Middelnederlandse scheldwoorden 10

Toen ik begon aan een inventarisatie van de scheldwoorden die Mak noemt in zijn woordenboek, had ik geen idee dat ik tot meer dan tien episodes zou komen. Dit is nummer 10 en het eind is nog niet in zicht. Hoewel, het eind begint in zicht te komen. Als het om Middelnederlandse scheldwoorden gaat, ben ik een echte schosmuzeel.

Rabbelster,
zn. Van rabbelen?
Blijkens het verband in de aanh. schurftlijdster. ‖ Rabbelsters die schorft zijn totter keelen, Crijgen eenen rabbaut, eenen vuylen rapaert, a. bijns, N.Ref. 171, d, 9 [1525].
Rabby,
zn. Zie WNT i.v. Rabbi.
Valsaard, boosdoener (vg. joos: Rabbe, Rabbie… valschaard, twister, ruziemaker). ‖ V.: gy sijt een rabby D.: en ghy de ientste als dexcellentste // om archs berueren, Smenschen gheest 21 [ca 1560?].
Raeliaert,
zn. De vorm wijst op ontlening aan ofr. raillart, spotvogel, grappenmaker. De bet. in de aanh. is wellicht beïnvloed door rael, lang, slank (zie WNT i.v. Raal (I).
Slungel? ‖ Eij, lang raeliaert, wadt hebdij bedreven! Luijstervinck 541 [2e h. 16e e.] (vg. ald. 575: ‘Dat nieuw geboren kindeken is relijck lanck’).
Rallaert,
zn. Van rallen.
Leuteraar, kletskous? ‖ Eij arme rallaert ghij speelt die mallaert / ick worts nv vroedere, Vers. Maelt. 291 [2e h. 16e e.].
Rang,
zn. Zie WNT i.v. Rang (II).
Schurk, smeerlap? ‖ Die natuer woudij mee howen onder dwang gelijck als een rang / waende hijse te pluijsteren, Red. en Nat. 745 [2e h. 16e e.]; Sy (t.w. mijn dermen) sijn als rangen in ’t hangen heel in strick, Kluchtsp. 1, 195 [ca 1600].
Opm. Ook bij j. van hout, in Tijdschr.
Ransoeneerder,
zn. Van ran(t)soeneren.
‘Die rantsoen, losgeld vraagt, afzetter, chanteur’ (Kruyskamp). ‖ Den eenen ken ic, t’is een ransoeneerder, Een boeve, een straet-roover, de meeste pilleerder Die hier int lant mach wesen onverholen, crul, Dronckaert 155 [2e kw. 16e e.].
Rapaert,
zn. Van rap, schurft.
Schurftlijder (vg. Loquela i.v. Rapaard). ‖ Rabbelsters, die schorft zijn totter keelen, crijgen eenen rabbaut, eenen vuylen rapaert, a. bijns, N.Ref. 171, d, 10 [1525].
Rasaert, rasert,
zn. Van rasen.
Dwaas. ‖ Hoe staet hy dus en klaecht den ouden dasaert? Klaecht (1. vraecht) hem toch eens den armen rasaert, H.d.Am. Y 6 [m. 16e e.]; Al heety my rasert, ick en sie gheen lieden, Charon 316 [1551].
Raveelken,
zn. Van raveel, zie WNT i.v. Raveel (III).
Losbol, fuifnummer. ‖ Ghij nou bediers lustighe raueelkens diemen tallen kermissen ter feesten siet lopen, St 2, 146 [vóór 1524].
Ravenjonck,
zn. Uit rave(n) en jonck. Zie MNW i.v. Ravenjonc.
In de aanh. naam waarmee een duivel wordt aangesproken. ‖ S.: Ligdij noch in uwen Sol? B.: Neen ic, raven jonck, Sacr.v.d.N. 1038 [3e kw. 15e e.].
Rekel,
zn. Zie franck-van wijk-van haeringen.
