer op het goede pad terecht kwam.

We moeten tot slot nog ingaan op vers 1960, dat een alleenstaand geval blijkt te vormen. De zwaar gewonde Gautier weigert de raad van Namels te volgen en zich uit het gevecht tegen de Sarrazenen terug te trekken. Met de volgende woorden stort hij zich in het strijdgewoel, waarin hij kort daarna om het leven zal komen:

Bliebe ich in dem strijd dot,
Min sele vert zu hymelrich,
Das weiß ich wol werlich.
Ich sal gottes ande so vorchten,
Man sal ymmer me aff sprechen
Und betten miner selen gut. (1957-1962)

HiWe geeft geen commentaar bij vers 1960. Noch “ande” noch de infinitief “vorchten” (in het handschrift met superscripte “e” boven de “o”) staan in WeGl. Mhd. “ande” betekent ‘kränkung’ of ‘zorn, verdruss’ (Lexer I, 55) en Mhd. ‘vor(c)hten’ is een variant van ‘vürhten’, het moderne Duitse ‘fürchten’ (Nl. ‘vrezen’; Lexer III, 600-602), wat in deze context echter weinig zin maakt. Gautier hoeft Gods toorn niet te vrezen want hij heeft niets verkeerds gedaan, hij wil in tegendeel diegenen te lijf gaan die Gods toorn hebben opgewekt, namelijk de Sarrazenen die Rome bezet hebben en het christendom bedreigen. Bovendien is hij van overtuiging dat hij daar iets goeds mee doet, dat zijn zieleheil ten goede komt en waarover men later nog zal spreken. Het MNW kent de uitdrukking ‘Gods ande wreken’ met de betekenis “God wreken op zijne vijanden, in den strijd tegen de Ongeloovigen en de vijanden der Kerk”. Dat is precies wat Gautier met inzet van zijn leven van plan is. Mhd. ‘vorchten’ staat dus voor Mnl. ‘wreken’. Voor de juistheid van deze interpretatie kunnen we ons ook op het rijm beroepen. Mnl. ‘vresen’ als potentiële vertaling van ‘vorchten’ rijmt niet op ‘spreken’, ‘wreken’ daarentegen wel. De hertaling van de verzen 1957-1962 moet dus luiden:

Blivic inden stride doot,
mijn siele vaert ten hemelrike,
dat weet ic wel waerlike.
Ic sal Gods ande so wreken,
men salre emmermee of spreken
ende bidden mijnre sielen goet. (1957-1962)

Ons onderzoek heeft getoond dat de omzetting van Mnl. ‘wreken’ en ‘gewroken’ naar het Mhd. in de meeste gevallen probleemloos is verlopen. Dat zijn samen 65 van de 76 vindplaatsen. Met de vervoegde vormen van het werkwoord ‘wreken’, in het bijzonder met de imperfectumvormen, had LuFl meer moeilijkheden. Telkens één keer heeft hij ‘wrachte’ en ‘ghewracht’ verkeerd begrepen als zwakke vomen van ‘rechen’. Een tijdlang heeft hij het werkwoord ‘wreken’ zelfs met ‘fragen’ weergegeven en een enkele keer met ‘vorhten’. Wat HiWe betreft: die volgt LuFl op de voet, maar stelt nooit kritische vragen naar diens omgang met zijn Nl. legger of naar wat er oorspronkelijk in de tekst gestaan zou kunnen hebben. Hij houdt zich dus aan zijn editorische principes, maar draagt op die manier weinig bij tot de opheldering van problematische passages in de tekst.

Brock, december 2012

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.