Oorrijm

’t Stukje van Bas Jongenelen  over oogrijm (Neder-L van 26 november) herinnerde me aan een versje van Constantijn Huygens dat je vanwege de rijmwoorden als een geval van oorrijm zou kunnen zien. Nu is rijm altijd een kwestie van klankovereenkomst, maar in dit geval speelt ’t oor toch een bijzondere rol. ’t Versje dateert van 21 April 1685: 
Masteluijn.
Tom is geneight
To studie at night,
Most of his cares
Zijn by de kaers.


Masteluin is de naam voor een zaaigoed dat bestaat uit een mengsel van gelijke delen rogge en tarwe. Tot in 18e eeuw werd dat masteluin zaaien nog gedaan. Van ’t meel werd brood gebakken, dat ook masteluin genoemd werd. Tegelijk is het woord ook in figuurlijke zin in gebruik geweest. Zoals in deze zin uit het WNT:  “Dat de (Rijnsburgze Broederen) voor masteluyn, dat is half Arminiaans, half Doopsgezind, de monstering konnen passeren”, GOEREE, K. e. W. Hist. 678.
Masteluin is een leenwoord. ’t Gaat terug op ’t Oudfranse mesteillon, dat weer een afleiding is van mesteil, dat ontstaan is uit ’t Latijnse mistus ‘gemengd’. Huygens’ mengsel bestaat uit de vermenging van twee talen, een grap die van alle tijden is, maar die in dit geval ook informeert over de uitspraak van twee Nederlandse klinkers die in de tweede helft van de 17e eeuw ter discussie stonden, de ei en de aa. De meeste taalbouwers wezen bij de ei de nieuwe uitspraak ai af, maar bij de aa keurden ze juist de oude uitspraak ae af. 
Om te weten te komen welke rijmklanken Huygens bedoeld heeft, moeten we nagaan hoe de Engelse woorden night en cares in zijn tijd geklonken hebben. De klinker in cares was in deze periode door veranderingen in het Engelse klinkerstelsel, de  Great Vowel Shift,  [ɛː] geworden.
De lange [i] was via [ei] of [əi] verlaagd tot [ai]. Maar de klinker in night is van oorsprong geen lange [i]. Dus moeten we op een andere manier zijn toenmalige  kwaliteit vaststellen.
Een beproefde  manier is te kijken naar ’t rijm. Ik heb daarom in de sonnetten van Shakespeare gezocht naar rijmparen waarbij van de twee woorden één onmiskenbaar een oorspronkelijk lange [i] heeft. Die werd al Shakespeares tijd als ai uitgesproken, zeggen de deskundigen. In sonnet 21 vond ik write [wrait] ‘schrijven’, dat daar rijmt op bright dat dus als [brait] uitgesproken moet zijn. Dit bright rijmt in sonnet 28 op night [nait] en zo ben ik waar ik wezen wil, want ik mag nu toch wel aannemen dat Huygens ook een rijmpaar met [ai] bedoeld heeft.   
Door geneight te laten rijmen op night neemt Huygens de populaire Hollandse uitspraak [ai] op de korrel of misschien juist de taalmeesters die die uitspraak veroordeelden. Ook bij het tweede rijmpaar verdenk ik Huygens ervan dat ie een klank schrijft die op het eind van de 17e eeuw niet meer ‘comme il faut’ was. Aangezien de lange [a] in Shakespearse tijd [ɛː] geworden was moet Huygens met kaers in fonetisch opzicht dit bedoeld hebben:
Most of his [kɛːrs]
Zijn bij de [kɛːrs]
(‘hij maakt zich ’t meest zorgen om zijn kaars’) 
Omwille van de taalgrap durft Huygens zich dit rijk rijm, anders een bewijs van armoede, kennelijk wel te permitteren. ‘t  Is ook oorrijm, want door de Engelse woorden  te beluisteren weten we hoe de Nederlandse geklonken moeten hebben.
Maar wie zou toch die Tom zijn?

Over Jan Stroop

Jan Stroop is gastonderzoeker bij de capaciteitsgroep Nederlandse taalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Van hem verschenen bij Athenaeum: Hun hebben de taal verkwanseld en Die taal, die weet wat . Dit is zijn website.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.