1) Lomperd. ‖ Hy is immers een mensche rustich en fier Gheen rekel oft loeten, Antw. Sp. Ggg iiij [1561].
2) Vrek (vg. kil.: rekel. Homo auarus, Euclio). ‖ Oock noemptmen hem… Halsbandt / Tayaerdt / splijtmijte /vilt / rekel / en loer / Om dat hy tsijne niet en verquist door desen, Haagsp. k iv [1561].
Relder,
zn. Van rellen.
Kletser. ‖ Laet varen alle ydel relders, Doesb. 225 [vóór 1528]; Adieu van alle Clapbancken de relders, de dene, Langhen Adieu 181 [1560].
Rijnschaert,
zn. Van rijnsch, rins?
‘Zuurpruim?’ (Kruyskamp). ‖ Een rijnschaert maecte int gelach den fellaert, Doesb. 246 [vóór 1528].
Rimpelaert,
zn. Van rimpel of rimpelen.
Die gerimpeld is, oude vent? ‖ Een rimpelaert sprac: siet toe elck geckaert, Doesb. 247 [vóór 1528].
Rochghe,
zn. Zie MNW i.v. Rochge, WNT i.v. Rog (I).
In de aanh. fig. voor kloosterzuster, non (vg. voor de toepassing van deze visnaam op personen WNT i.v. Rog (I), bet. C, 1 en 2). ‖ Gij sijt van de rochghen de matere, Berv.Br. 227 [ca 1520?].
Opm. Verdam’s Aanm. achter het art. Rochge dient te vervallen.
Roeck,
zn. Zie MNW i.v. Roec, 1e art., WNT i.v. Roek.
1) Kraaier, schreeuwer (vg. Syn. Lat.-Teut. 1, 260; 3, 4: ‘kraier’). ‖ Doet u beste, niet inden secreten // hoeck, als sulcken secktenstichter oft verbeten // roeck (versta: schreeuwlelijk? of scheurmaker?), Bruyne 2, 65 [2e h. 16e e.].
2) Verklikker (vg. kil.: roeck. Zeland. Delator, quadruplator). ‖ Ghy syt een sanghere, een leckplateel, Een roeck hier int hoff en een verradere, Trudo 1874 [ca 1550].
Royaert,
zn. Van roy (zie Roy (II). Een andere opvatting (althans voor de Royaerts van St. Winoksbergen) bij P.J. van Winter, De Hollandse Tuin, in Het Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 1957, bl. 94: ‘De naam Royaerts hangt misschien samen met de “raies ou bandes, qu’on remarquait sur le costume primitif, qu’ils adoptèrent”, waarvan Saintyves [t.w. in Essais de folklore biblique etc.] p. 179, spreekt n.a.v. de “confrèrie des Royés” te Valenciennes’.
Armoedzaaier. ‖ Magher roijaerts en mach ic niet vergheten daer pouer den hooren heeft inde hant, St 2, 62 [vóór 1524]. – Ook als naam van de kameristen te St. Winoksbergen en Loo in Veurne Ambacht (zie Jaarb. De Fonteine 1944, bl. 12, 16).
Opm. Wrsch. niet hiertoe behoort Doesb. 247 [vóór 1528]: ‘Een rasschaert lapten op sijnen royaert’ (waar eerder een lichaamsdeel of voorwerp zal bedoeld zijn). Onduidelijk is ook H.d.Am. T 8v [m. 16e e.]: Ghy dunct my Royaert daer’t al uyt ‘sterf’.
Rootbaert,
zn. Zie MNW i.v., WNT i.v. Roodbaard.
Eig. roodborstje, in de aanh. in fig. toepassing (zoals het daarmee op één lijn staande snotvinck, snottebel)? ‖ Tes wonder dat hi niet en sterf van couwen Doer de rootbaerden ende snotvincken, smeken, Dwonder 18 [1511].
Rothier,
zn. Zie MNW i.v. Rotier.
Deugniet, vagebond. ‖ Die van doene heift / twee drooghe rothieren Die slepe ons tsaemen / binden cote, everaert 171 [1527].
Ruetelaer(e), rueteleer,
zn. Zie MNW i.v. Rotelare.
1) Rochelaar? ‖ Ou rueteleers, prueteleers, wiens nuesen druypen, Leuv. Bijdr. 4, 214 [beg. 16e e.].
2) Armoedzaaier, sukkelaar. ‖ O.: Ghy zyt een ruetelaere. S.: Ende ghy een droochscote, everaert 171 [1527]; Ruetelaers die om drayen / drooghaerts queerne pleghen, ald. 292 [1529]; Ruetelaers zynde in Pouers benau, ald. 444 [1e h. 16e e.].
Ruffien,
zn. Ontleend aan ofr. ruffien (vg. MNW i.v. Roffiaen, WNT i.v. Ruffiaan).
Boosdoener. ‖ God helpt den goeden / en schaet den ruffienen, cast., Bal. A 7v [1521].
Ruyschaert,
zn. Van ruyschen, tieren, te keer gaan?
Drukteschopper? ‖ Een ruyschaert een bruyschaert een ientaert een slapaert, Doesb. 246 [vóór 1528].
Ruselaert,
zn. Van ruselen (zie MNW i.v., WNT i.v. Ruizelen (I) en Ruizen (I).
Drukteschopper? ‖ Een bacschaert een ruselaert een outfrens coddaert, Doesb. 246 [vóór 1528].
Rustigaert, rustichaert,
zn. Van rustich, levenslustig (zie MNW i.v. Rustich, 2e art., WNT i.v. Rustig (II)?
Genotzoeker? ‖ Ghij rustigaerts lustighe lodderkens spaert clippertant water ende cleijn bier, St 2, 146 [vóór 1524]; Een lustichaert een rustichaert ende een snellaert Die wraken de moort aen enen roetaert, Doesb. 247 [vóór 1528] (hic? of van rustich, flink, wakker?).
Rutsepeeuwer,
zn. Uit rutsen, ritsen? (zie WNT i.v. Ritsen (I)) en peeuwen met -er.
Ruziemaker (vg. de bo i.v. Rutsepeeuwen)? Of hetz. als reepeeuwer, zeepeeuwer, soort slagvink (zie WNT i.v. Peeuwen, Afl.)? ‖ Adieu vynckenaers vyncken / ende rutsepeeuwers, de dene, Langhen Adieu 152 [1560].
Ruvel,
zn. Oorspr.?
? In de aanh. fig. toegepast op een sukkel. ‖ Soudij dusken ruvel (× suvel) // groen // niet derven versmooken // oick, Deenv. Mensch 120 [2e h. 16e e.].
Sassemaert,
zn. Van sassem.
Smeerpoets. ‖ Hoe comt die vuyl sassemaert hier inne, Doesb. 261 [vóór 1528].
Scaddaert,
zn. Van scadden, gaan (zie ald.)?
? ‖ Een crimpaert met enen gescuerden claddaert Wou ten besten spreken met een arm pouerioiaert. Een rasschaert lapten op sijnen royaert Des maecte hi ouer den dullaert den scaddaert, Doesb. 247 [vóór 1528].
Scheyken,
zn. Van schey, scheyde, scheede (zie MNW i.v. Schede, 1e art., WNT i.v. Scheede)?
Ydel scheyken, lege schede (schede zonder zwaard)? In de aanh. gebezigd ter beschimping van een duivel: nietswaardige?. ‖ L,: Ghy syt van dueghden naeckt B.: En ghy een ydel scheyken! Trudo 2197 [ca 1550].
Schimpaert,
zn. Van schimpen.
Spotter; hekelaar. ‖ De Schimpaerts kijcken door spleten end’ gaten, crul, Mont toe 181 [2e kw. 16e e.].
Schoelie,
zn. Zie WNT i.v. Schoelje.
Arme drommel. ‖ Schoelien / bradende den harinck om de kijte Hier te ghapene baedt niet een mijte, de roovere 405 [3e kw. 15e e.].
Schoontooch (I), schoontueghe,
zn. Zie MNW i.v.
Drinkebroer. ‖ So soudij wel thien hoorenen mouts Drincken teenen sitten sonder veel gesnaters, Want ghij sijt schoontooch, Schuyfman 190 [vóór 1504]; Schoontueghe. Een Crijchsman, Haagsp. li [1561].
Schosmuzeel,
zn. Uit schossen, brassen (zie Schossen) en muzeel (zie MNW i.v. Museel)?
Smulpaap? ‖ Coem ic dan eens onder die schosmuzelen In heymelyke slooten / houen / of prielen daer es alle vruecht sonder miskyfken Ghesoyen ghebrayen volle plateelen, St 2, 115 [vóór 1524].
Schuerbier,
zn. Uit schueren, schuren (?) of scheuren = ‘verorberen’ (zie Scueren) en bier.
Drinkebroer? ‖ Ghy bendenaers // schuerbiers / ende hurte // kannen diet bier ende wyn // uut met eenen sturte // vannen daghelicxs ghequelt zynde metter brandt//are, Judich 1213 [1577].
Scrapaert,
zn. Van scrapen.
Schraper? ‖ Een slechtaert een foolaert ende een scrapaert, Doesb. 246 [vóór 1528].
Scuulget,
zn. Oorspr.?
Blijkens het verband in de aanh. iemand of iets van geringe betekenis of waarde; voetveeg? ‖ Scaemt hu / ghy steruelicke dracht (versta: vrouwen, die het met priesters aanleggen) Dat den priester / die bouen alle staeten staet Daghelicx voor hu / achter straeten ghaet Hem achtende als hu scuulget / snoode gheeerdich, everaert 431 [1e h. 16e e.].
Seijlaert,
zn. Van seijlen.
Die onzeker loopt, waggelt (van ouderdom of dronkenschap, vg. schuerm., corn.-vervl., teirl. i.v. Zeilen)? Of straatslijper (vg. Loquela i.v. Zeilege)? ‖ Out seijlaert! daer hebdij mijnen douck // gecroockt! Goemoete 64 [eind 16e e.].
Simme,
zn. Zie MNW i.v., WNT i.v. Sim (I).
Aap; in de aanh. gebezigd als benaming voor de duivel. Doorgaans gebruikt men in dit verband, t.w. van echtelijke onenigheid, daarvoor de naam scheminkel (zie WNT i.v. Scharminkel, bet. 2). ‖ Gaet een man somtijts een canneken drincken, Savonts esser de simme (versta: is er ruzie), a. bijns, N.Ref. 258, c, 2 [1527].
Slapaert,
zn. Van slap of slappen? Of van slapen?
Slappeling (vg. plant.: ‘Die yet slappelick doet, slappaert’)? Of slaper? ‖ Een ruyschaert een bruyschaert een ientaert een slapaert, Doesb. 246 [vóór 1528].
Slavant,
zn. Bijvorm (rijmvervorming?) van slavans (zie WNT i.v. Slavans (II) of van slavent (zie WNT i.v.)?
Boef, schavuit? ‖ Zy en souden vry / haer casen broot / achter den lijs Niet laten vallen (noyt vuylder slavanten, Zeven Sp. Bermh. B iv [1591].
Slijckbeck,
zn. Uit slijck en beck.
Vuilbek? ‖ Ick wil mij neven u autentijcke // strecken Hoe wel dees slijck // becken // als verckens wroeten, Luerifers 94 [eind 16e e.?].
Slijngherken,
zn. Van slijngher, slinger.
Lichtzinnig meisje (vg. Slingherminne(ken); onbedachtzaam, onnadenkend wicht? ‖ F.: T’is een jonc slijngherken. B.: Een schieloos joolken Dat an Pyramus al haer zinnen leght, cast., Pyr. A vij [ca 1530].
Slingherminnaer,
zn. Uit slingheren en minnaer.
Wufte minnaar. ‖ Niet langhe op een / is die sinnen goet / Den slingherminnaers teender doctrijne, Sp. d. M. 4505 [beg. 16e e.].
Slingherminne,
zn. Uit slingheren en minne.
1) Wufte min. ‖ O Slingher minne zeer wildt van zinne, Hoe persequeerdy my totter doot, cast., Lied. 13 [ca 1530].
2) Wufte minnares? ‖ Een vrou slingherminne, cast., Pyr. A iij [ca 1530] (N.b. van een zinneken, kennelijk een man!).
– Inz. in verkleinvorm: lichtzinnig meisje. ‖ Wispeltuytkens loopen na slingerminnekens, a. bijns, N.Ref. 172, e, 10 [1525]; Thisbe slacht veel jonghe slijngherminnen / Diet met haer janckerkens zoet van fletsene Terstont ghereet zijn me te gaen pletsene, cast., Pyr. D i [ca 1530]; Hs. TMB, B, fol. 47v* [eind 16e e.?] (: slingerminnetgens).
Slobbercock,
zn. Uit slobberen en cock.
Vuilpoets? ‖ Een slobbercock soect alltoos vrou vulen, St 1, 50 [vóór 1524].
Slobberick,
zn. Van slobben of slobberen.
Slons of vuilpoets? ‖ Jan slobberick staet hem te verwyte, Bruyne 1, 94 [2e h. 16e e.].
Slock, sloeck,
zn. Zie WNT i.v. Slok (I).
1) Slokop, schrok, gulsigaard (vg. kil.: slock.j.slocker. Helluo, vorax). ‖ Een leeuwinne… Verloren hebbende heur ionghe sloecken, Conste d.M. 49 [ca 1560].
2) Smeerlap, schooier. ‖ Een leelijcke slore crijcht eenen vuylen slock, a. bijns, N.Ref. 169, a, 11 [1525].
Slodderkouse,
zn. Uit slodderen en kouse.
Sloridge, slonzige vrouw (vg. corn.-vervl. i.v.). ‖ Vrouw Slodderkouse crijcht ioncker Bouwenlijfrock, a. bijns, N.Ref. 169, a, 8 [1525].
Sloevere,
zn. Van sloeven (zie WNT i.v. Sloef (I), Afl.).
Lomperd; schooier. ‖ Het geeft my wonder dat ghy soe v verstant // mist met v gulsich drincken onaerdich sloeuere! Bel.v.Sam. 1012 [eind 16e e.?].
Slommer,
zn. Verwant met slom (zie MNW en WNT i.v.)?
Sukkel? ‖ Ommer / goet slommer / men rooskens droopt (var.: ‘En sprack reyn greyn / mijn roostken droopt’), de roovere, in St 1, 62 [3e kw. 15e e.].
Sloorevel,
zn. Uit sloor, onnozele of slechte vrouw (zie WNT i.v. Sloor) en vel? Of twee woorden, t.w. Sloor, slap, verflenst (zie WNT i.v. Sloor (III) en vel?
Ongunstige benaming voor een vrouw. ‖ Zeght wat wilt ghy guuten / an (l. au?) goe sloore//vel, Judich 396 [1577].
Sluyprat(te),
zn. Uit sluypen en rat(te).
‘Meisje dat heimelijke minnehandel bedrijft’. ‖ Ghy kondt immers wel metter daet Enghe Maechdekens maken van Sluypratten, H.d.Am. Dd iv [m. 16e e.].
Slutsepese,
zn. Uit sluts, slap, krachteloos (zie WNT i.v.) en pese.
Krachteloze (versta: impotente) man. ‖ Adieu Venus slutsepesen int voorghespan Te wulpschelick huuthebbende gheschoten hu schichten, de dene, Langhen Adieu 205 [1560].
Smul (I),
zn. Zie MNW i.v., WNT i.v. Smul (I).
1) Smulpaap, lekkerbek. ‖ Gentse Ref. 108 [1539]; Huis v. Idelh. 293 [m. 16e e.]; bij v. vloten, Ned. Geschiedz. 1, 323 [1567]; Ontr. Rentm. 250 [1588?].
2) Snoeper (m. betr. tot mingenot) en v.v. geliefde, minnaar, inz. in de aanspraak: schat, lieveling. ‖ de roovere 400 [3e kw. 15e e.]; everaert 175 [1527]; cast., C. v. R. 132 [1548]; Bijstier 449 [m. 16e e.]; Const-thoon. Juw. 37 [1607].
Smullaert,
zn. Van smullen.
(Heimelijke) minnaar? ‖ J.: Wie stal die vlechten? V.: Haren soeten smullaert // met zijn twee knechten, Sp. d. M. 3732 [beg. 16e e.].
Snapgeest,
zn. Uit snappen en geest.
Praatvaar. ‖ Sijn dit niet twee snapgeesten / sonder bescheyt, M.Bedr. Hart 48 [1577]; Hs. TMB, A, fol. 108* [eind 16e e.?].
Snellaert,
zn. Van snel.
Die voortvarend is? ‖ Een lustichaert een rustichaert ende een snellaert Die wraken de moort aen enen roetaert, Doesb. 247 [vóór 1528].
Snerck,
zn. Van snercken.
In de aanh. zou ik snerckpoff willen opvatten als twee woorden, t.w. snerck (zie WNT i.v. Snerken, Afl.) en poff (zie WNT i.v. Pof (V), dus als zn. met (t.w.v. het rijm) gepostponeerd bn.; snerck poff kan dan begrepen worden als waardeloos, onaangenaam klinkend woord of – minder waarsch. – als verwaten vrouwmens. ‖ C.: Jan, waer sullen wij Belitgen begraven? Willen wij met haer gaen draeven opt kerckhoff? J.: Kerckhoff? Dat waer gesponnen van fijn werck groff; Van sulcken snerckpoff steek mij die walge. C.: Wel waer salmense dan begraven? J.: Maer onder de galge… Op dat haer balge die ravens moeten eeten, Lijs en Jan Sul 211 [eind 16e e.?].
Snottegote,
zn. Uit snotte en gote.
Blijkens het verband in de aanh. sukkel (dus wel zonder samenhang met snotgootje, gleuf in de bovenlip (zie boekenoogen 1359)? ‖ Dan is sy zoo ziecxkens dat hem deert, Haer aen te tasten d’arm snottegote, H.d.Am. R 2 [m. 16e e.].
Snottoor,
zn. Opzettelijke, grappige vervorming van doctoor (onder invloed van sottoor en samenstt. als snotgat, -huis, -krabber e.d.).
Zot? ‖ Voorts roept ons barbieren en snottooren die ongeleert sijn en hem niet en verstaen, Gr. Hel 227 [ca 1564]; Daer sullen oock wesen al sooveel snottooren, Die sommige gescooren, die sommige met lang haer, Kluchtsp. 1, 188 [eind 16e e.?].
Sottoor,
zn. Komische(?) afl. van sot, naar anal. van doctoor, pastoor, enz.
Zot. ‖ Tsijn al droncken sottoren, a. bijns 85 [1527]; Martinus Lutere, Een glorioos sottoor, een aerdich stutere, ald. 121 [1548].
Spetaelguijt,
zn. Uit spetael, spitaal en guijt.
Schooier, armoedzaaier (vg. gasthuisboef in MNW i.v. Gasthuus). ‖ Ou ghij spetael guijt gij en hebt maer den bas sijdij soe coene compt hier jnde bane, Berv. Br. 280 [ca 1520?].
Splijtmiteneter,
zn. Contaminatie van splijtmite, vrek en levereter, die zich ten koste van anderen verrijkt?
Geldwolf? ‖ Dese scantlike splijtmiteneters Die ter werelt heeten de beste En om ghetls (1. ghelts) wille sijn yements beters Die hael ic (t.w. de Dood) eerst wt warmen neste, Drie bl. danssen 71 [1482].
