Al lezende in Ogier van Denemerken – 9

Al lezende in Ogier van Denemerken – 9 : Aan de oevers van de Tiber

Amand Berteloot

In ‘Al lezende 8’ hebben we gezien dat de koning van Montbrant aan de Sarrazeense ‘ammirael’ Cursabel de raad gaf de stad Rome en de citadel zo snel mogelijk per schip te verlaten en “ter see waert” te zeilen. Dat moest dus via de Tiber gebeuren. Deze rivier speelt in het eerste deel van OvD een niet onbelangrijke rol. Hij heeft min of meer de functie van grenslijn tussen de Sarrazenen die Rome bezet hebben aan de ene kant, en de christenen onder Karel de Grote aan de andere kant. De laatsten hebben hun kamp opgeslagen in het zicht van de stad:

Als sie nu kurtzlichen vernamen
Der Sarrazenen zeichen uß stecken,
Die cristen tettent hessticlichen
Hohe gezelten und hohe pauwelione
Schlagen uf dem velde grun. (1471-1475)

Of in het Middelnederlands:

Alsi corteleke vernamen
der Sarrasine teken ute steeken
sloughen die kerstine haesteleke
hoghe tenten ende paweljoene
up in den velde groene.  (1471-1475)

Dat de Tiber tussen het kamp van Karel en de stad loopt, wordt hier nog niet meegedeeld. Dit wordt pas duidelijk bij de eerste confrontatie tussen de vijandelijke troepen, die blijkbaar aan Karels kant van de rivier plaats vindt, want in de verzen 2262-2267 lezen we dat Karel zijn soldaten verbiedt om bij de achtervolging van de vluchtende Sarrazenen de Tiber over te steken.

Als nu Karle sahe, die hohe baroen,
Das die heyden so sere fluhent
Und inen die cristen volgeten naer,
Dett er gebieten offembar
Den cristen, dat sie bieden
Und die Tyber nit entlieden.  (2262-2267)

Deze verzen laten zich vrij makkelijk naar het Nederlands hertalen. HiWe zag er blijkbaar ook geen moeilijkheden in, afgezien van het laatste woord van vers 2267. In zijn glossarium verbindt hij het vermeende hapax “entlieden” met Mnl. ‘ontliden’ en vertaalt het als “überschreiten”. Deze toewijzing is twijfelachtig want ‘ontliden’ is volgens het MNW, waarnaar HiWe ook uitdrukkelijk verwijst, intransitief en betekent “ontgaan, ontsnappen”. Dat HiWE niettemin de juiste interpretatie presenteert, is vermoedelijk een kwestie van intuïtie, waardoor ook LuFl zich in belangrijke mate liet leiden. “Entlieden” kan alleen ontstaan zijn uit een combinatie van het negatiepartikel ‘en’ en de imperfectumvorm van ‘liden’, dat als transitief werkwoord inderdaad “oversteken” kan betekenen. Zo komt men via de verkeerde weg toch op de goede plaats terecht. De Mnl. hertaling van deze verzen luidt dus:

Alse Karel sach, die hoghe baroen,
dat die heedine so seere vloen
ende hem die kerstine volgheden naer,
dede hi ghebieden openbaer
den kerstinen, dat si beeden
ende die Tiber niet en leeden.  (2262-2267)

Terwijl Karels soldaten zich aan dit bevel houden, is Ogier dat niet van plan. Hij zegt tegen zijn oom Namels van Bavier dat hij liever aan de overkant van de rivier in een uitzichtsloos gevecht met de Sarrazenen wil sneuvelen, dan zich door Karel te laten ophangen. Dan volgen de verzen

Mit den wortten hiewe er in das pfert,
In die Tyber slug er zu der vart.
Das roß schwamm hynuber an das ander lant. (2278-2280)

Hertaald naar het het Middelnederlands luidt dit:

Mettien woorden noopte hi tpaert.
In die Tibere slouch hi ter vaert.
Dors swam over an dandre cant  (2278-2280)

Dat in vers 2280 niet een ander land maar de overkant van de rivier bedoeld is, ligt voor de hand. Dat is dus weer een mooie associatie van LuFl, voor wie het woord ‘cant’ geen passend Duits pendant bezat. Bij Mhd. ‘slahen’ en Mnl.’slaen’ daarentegen kon positieve transfer optreden: in beide talen betekent dit werkwoord o.a. “zich in een bepaalde richting begeven, rijden”. Zodoende kon LuFl het woord gewoon overnemen.

Als hij Ogier de rivier ziet oversteken, krijgt Karel spijt van zijn halsstarrigheid en roept Ogier terug met de belofte dat hij hem zijn ‘evelmoet’ (“ubeler mut”) vergeeft. Daarop breekt Ogier de onderneming af en keert terug.

Uber das wasser kerte er schier. (2289)

Of in het Middelnederlands:

Over dwater keerde hi scier.

Een duizendtal verzen verder bevindt zich sultan Karahen in het kamp van de christenen omdat hij zich vrijwillig als gijzelaar voor Ogier heeft aangeboden, die op een verraderlijke manier door zijn geloofsgenoten gevangen is genomen. Als de Sarrazeen Brunamont een tweegevecht met Ogier wil aangaan, krijgt Karahen van Karel toestemming om in de tussentijd als gijzelaar naar het Sarrazeense kamp terug te keren. Hij laat zijn muilezel brengen en

Karahen saß dar uf sonder spaern.
An die hohsten die da waeren
Nam er urlaub und reit uß dem her.
Die Tybern reit er mit gere
Zum nehsten biß er by Rome kam. (3488-3492).

Omdat ‘riden’ geen overgankelijk werkwoord is, mogen we ervan uitgaan dat in vers 3491 in plaats daarvan weer ‘liden’ bedoeld moet zijn. De hertaling luidt daarom:

Karahen satter up sonder sparen.
Anden hoochsten die daer waren
nam hi orlof ende reet uten here.
Die Tibere leet hi met gheere
ten naesten tote hi te Rome quam. (3488-3492)

De Tiber blijkt dus op deze beide plaatsen een soort scheidingslijn tussen de vijandelijke troepen te zijn zonder een echte hindernis te vormen. Je kunt er te paard of op een muilezel overheen. Dat blijkt ook uit de verzen 2731-2732, waar heel lapidair verteld wordt hoe Karahen op een muilezel in Karels kamp komt.

Dorch die Tyber reet der tegen koene
Und kam vor Karolus pauwelione. (2731-2732)

Ook deze verzen zijn, weer rekening houdend met de verwisseling van ‘riden’ en ‘liden’ zonder moeite om te zetten in:

Die Tibere leet die deghen coene
ende quam vor Karels paweljoene.(2730-2731)

Tot zover lijkt er geen vuiltje aan de lucht te zijn, maar het probleem komt deze keer uit een onverwachte hoek en wel van de kant van het Mnl. fragment D2, waarin deze verzen bewaard zijn gebleven en wel (in een diplomatische tekstweergave) als:

Die douerne leet die degen coene
Ende quam vor karels pauwelioene  (fragm. D2, 295-296).

De Tiber blijkt in dit fragment opeens een andere naam te dragen, of er is sprake van een andere rivier, wat niet waarschijnlijk is. De naam ‘Doverne’ is niet helemaal van de hand te wijzen, want in het Italiaans heet de rivier ‘Tevere’ en in het Oudfrans wordt hij volgens het namenregister van HiWe ‘Toivre’ genoemd. Vreemd is in ‘Doverne’ alleen de ‘n’. De vorm ‘Dovere’ zou heel goed kunnen passen. Was ‘Dover(n)e’ de Mnl. naam van de Tiber? Dat lijkt eerder niet het geval te zijn. In de Spieghel Historiael gebruiken Jacob van Maerlant en Philip Utenbroeke consequent de variant ‘Tybere’ en dat ligt ook voor de hand omdat zij uit het Latijn vertalen, waar dit de gangbare naam van de rivier is. De vertaler van OvD had echter een Oudfranse tekst voor zich liggen, waarin de rivier vermoedelijk ‘Toivre’ of ‘Doivre’ genoemd werd, waar hij dan ‘Dover(n)e’van maakte.

Als we hierop verder doordenken, dan opent zich nog een ander interessant perspectief. Uit fragment D2 blijkt dat de auteur van de Middelnederlandse OvD (die we hier verkort OvD-NL noemen) de Oudfranse naam ‘Toivre’ in ‘Douer(n)e’ omzette. Omdat in de Duitse OvD (verkort OvD-DT) echter consequent ‘Tyber’ staat, moeten we er van uitgaan dat het LuFl geweest is, die er achter is gekomen dat met ‘Douer(n)e’ de Tiber bedoeld is. Dit veronderstelt een kritisch reflecterende omgang met de legger, en zo hebben we LuFl eigenlijk tot nu toe niet leren kennen. Met andere woorden de omzetting OvD-NL ‘Dover(n)e > OvD-DT ‘Tyber’ strookt niet met de kopieergewoontes van LuFl en is dus eerder onwaarschijnlijk. We moeten er daarom ernstig rekening mee houden dat de legger van OvD-DT wel degelijk het woord ‘Tiber’ heeft bevat en dat deze legger bijgevolg niet identiek kan zijn met OvD-NL, de tekst die we in fragment D2 (en waarschijnlijk ook in de Mnl. fragmenten A, B, C en D) aantreffen. Met andere woorden: dit detail wijst erop dat we OvD-NL moeten opsplitsen in OvD-NL1 en OvD-NL2, waarbij OvD-NL2 de bron van OvD-DT en de verhouding tussen OvD-NL1 en OvD-NL2 nog onduidelijk is. OvD-NL2 zou een tweede vertaling van OvD-FR of een jongere bewerking van OvD-NL1 kunnen zijn. Dit is een boeiend thema voor verder onderzoek.

Maar we zijn nog niet aan het eind van het Tiber-verhaal. Volgens het namenregister van HiWe wordt de Tiber in OvD-DT vier keer genoemd en wel in de geciteerde verzen 2267, 2279, 2731 en 3491. We hebben echter nog een verdacht vers dat we van naderbij moeten bekijken en wel regel 2649. Gloriande, de met sultan Karahen verloofde dochter van de ‘ammirael’ Cursabel, is sterk onder de indruk van de verhalen die ze over Ogier heeft horen vertellen en wil Ogier graag tot een tweegevecht tegen haar verloofde Karahen uitnodigen om te zien, wie van beiden de sterkste is. Ze stuurt daarom heimelijk een bode naar het kamp van Karel. Als deze Gloriandes verzoek aan Ogier voordraagt reageert Charloot, de zoon van Karel de Grote, hierop verontwaardigd: Niet aan Ogier maar aan hem als zoon van de keizer komt het toe een dergelijk duel uit te vechten. Heimelijk verlaat hij ‘s nachts tegen de wil van zijn vader met 3000 man het kamp en trekt naar Rome. Daar wordt hij voor de muren van de stad door een overmacht van Sarrazenen bijna in de pan gehakt. Op het laatste nippertje weet een bode Karel te informeren over de kritische toestand waarin Charloot zich bevindt, waarop de keizer met zijn hele krijgsmacht naar Rome optrekt om zijn zoon te redden:

Auch wapenten sich die Frantzoysen,
Die Tutschen und die Aveloysen,
Die von Flandern, die von Proband,
Darzu auch manig ander wijgand.
Geringe sie gewapent warent,
Und saßent uf sonder sparen.
Der kunig Karle gab schier
Die Oleflamme dem guten Ogier.
Karle was verbolgen sere,
Yme volgete nach ein krefftig here.
Sie leden dar coidnen gewade,
Vil nahe waren sie kommen zuspade,
Wann Charolet hatt kume hundert mann,
Da die Frantzoysen kamen an. (2639-2652)

Het enige problematische vers in dit citaat is 2649, waar het handschrift blijkbaar ook niet goed leesbaar is. HiWe geeft in voenoot te kennen dat in het woord ‘coidnen’ de letters ‘id’  onduidelijk zijn. Hijzelf geeft er de voorkeur aan dit woord als ‘codnen’ te lezen. Dat interpreteert hij als “quaden” waarin de ‘w’ is weggevallen. Als vertaling van vers 2649 geeft hij: “Sie passierten dort gefährliche Untiefen.” “Ondiepte, doorwaadbare plaats” is de correcte vertaling van Mnl. ‘gewat’, maar de stap van “quade” naar “co(i)dne” lijkt wel erg avontuurlijk. Als hij het woord niet letter per letter afschrijft, vertaalt LuFl het Middelnederlandse woord ‘quaet’ in de regel als ‘ubel’. “Co(i)dnen” verhoudt zich tot “quaden” noch als een letterlijke kopie, noch als een vertaling.

We kennen intussen de weg van Karels kamp naar Rome. De enige hindernis van betekenis is de Tiber, en we weten dat men daar te paard of op een muilezel over kan rijden. Van “gefährliche Untiefen” is tot nu toe nergens sprake geweest. Met andere woorden: De kans is bijzonder groot dat er in vers 2649 van doorwaadbare plaatsen in de Tiber sprake moet zijn. En omdat deze zoals elders geen echte hindernis vormen voor bereden soldaten, wordt er ook nooit veel ophef over gemaakt. Men moet ze oversteken, maar verder is er niets aan de hand.

We hebben dus een goede reden om “dar co(i)dnen gewade” te interpreteren als een verhaspeling van “der Toivere” of “der Doivere ghewade”, m.a.w. “doorwaadbare plaatsen in de Tiber”. Als deze interpretatie klopt, dan wordt het wel erg spannend. ‘Toivere’ of ‘Doivere’ stamt volgens onze hypothese van daarnet uit OvD-NL1. Blijkbaar werd het op deze plaats door OvD-NL2 niet herkend en onveranderd doorgegeven aan OvD-DT, waar het weer aanleiding gaf tot een poging tot letter-per-letter transcriptie met als gevolg een woord dat geen enkele zin oplevert. OvD-NL2 heeft zich hier dus ofwel door OvD-NL1 laten leiden, ofwel bij de bewerking van OvD-FR een serieuze steek laten vallen. Dit zal nader onderzoek moeten uitmaken. Het is bijzonder jammer dat de geciteerde verzen (met uitzondering van 2639-2640) net in de lacune tussen de fragmenten C4 en D1 vallen, zodat we niet kunnen zien wat OvD-NL1 voor een lezing had. Onze hertaling luidt:

Namels wapinde hem ende die Fransoyse
entie Duutsce entie Aveloyse,
die van Vlaendren, die van Brabant,
daertoe ooc menech ander wigant.
Gheringhe si ghewapint waren
ende saten up sonder sparen.
Die coninc Karel gaf sciere
die Oliflamme den goeden Ogiere.
Karel was verbolghen seere.
Hem volghede een crachtech heere.
Si leden der Tibere ghewade.
Welna waren si comen te spade,
want Charloot hadde cume hondert man
doe die Fransoyse quamen an. (2639-2652)

Brock, oktober 2012

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.