Klankencyclopedie van het Nederlands (20): [n]

[n] De [n] maak je door het punt je van je tong op te tillen en tegen het harde verhemelte te houden terwijl ondertussen de lucht uit de longen door je neus naar buiten stroomt en je stembanden trillen.

Over de [n] is altijd van alles te doen, bijvoorbeeld bij Neder-L. Het is een uitermate beweeglijke medeklinker. Hij verdwijnt vrij gemakkelijk (jongen kun je in veel variëteiten van het Nederlands uitspreken zonder slot-n), maar hij verschijnt ook vrij gemakkelijk (in sommige dialecten kun je dingen zeggen als dat wilde-n-ik net zeggen, met een extra n).

Tegelijkertijd is de n ook de kameleon onder de medeklinkers.
Wanneer hij naast een andere medeklinker komt te staan, spreek je de n uit op dezelfde plaats in de mond als die volgende medeklinker: in-populair wordt impopulair omdat je m zegt met beide lippen op elkaar, net als de p. Zo zeg je de n in inferieur met je boventanden op je onderlip, net als de [f] en in incontinent als [ŋ], met de achterkant van je tong, net als de [k].

In sommige dialecten valt de n trouwens ook nog weg in nog een iets andere omgeving: voor een s. Tegelijkertijd wordt de klinker dan nasaal, dat wil zeggen dat de lucht tijdens het spreken van die klinker deels door de neus naar buiten stroomt. In Noord-Holland kun je dat bijvoorbeeld horen: de m˜ese dãse voor de mensen dansen.

Nóg een eigenaardigheid van de n: het is de enige neusklank die aan het begin van een woord na een k of een p kan staan (knijpen, pneumatisch, maar kmap of pngap bestaan niet) en aan het eind van een woord na een lange klinker en een andere medeklinker (doorn bestaat wel, maar doorm of doorng zien er raar uit).

De [n] deelt dit uitzonderlijke gedrag deels met de [s] en de [t], die allebei ook veel flexibeler zijn dan andere medeklinkers. Dat heeft waarschijnlijk iets te maken met het feit dat we al deze medeklinkers maken met het puntje van de tong: dat is het flexibelste spraakorgaan, dat zich kennelijk makkelijk aanpast aan zijn omgeving.

Ik houd op een aparte pagina bij welke klanken ik inmiddels behandeld heb in de Klankencyclopedie.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.

9 reacties op Klankencyclopedie van het Nederlands (20): [n]

  1. De n als overgangsklank (of hoe dat verschijnsel ook heet) doe ikzelf ook: "heb je-n-'m gezien", "dat wilde-n-ik zeggen" enz.

    Komt in andere talen voor met varianten van de r: Engels "the idea-r-of it" (mijn vriendin, tweetalig Engels/Nederlands, spreekt "idea" trouwens sowieso uit als "idear"), Beiers "wie-r-i aufwoch".

  2. Correctie: het Beierse voorbeeld moet natuurlijk "wie-r-i-r-aufwoch" zijn met twee van die r's.

  3. In datzelfde Beiers trouwens wegval van de slot-n: scho (schon), vo (korte o, von), a (ein(e)), mei/dei/sei (mein(e)/dein(e)/sein(e)).

    In objectvormen verschijnt hij weer als naamvalsuitgang: an, mein, dein, sein. (Ik neem aan: mannelijk datief en accusatief en onzijdig datief, maar de Beierse "rijtjes" heb ik nooit voor ogen gehad, ik put dus alleen uit eigen observatie.)

  4. Ingmar schreef:

    Pneumatisch, tja dat is natuurlijk Grieks, in het Nederlands kan alleen kn-. Anders kun je ook zeggen dat km- kan omdat het in Khmer (de Rode Khmer etc.) voorkomt.

    Trouwens, ook in het Nederlands van mensen uit bv. de omgeving van Zutphen komt deze r-insertie voor:
    "Ik gaar-ook even bij Emma-r op bezoek"
    Waarschijnlijk omdat in het Nedersaksisch in Oost-Nederland de eind -r normaliter juist wegvalt, en ook in het regionale Nedersaksische accent van mensen die Nederlands spreken:
    Daah, waah enz. (NS daoh, waoh) en deze r er dan juist weer aangeplakt wordt voor een erop volgende klinker, maar ook hypercorrect (favoriet woord hier) waar hij eigenlijk niet hoort.

    Maarten wat betekent de i jouw Beierse voorbeeld:
    wie-r i(-r) aufwoch, is dat ich of ihr? Meestal is de Beierse i in het Duits ich, zou er in dat geval ook een -r achterkomen of zegt men dan gewoon het hele woord ich? wie-r ich aufwoch
    Dat laatste zou mij niet verbazen, terwijl wie-r i-r aufwoch me juist vreemd voorkomt. Maar ja

  5. Andre Engels schreef:

    "het is de enige neusklank die […] aan het eind van een woord na een klinker en een andere medeklinker [kan staan] (doorn bestaat wel, maar doorm of doorng zien er raar uit)." – Ik neem aan dat dat daar nog een voorwaarde ontbreekt? Een m na een klinker en een medeklinker aan het eind van het woord is niet zo vreemd: warm, halm, storm. Bedoelde je wellicht 'na een _lange_ klinker en een medeklinker?

  6. Wie-r-i-r-aufwoch is "Wenn (letterlijk: wie) ich aufwache".

    Je kunt het horen in dit liedje van Reinhard Fendrich, vanaf 0:51: http://www.youtube.com/watch?v=tFKgpqCmTlA

    Du worst fast wie-r-a Teu vo mir
    Jetzt stehst auf amoi in da Dir
    Und wie-r-i-r-aufwoch is zu spät

    Trouwens nog een paar voorbeelden van wegvallende n'en in dit lied: scho (schon), ma (man), ei (ein, d.w.z. in), sei (sein), kau (kann, genasaliseerd).

  7. Het verschijnsel is ook bijkend uit allerlei variëteiten van het Engelse: the idea[r] is…
    Het komt daar vooral of alleen voor in variëteiten waarin de [r] in andere contexten juist wegvalt, waar men dus ca[0] zegt in plaats van ca[r]. Het is interessant dat die twee dingen, wegval en invoegen, vaak gelijkopgaan, en volgens sommigen hangen ze dan ook met elkaar samen.

  8. Inderdaad; bij dezen verbeterd, dank je wel!

  9. plaatsman schreef:

    De n is als wegvallende letter toch wel interessant en ook frustrerend. Ik spreek best aardig Duits, maar ik twijfel nog altijd tussen een meervoud op -e en op -en, terwijl meervouden met umlaut en/of -er wel lukken. Blijkbaar ben ik als moedertaalspreker van het Nederlands een beetje n-blind geworden.

    Een aardige rol heeft de n in de Tussentaal van het Belgische deel van ons taalgebied (dat deel waar in Nederland vaak overheen gekeken wordt). De -n geeft er het woordgeslacht aan, "den" is er het mannelijk lidwoord, "de" het vrouwelijk. Toch is ook hier de n nogal wegvallerig, voor een k zul je bijvoorbeeld nooit "den" horen: "de koning", maar wel "den trein" en "den Hollander". Het onbepaalde lidwoord is duidelijker, dat is ofwel "nen" (nen trein) ofwel "ne" (ne koning), maar nooit "een", dat is gereserveerd voor vrouwelijke woorden. De precieze verdeling is nog interessanter als je ook het onzijdig erbij betrekt, waar het onbepaalde "een" nogal eens z'n n verliest: "ee kind", maar "een huis". Dat gebeurt dan weer bijna nooit voor vrouwelijke woorden!

Reacties zijn gesloten.