Sproetaert,
zn. Van sproet(e).
Die vol sproeten zit? ‖ Dit comt van vechten, sprac een losch sproetaert, Doesb. 247 [vóór 1528].
Stake,
zn. Zie MNW i.v., WNT i.v. Staak.
Vrek. ‖ Tis wonder wat stricken dat syer toe gebruycken, Dees gierige vreckaerts, dees scherpe staken, crul, Mont toe 191 [2e kw. 16e e.].
Stegaert,
zn. Van steech, lui (zie WNT i.v. Steeg (II)?
Luiaard? ‖ Een stegaert smeet een visaert op zijnen scranckaert, Doesb. 246 [vóór 1528].
Stijfhals,
zn. Uit stijf en hals.
Eig. iemand met een stijve of scheve nek (vg. kil.: Stijf-hals.j.krom-hals. Obstipus, tetanicus & Obstinatus), v.v. (via die halsstarrig, vasthoudend is?) gierigaard, vrek? ‖ Js Pyramus niet der minnen knecht / Ten schijn gheen deyn / stijfhals noch tayaert, cast., Pyr. A vij [ca 1530].
Stoepjoffer,
zn. Uit stoep en joffer.
Eig. meisje of vrouw, die op de stoep (bank) voor het huis zit om gezien te worden of te lokken; in de aanh. naar het schijnt vrouw of meisje van lichte zeden.‖ Dese stoepjoffers, hoe gaense som cuijpen, dese Venuskinderen, deese ondieve vrijsters, Brouwersg. 583 [ca 1560].
Stompaert,
zn. Van stomp.
Sukkel, domoor (vg. mnl. stomper, in MNW i.v.). ‖ Ick en ben niet dan een onnosel stompaert, een sempel schipman, Charon 256 [1551].
Straetvernachtere,
zn. Uit Straet en vernachten met -ere.
Die ’s nachts op straat loopt, i.c. om. liefdesavonturen na te jagen. ‖ Swijcht ghy straet-vernachtere, H.d.Am. L 7v [m. 16e e.].
Strammaert,
zn. Van stram.
Jan strammaert, houten Klaas? ‖ Jan luys int oore, Jan strammaert & Jan schoon spel, Bruyne 1, 95 [2e h. 16e e.].
Strijper,
zn. Van strijpen.
Deugniet? ‖ Procureurs / Rethrozijns / ende strijpers Ende… Venus knijpers / in summa summarum Die de Kappe behoeuen / Mallorum Mallarum, Veeld. Gen. D. 20 [16e e.].
Stueraert,
zn. Van stuer.
Die ‘stuur’ (onvriendelijk, nors of lastig) is. ‖ Men vint veel aerden: vrolickaert stueraert, enz., Doesb. 247 [vóór 1528].
Sueraer, suereer,
zn. Van sueren.
Bedrieger (vg. plant. i.v. Seurer, de bo i.v. Zeuraar: ‘Een die zeurt in ’t spel, fr. tricheur’). ‖ Luereers, suereers, lieghers, bedrieghers, Leuv.Bijdr. 4, 212 [beg. 16e e.]; Laedt de sueraers besigh met haer practiicken, cast., C. v. R. 188 [1548].
Suercul,
zn. Uit suer en cul.
Zuurpruim? ‖ Jan suercul, Jan ligt achter, Jan coopt blau, Bruyne 1, 94 [2e h. 16e e.].
Suerman,
zn. Uit suer, zuur en man.
Eig. man met een ‘zuur’, onaangenaam, nijdig, boos karakter of humeur (vg. magerman, vetman), in de aanh. in fig. verband en dan feitelijk boosheid, nijdigheid. ‖ Wanneer si haer nachtrenten verliest te syne (l. ten fyne?) suerman wilter syn crucke in steken (versta: zal er aan te pas komen? Vg. ‘Sinte Pieter zal er zijne kruk ondersteken’, in WNT i.v. Kruk, sub bet. 6), St 1, 63 [vóór 1524].
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.