Al lezende in Ogier van Denemerken – 8

Al lezende in Ogier van Denemerken – 8 : Dramatische aftocht

Amand Berteloot
De Sarrazenen hebben Rome bezet en Karel de Grote probeert de stad voor de christenheid te heroveren. Sultan Karahen heeft zich uit protest tegen de verraderlijke manier waarop zijn geloofsgenoten Ogier gevangen hebben genomen, naar het kamp van de christenen begeven en zich bij Karel als gijzelaar aangeboden. Door middel van een list lukt het Karels troepen uiteindelijk binnen te geraken in de door de Sarrazenen bezette stad. Terwijl de christenen de stad straat per straat heroveren, heeft de Sarrazeense ‘ammirael’ Cursabel zich met zijn legeraanvoerders in de citadel (‘het palas’) teruggetrokken om over de voortzetting van de strijd te beraadslagen. De koning van Montbrant stelt zonder omwegen voor:

Herr ammirael min, wijc pallas
Und seyle wij zu der zee wert,
Unendlich ist zergangen unser vart. (3977-3979).

Met deze regels heeft Ludwig Flugel, de kopiist van het Heidelbergse handschrift, een stuk tekst geproduceerd, dat noch Duits noch Nederlands is, en dat men niet zomaar begrijpt.
We zijn als lezers in zo’n geval meestal dankbaar als de teksteditor ons een steuntje in de rug geeft. Hilkert Weddige wijst de weg, door “wijc pallas” in vers 3977 in een voetnoot te vertalen als “gib den Palast auf”. Dat klinkt in de verhaalcontext logisch, maar staat dat er werkelijk? Die scepsis verdwijnt niet als we het woord ‘wijchen’ in het glossarium achteraan in het boek opzoeken. Onder verwijzing naar Middelnederlands ‘wiken’ wordt dit door Weddige vertaald als “weichen” resp. “kapitulieren”, maar in de lijst van vindplaatsen wordt vers 3977 niet genoemd. Dat deze verklaring niet overtuigend klinkt, heeft twee oorzaken. Op de eerste plaats is het Middelnederlandse werkwoord ‘wiken’ evenals het Middelhoogduitse ‘wîchen’ onovergankelijk. Dat betekent dat ‘pallas’ onmogelijk als lijdend voorwerp bij ‘wiken / wîchen’ kan fungeren. Welke syntactische functie kan het dan wel hebben? En ook als we bereid zouden zijn ‘palas’ als object te interpreteren, dan blijft ten tweede nog de vraag waarom het substantief ‘palas’ geen lidwoord bij zich heeft.
Laten we die laatste vraag het eerst bekijken: Waarom ontbreekt het lidwoord bij ‘palas’? Of moeten we niet eerder vragen: Ontbreekt het lidwoord werkelijk? Het voorafgaande woord ‘wijc’ eindigt op een ‘c’, een letter die middeleeuwse kopiisten graag met een ‘t’ verwisselen. Zoeken we in die richting, dan verandert ‘wijc pallas’ in ‘wij tpalas’, wat een interessante combinatie vormt van én een subject én een object met voorafgaand lidwoord. Vervelend is alleen dat bij deze interpretatie het predicaat in de zin verloren is gegaan. Of staat ook dat ergens anders?
Het eerste deel van vers 3977 doet zich – dat suggereert ten minste de komma na ‘min’– als een aanspreking voor. Bij nader toezien is “Herr ammirael min” ook merkwaardig. Het is heel gewoon dat de onderdanen Cursabel aanspreken als ‘heere ammirael’, maar het is zeer ongewoon daar het possessief pronomen ‘mijn’ achter te plaatsen. Met andere woorden: ‘min’ is in deze context op zijn minst verdacht. Is dat een possessief pronomen of zou het eventueel het gezochte predicaat kunnen zijn? Dat laatste lijkt heel goed mogelijk, want de nevengeschikte zin in vers 3978 blijkt volkomen parallel gestructureerd te zijn met vers 3977: ‘X wij tpalas’ (waarbij ‘X’ vervangen moet worden door het nog nader te bepalen predicaat) loopt syntactisch gelijk op met de nevengeschikte zin “seile(n) wi ter see wert”. Maar welk werkwoord kan er achter ‘min’ schuil gaan, wanneer we er rekening mee houden dat het transitief moet zijn om ‘tpalas’ als object te kunnen regeren, en de betekenis ‘prijsgeven’ moet hebben? Gelet op deze condities is het antwoord niet meer moeilijk. Hier komt alleen nog het Middelnederlandse werkwoord ‘rumen’ (“ontruimen, verlaten”) in aanmerking. Hoe komt LuFl van ‘rum(e)’ naar ‘min’? Waarschijnlijk wanneer men het werkwoord ‘rumen’ niet kent of verkeerd leest en vervangt door iets wat erop lijkt, bijvoorbeeld doordat het precies evenveel beentjes heeft als het uitgangswoord. De syncope van de slot-n vóór navolgend subject ‘wi’ is in het Mnl. heel gewoon (vgl. A. van Loey, Middelnederlandse Spraakkunst, 1 Vormleer  § 49g en 2 Klankleer § 105c). De brontekst van LuFl luidde dus op deze plaats vermoedelijk:

Heere ammirael, rume(n) wi tpalas
ende seile(n) wi ter see waert.

Daarmee geeft de koning van Montbrant niet alleen een goede raad, maar het is ook precies dat wat Cursabel in de volgende verzen zal doen. Maar het probleem is nog niet opgelost, want de betekenis van vers 3979 is nog steeds onduidelijk:

Unendlich ist zergangen unser vart.

Ook hier krijgen we wat hulp van Weddige. In het glossarium vinden we het trefwoord ‘unendlich’, dat als bijwoord wordt gekarakteriseerd en onder verwijzing naar Mnl. ‘onendelike’ vertaald wordt als: “schlecht, erbärmlich”. Vanuit het Mnl. verwondert ons deze vertaling wel heel erg, want Mnl.‘onendelike’ betekent volgens het MNW “oneindig lang, tot in het oneindige, eeuwig”. Dat is ook de grondbetekenis van Mhd. ‘unendelîche’, maar hier heeft het woord daarnaast ook nog een aantal andere connotaties: “unentschieden; […] zwecklos, ohne erfolg, unnütz, untüchtig, träge, erbärmlich, liederlich, schlecht” (M. Lexer, Mittelhochdeutsches Handwörterbuch. II, 1818 – 1819). Weddige schijnt dus gelijk te hebben: In de interpretatie van Flugel betekent deze zin: “onze veldtocht is op een erbarmelijke manier ten einde gegaan”. Maar is dat ook wat de Nederlandse auteur bedoelde?
Om daarachter te komen, vragen we ons af of deze beoordeling van de mislukte veldtocht op deze plaats plausibel is. Dat kunnen we alleen maar opmaken uit de reactie van Cursabel en zijn gevolg op deze uiting van de koning van Montbrant. Die ziet er als volgt uit:

Iemittes lieffen sie uß zu der ture,
Sine beidden na geachte mure,
Me si fluhent gereit, sij uch kunt
Zu den schiffen werts die da stunde
Gereyt nacht und tag. (3980-3984)

Ook deze verzen zijn voor een deel raadselachtig, maar zoveel is duidelijk: Cursabel en zijn gevolg slaan onmiddellijk op de vlucht, want er schijnt haast bij te zijn. De vaststelling dat de voorbije veldtocht niet naar wens verlopen is, kan eigenlijk niet de oorzaak zijn voor een overhaaste vlucht, want Cursabel moet op dat ogenblik zelf al lang in de gaten hebben gehad dat hij het onderspit aan het delven was. Daar moet dus iets anders achter zitten, maar wat?
Laten we eerst de tweede geciteerde passage nader bekijken, want ook die is alles behalve duidelijk. