Middelnederlandse scheldwoorden 7

Ik had mijn serie van Middelnederlandse scheldwoorden even onderbroken, omdat ik iets anders te melden had. Hier is echter deel 7 van de scheldwoordenlijst, gebaseerd op het Rhetoricaal Glossarium van Mak. Opdat u ouderwetsch schelde. Komen ze:

Iachtbracxken,
zn. Uit iacht en bracxken, diminutief van brack.
Eig. jachthondje, in de aanh. gebruikt als schimpnaam voor een ijdeltuitige vrouw. ‖ Seker iachtbracxkens ghij draeyt wel v spillekens, Antw. Sp. k iiij [1561].
Jupe,
zn. Van jupen, spotten (met iemand), (iemand) honen, zie MNW i.v. Jupen en Juper(e)?
Sukkel, drommel. ‖ Als aerme jupe // noope / zal hy met verstranghen noch dickmael ontfanghen, Taruwegraen 1032 [1581].
Juper,
zn. Zie MNW i.v.
Potsenmaker; schavuit. ‖ Cleyn vreese end hi (t.w. Hardt van waerseggen) dat sijn te samen Twee ontijdighe Jupers, Nyeuvont 214 [ca 1500].
Kannesliperken,
zn. Uit kan en slipen, slijpen met -erken.
Drinker; die veel drinkt. ‖ Thadde gerne geweest een kannesliperken, Tverwoede dattet niet te busen en creech, Doesb. 245 [vóór 1528].
Keruytsel,
zn. Hetz. als wtkersel, van wtkeren, utekeren.
Uitvaagsel, vuil(igheid) (vg. kil.: wtkersel. quisquiliae, peripsema, purgamen, purgamentum). ‖ Nyet Mammons keruytsel, pharizeeus beseven, Maer tversuchten der armen werckt mynen geest, v.d. berghe, Ref. 59, 29 [m. 16e e.].
Ketsmerie,
zn. Uit ketsen, jagen en merie, merrie.
1) Jaagpaard (vg. ketspeerd in dez. bet. bij de bo). ‖ Tsvyants ketsmerie // elck hoot voor hoot // is (t.w. die de ‘const’ beoefenen, in afkeurende zin gebruikt), Antw. Sp. k iij [1561].
2) Lichtzinnige oude vrouw (vg. kil.: kets-merie… Mulier lasciua en gezelle (aang. in WNT i.v. Ketsen (II), Samenst.): ketsmareie, rondloopende commère, tijdverspeelster). ‖ Oude hinckende Truyen en mancke Lijsbetten Ketsmerien / wiens lust bi fauten moet ghebreken, Nyeuvont 146 [ca 1500].
Kijvaert,
zn. Van kijven.
Kijver. ‖ Wel aen kijvaert / ick gheeft u ghewonnen, Rott. Sp. A iv [1561].
Klepeltreckere,
zn. Uit klepel en trecken met -ere.
Arme drommel, bedelaar? ‖ Ick moet in’t Convent oock wesen alst naut, // Recht als een druckich klepeltreckere, H.d.Am. V 1 [m. 16e e.].
Klickoyken, clickoyken,
zn. Zie WNT i.v. Klakkooi.
IJdel, lichtzinnig meisje (vg. kil.: Klick-oye. j. klick-spille en klickspille. Ambubaia, mulier levis, inutilis, futilis, garrula). ‖ Comt oock sonder toeuen ghy lichte clickoykens / Die vrolijck hippelen als ionghe vloykens / Ick sal v fourieren in huysen / in houen, Antw. Sp. m ij [1561]: Klickoykens fraey / die om een gaey Somtijts suchten en weenen / Tes cleyn lammaey // al compt tgecraey / Ghy hebt den buyck vol beenen, ald. m iiijv.
Klickstijve,
zn. Uit klicken en stijve, fluit, schalmei (zie MNW i.v. Stive, 3e art.), in obscene toepassing (zoals bij de roovere 399)?
In de aanh. naar het schijnt een benaming voor een verliefde of geile man. ‖ De Klickstijven als verveerde Katers Gaen al zuylooren, H.d.Am. V 5v [m. 16e e.].
Klippaert,
zn. Van klippen, met een klip (= knip) vangen?
Vrouwenverleider? ‖ Wa klippaert die dees Meyskens kan paeyen, H.d.Am. I 2 [m. 16e e.],; Sy zomtijts voor ‘tveynsterken spelen, // Als ander Klipspaerts (l. Klippaerts?) op t’ Veelken velen, // Naect en bervoet, ald. V 4v.
Klippertant, clippertant,
zn. Zie WNT i.v. Kleppertand.
1) Die klappertandt (vg. kil.: klepper-tand. Denticrepus en plant.: Een klippertant. Claquedent). ‖ Clippertant, en Snotvijnck, camen hem troosten, de dene, Fab. 83 [1567].
2) Den klippertant hebben, (moeten) klappertanden (van de koude). ‖ Veeld. Gen. D. 93 [16e e.].
3) Soort bier? ‖ Spaert nu clippertant, cute, ende homborchs bier Ontpluyct den budel de most es hier, St 1, 159 [vóór 1524] (Zie ook ald. 2, 146).
Knyebooter,
zn. Uit knye en booten met -er.
Die met de knieën ‘boot’, d.i. voorwaarts tegen iets stoot (zie Loquela i.v. Kniebooten. ‖ Adieu… knyebooters meest voorknye draeghende crune, de dene, Langhen Adieu 112 [ca 1560] (vg. de roovere 404: ‘Susterkens… Wiens capellanen zijn meest voor knyen gecruynt’).
Knietaster,
zn. Van knietasten.
Die naar de knie tast (als hoofse groet). ‖ O ghy lang gelobte knietasters cortooys, archlistich volck, Fransoys, Bruyne 2, 55 [1583].
Knobbelknuvere,
zn. Zie MNW i.v. Cnobbelknuver(e).
Der vruechden knobbelknuvere, die vreugde, pleizier najaagt. ‖ Vp dat sulge hebben een soenkin toe. Want ghy zyt der vruechden knobbelknuvere, everaert 112 [1513].
Knoddaert,
zn. Oorspr.?
? ‘Bol’ (Kruyskamp). ‖ Een bacschaert een ruselaert een outfrens coddaert Een clappaert een cockaert een crepel hinckaert Stiet den frayaert den finaert op zijn knoddaert, Doesb. 246 [vóór 1528].
Knollaert,
zn. Van knollen (zie Cnollen).
(Bier)drinker? ‖ Hier zijn hondert aerden, waerder nv een lollaert En den knollaert mit enen soeten babbaert, Doesb. 247 [vóór 1528].
Kobber, cobber,
zn. Zie WNT i.v.
Eig. doffer, in de aanhh. fig. voor minnaar, pol (vg. kil.: Kobber / kubber … Concubinus). ‖ Nu niet meer van dien, De kobber komt, H.d.Am. X 4 [m. 16e e.]; Dat de Kobber by de Duyvinne gheraect, Daer sy te zamen al moeder-naect… Wt jonstigher liefden moghen paren, ald. Ee 2v; Ghy sult die duyvinne by den cobber vinden, T’is Dirce die met stout onderwinden Met u man boeleert, houwaert, Lusth. 3, 488 [1582-’83].
Kuythane,
zn. Uit kuyt en hane.
Drinkebroer (vg. kil.: kuyt-haen. Potor cereuisiae: philopotes, acer potator en plant.: kuythaen…. Vn bibeton, potator, potor, cereuisiae; vg. ook D. Bax, Ontcijfering van Jeroen Bosch bl. 12). ‖ Het wort seer beklaecht van menighen Kuythane / Om dattet (t.w. het bier) in alsulcken quale is ghesleghen / Van een iammerlijc gebrec, Veeld. Gen. D. 189 [16e e.].
Opm. Nog in Lichtmis Liedeken 1, achter De Feeste van de Lichtmissen [beg. 17e e.].
Labareelkin,
zn. Mogelijk verwant met labben, labberen, drinken, slorpen?
? ‖ Ghy (t.w. de Verloren Zoon) zult huer (t.w. van de waardin) liefste complyste // zyn; Want zou ziet zeer gherrene dusdanighe labareelkins Voor hare deelkins, Verl. Z. I, 1086 [1583].
Laefcutte,
zn. Uit laven en cutte.
Die de vrouwen ‘laaft’, gerieft. ‖ Jan laefcutte (in een opsomming van diverse ‘Jannen’), Bruyne 1, 94 [2e h. 16e e.].
Laenekaert,
zn. Ontleend aan ofr. languart, kletser, babbelaar?
In de aanh. naar het schijnt sukkel, sul. ‖ Die hem / van zyn wyf verduwen laet Tes een laenekaert / of puer en Jan Bry, everaert 533 [1538?].
Lamheyle,
zn. Oorspr?.
Lichtzinnige vrouw? ‖ Gaepteylkens, lamheylkens, die Venus kint wieghen, Leuv. Bijdr. 4, 213 [beg. 16e e.].
Lammertandeke(n),
zn. Uit lam en tandeke(n).
Lekkerbek? ‖ Adieu alle quiste goeykens ende lammertandekens, de dene, Langhen Adieu 140 [1560].
Lamptezugher,
zn. Uit lampte en zughen met -er.
In de aanh. naar het schijnt synoniem met kerckhuul, femelaar, overdreven vrome (zie WNT i.v. Kerkuil, bet. 2). ‖ Adieu joncker huulken gheseyt meester post Die gheen lamptezughers kerckhuuls gheluchten can, de dene, Langhen Adieu 204 [1560].
Lanckslippe,
zn. Uit lanck en slippe.
Spotnaam voor een geestelijke. ‖ Meynen die lanckslippen ons te verlasten, Ontr. Rentm. 774 [1588?].
*Landsaet,
zn. Naar het schijnt corrupt voor of volksetymol. vervorming van laudaet.
Luie of dwaze vrouw (zie MNW i.v. Laudate, WNT i.v. Laudaat). ‖ Is douwe quaet, fel, boos van levene, soo is de myn een landsaet sonder regement, Bruyne 1, 6 [2e h. 16e e.].
Lantmeuken,
zn. Uit lant en meuken (van meu, meeuw).
Eig. bep. soort meeuw (zie de aanh. uit Nieuwe Werelt 3, 54a [1622] in WNT i.v. Land, Samenst. enz. in de bett. 1-3), in de aanh. schimpnaam voor een lichtzinnige of zedeloze (jonge) vrouw. ‖ Locspreukens, lantmeukens, die sotkens bedrieghen, Leuv. Bijdr. 4, 213 [beg. 16e e.].
Lantpol,
zn. Zie MNW i.v.
Boerenpummel (vg. kil.: land-pol. vetus. Rusticus: & Rustica). ‖ Ick woon hijer met eenen Crimpert Oom, De rijckste lantpol, dat weet ick vrij, Dije hijer op seven mijlen rontomme sij, Crimpert Oom 11 [eind 16e e.?].
Lapaert,
zn. Van lapen.
Drinkebroer? Indien in de aanh. in tegenstelling tot hackellaert. is ook de bet. vleier, mooiprater (zie Lappaert) mogelijk. De bet. schooier, enz. (zie MNW i.v. Lapaert) past wel niet in het verband. ‖ Een uutgheloopen monck oft zelcken capaert Crijght nu wel een beelken, wie dat er me spot. Weer eest een hackellaert oft een lapaert, a. bijns, N.Ref. 171, d, 13 [1525].
Lappaert,
zn. Van lappen.
Vleier, mooiprater. ‖ E.W.: Watte treeken dorst hij vuytsteken / die vuyle snappaert men vint ter werlt geen arger clappaert noch snooder lappaert / in eenyge contreyen L.: Hij const soo duvelick smeeken en vleyen om hem te verleyen / const hij wonder talen, Red. en Nat. 777 [2e h. 16e e.].
Opm. Vg. Lapaert.
Lapperdey,
zn. Verwant met het door schuerm. en de bo vermelde labbedei, labbedie, dat in bet. en vorming overeen zou komen met labbekak?
Sul; dwaas mens? ‖ Adieu alle lapperdeys van vreimden ordune, de dene, Langhen Adieu 111 [1560].
Larijcat,
zn. Uit larij, larie en cat.
Leegloopster of babbelkous. ‖ Dese larijcatten, die so mennighen onnutten clap // clappen, Brouwersg. 454 [ca 1560].
Lavetter,
zn. Verwant met lavets(e), domme, luie vrouw (zie WNT i.v. Lavets).
Ellendige, nietswaardige, in de aanh. als ongunstige benaming voor een ketter.‖ Naectelijc sietmen u teghen den lavetter scrijven, a. bijns 177 [1548].
Leepaert, lepaert,
zn. Van leep (zie WNT i.v. Leep (II).
Deugniet, schurk, fielt (vg. kil.: leepaerd… Homo callidus). ‖ Schuyfman 173 [vóór 1504]; Doesb. 246, 247 [vóór 1528]; Meer Gheluck 315 [eind 16e e.?].
Leffe,
zn. Zie WNT i.v. Lef (IV).
Babbelachtige of luie en domme vrouw (vg. kil.: Leffe. vetus. Mulier ineptè garrula; zie ook halma en schuerm. i.v. Lef). ‖ Zietse toch staen den hals moet sy breken, Ey vuyl leffe hoe ben ick met v bedroghen, H.d.Am. Y 7 [m. 16e e.].
Legaert, leechaert,
zn. Van leech, ledig.
Leegloper, luiaard (vg. kil.: Legaerd. Fland.J. ledigaerd / luyaerd. Otiosus, piger; zie ook de bo en schuerm. i.v. Leegaard). ‖ Dien legaert zal noch een galge beschijten, Rederijkersged. 45, 13 [m. 16e e.?]; Ghy leechaerts / zy moeten water drincken die zyn slauende Die voor v behooren te drincken den wijn, Zeven Sp. Bermh. E iiij [1591].
Leyaert,
zn. Zie MNW i.v.
Luiaard. ‖ Si onderhouden mi met alle mijn leyaerden, B.d.Scr. 29 [1539].
Lensch,
zn. Oorspr.?
Sukkel? ‖ Wat sy dij voor een loen // eij arme lensch (× mensch), M.Bedr. Hart 485 [1577].
Lepelleckere,
zn. Uit lepel en lecken met -ere.
Klaploper, tafelschuimer. ‖ Zijdy een schuympere (l. schuymere?) oft een lepelleckere, H.d.Am. V 1 [m. 16e e.].
Lespere,
zn. Zie MNW i.v. Lisper(e).
Stotteraar. – Ick en ben gheen lespere, ik zeg het eerlijk, ronduit? ‖ Men vonter noyt twee die Vrouwen meer gheriefden // Dat dorve ick wel zegghen, ick en ben gheen lespere, H.d.Am. H 4v [m. 16e e.].
Leugevinder,
zn. Uit leugen en vinden met -er.
Leugenaar (vg. Teuth.: loeghen stichter of vynder, fabulo, nugosus, enz.). ‖ Onschamel Clappaerts, end’ Leugevinders, crul, Mont toe 35 [2e kw. 16e e.].
Leverslocker,
zn. Uit lever en slocken met -er.
Die zich ten koste van anderen verrijkt. ‖ O nijdeghe tJeghens / gods gracie strijdende Gram ghesinde / helsche berockers Verwoede ghulseghe / leuerslockers, de roovere, Quicunque 771 [3e kw. 15e e.].
Lijtentijt, lijtentijken,
zn. Uit lijd [van lijden, zie WNT i.v. Lijden (II)] den tijt, tijd.
Doeniet, beuzelaar (vg. kil.: lijd-dentijd. Homo ignauus, otiosus, tempus transigens ignavè; zie ook corn.-vervl. i.v. Lijd-den-tijd). ‖ Hoort ow ghi lijtentijkens en quackernellekens, Nyeuvont 123 [ca 1500]; Ick plach te prijsene alle lijtentijkens, St 2, 191 [vóór 1524]; Zijdy worden een… tijt-verlieserkin… Een lytentijt, cast., Pyr. A iij [ca 1530].
Locspreuken,
zn. Uit locken, lokken en spreuken (van spreu, spreeuw).
In de aanh. schimpnaam voor een lichtzinnige of zedeloze (jonge) vrouw. ‖ Locspreukens, lantmeukens, die sotkens bedrieghen, Leuv. Bijdr. 4, 213 [beg. 16e e.].
Luegencappe,
zn. Uit luegen en cappe.
Leugenaar, kwaadspreker. ‖ Zij hebben tghesongen, om dat liefde sou slappen, Als onbedwongen valsche luegencappen, Die benijden altijt reyn jonste gemeynlijck, a. bijns, N.Ref. 143, d, 6 [beg. 16e e.].
Lueghenetap,
zn. Uit lueghene en tappen.
Leugenaar. ‖ Voorwaer ghy zyt een lueghenetap, everaert 454 [1530].
Lueghentapper,
zn. Uit lueghen en tappen met -er.
Leugenaar. ‖ Dye niet en acht op lueghentappers, de roovere 243 [3e kw. 15e e.].
Opm. Ook bij g. meurier, Colloques-Tsamencoutinghen E 4b.
Luerken,
zn. Van luer (zie WNT i.v. Leur (I).
Deugniet. ‖ De bedriegherkins / ghaen nv met den luerkins, de roovere, Quicunque 776 [3e kw. 15e e.]; Twee gerechte luerkens, Trauwe 878 [1595].
Luijsack,
zn. Zie MNW i.v. Luussac.
‘Luiszak’, in de aanh. als schimpnaam gebezigd (vg. kil.: Luys-sack. Pediculosus; vg. ook corn.-vervl.). ‖ H.: Wat meijndy ghij luijsack (lees of versta: luijssack, en wel niet luy-sack, zoals bij v.d. venne, aang. in WNT i.v. Lui (II), Samenst., enz.) F.: wat segt gij lecplateel, Berv. Br. 285 ]ca 1520].
Lustichaert,
zn. Van lustich?
Pretmaker? ‖ Een lustichaert een rustichaert ende een snellaert Die wraken de moort aen eenen roetaert, Doesb. 247 [vóór 1528].
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.