‘Want alles, oock het minste kruit, het boesemt al Gods wonders uit.’

De gedichten van VOC-chirurgijn Wouter Schouten


door Janine Eleveld

Voor het eerst zijn ze in druk verschenen: de retorisch sterke gedichten van Wouter Schouten, die actief was als VOC-chirurgijn. In de periode 1658-1665 reisde hij naar de Oost, waar hij verschillende plaatsen aandeed, zoals Batavia en de eilanden Ceylon, Boeroe en Ambon. Wanneer Schouten de kans kreeg, stapte hij op een ander schip om voor hem onbekende plaatsen te bezoeken. Zijn nieuwsgierigheid naar andere gebieden en culturen was enorm. Dit blijkt uit het uitgebreide reisverslag en de bijbehorende gedichten die hij schreef bij terugkomst in Haarlem. De Oost-Indische voyagie die in 1676 werd uitgegeven, is een belangrijke bron van informatie over hoe Nederlanders  nieuwe gebieden ontdekten, handel dreven en met andere culturen omgingen. In 2003 verscheen een actuele editie van dit reisdocument door Michael Breet, maar zonder de gedichten. Marijke Barend-Van Haeften en Hetty Plekenpol leggen de focus nu op zijn poëzie.

In totaal gaat het om 36 gedichten die tot de drie delen of ‘boeken’ van zijn ‘voyagie’ behoren. Het zijn er dus twaalf per deel, die min of meer aansluiten bij de hoofdstukken uit zijn reisverslag. De bronnen voor dit nieuwe boek over Schouten zijn een schriftje met de 36 gedichten, bewaard in de Koninklijke Bibliotheek met als signatuur KB 75 E 59, en een exemplaar van de Oost-Indische voyagie met de eerste 12 gedichten daarin geplakt (KB 75 E 60). Hoewel de gedichten niet eerder gepubliceerd zijn, lijkt het erop dat Schouten wel een publiek voor ogen had toen hij ze schreef, omdat hij geregeld letterlijk de lezer aanspreekt. En negen gedichten zijn op een bekende melodie geschreven, zodat ze gemakkelijk gezongen konden worden.
Ook zonder het reisverslag onder ogen te hebben gehad, komt de inhoud van de gedichten tot leven. Barend-Van Haeften en Plekenpol zijn er goed in geslaagd om ter introductie bij elk gedicht een heldere samenvatting te geven van het stuk reisverslag waar het gedicht bij hoort. De gravures, waarmee deze stijlvol gebonden uitgave geïllustreerd is, brengen je nog meer in de sfeer. Je ziet de scheepsreis voor je, kabbelend of met een storm op komst, in gevecht met de vijanden Portugal en Engeland, of aanmerend in een exotisch landschap. Niet alleen van landschappen en vijandelijke aanvallen zijn tekeningen opgenomen, ook van bijvoorbeeld een Moorse bruiloft in Batavia. De illustraties geven een extra dimensie bij het lezen van de gedichten. Met kleine landkaartjes is verder aangegeven waar de reis van Schouten langsgaat. Zo word je als lezer van de gedichten helemaal meegetrokken met de avonturen die Schouten ondergaat. Het 17e-eeuwse taalgebruik is niet ingewikkeld, en wordt op het juiste moment door woordverklaringen of bijbelcitaten toegelicht.

De prachtige flora en fauna die Schouten aantreft, zijn vaak een aanleiding voor het schrijven van een gedicht. Het eiland Ceylon maakt hem lyrisch (pag. 111):

alwaer den mens dan van de strant
treet verder heen door ’t lustig lant,
door ackervelden vol van rijs,
door  landen als een paradijs,
door boomden van welrieckent kruit,
door hoven al vol lustich fruit,
door ’t lommerrijck en vrugtbaer hout,
door klaverweijden nadt bedout.

Zo’n rijke natuurbeschrijving staat nooit op zich, maar is altijd een reden om God te prijzen. De natuur biedt dan de argumenten om Gods macht te tonen. Soms lijken zijn gedichten daarom op lofpsalmen.

De natuur kan ook haar woeste, vernietigende kant laten zien, als er een storm opsteekt. Geregeld maakt Schouten angstaanjagende momenten mee, waarbij mensen om hem heen de dood vinden. Ook dan wordt God aanbeden, die hem, en dus de nietige mens heeft gespaard (pag. 100):

Nochtans op al ons angstich klagen,
op al het sugten hemelwaert,
alschoon geen hoop noch uitkomst sagen,
desniettemin wij sijn gespaert.


(…)

Hij gaf ons wederom het leven,
benoutheits watervloet verdween,
dies wierden wij tot vreugt gedreven,
’t geijuich drong door de wolcken heen.


Door het vertrouwen op God, heeft hij de ramp overleefd. Opnieuw leidt het vertellen van die ervaring tot een wijze les, namelijk een oproep om als een goed christen te leven. De thema’s die hij in zijn reisverslag beschrijft, waaronder ook de levenswijze van andere volken, geloofsconflicten en veldslagen, krijgen in een gedicht altijd een ethische lading. Wanneer hij ziet dat er volken zijn die beelden van klei aanbidden, keurt hij die gewoonte sterk af. Dan is hij streng in zijn dichtregels (pag. 84):

Ellendigh volck, wat troost kan geveneen beelt van klaij, van hout, van steen?
Eij, waerom ’t monster aengebeen
door menschenhanden t’saemgedreven,
kont gij de Godt van son en maen,

dien Opperheerscher dus versaecken,
kan’t levenloos uw dus vermaecken?     vermaecken = kracht geven, sterken
Hoe dus verdoolt, verdoolden Indijaen!


Zijn blik op het ‘ellendigh volck’ dat onwetend is van het bestaan van God, geeft een boeiend tijdsbeeld. Er zijn verschillende passages over zijn ontmoetingen met moslims, boeddhisten en hindoes. Samen met Schouten, die alles beziet vanuit zijn gereformeerde achtergrond, val je van de ene verbazing in de andere. Zijn ontmoetingen met ‘ongelovigen’ vormen, net als de natuurbeschrijvingen, onderwerpen ter lering en vermaak. Met het verpakken van een serieuze boodschap op een aansprekende manier, voldoet hij aan de literaire mode van die tijd. De aandacht van Schouten voor het verpakkingsmateriaal, maken de gedichten ook nu nog zo vol energie, als je ze leest.
Juist omdat zijn gedichten met een ander doel geschreven zijn dan het reisverslag, namelijk het overbrengen van een moraal, is deze uitgave een belangrijke toevoeging op de actuele editie van de Oost-Indische voyagie van Michael Breet.

Marijke Barend- Van Haeften en Hetty Plekenpol, Wouter Schouten, dichter en VOC-chirurgijn. 36 gedichten bij de Oost-Indische voyagie, Uitgeversmaatschappij Walburg Pers,  oktober 2012, 192 pag., ISBN 9789057307096, €29,50.

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , , , . Bookmark de permalink.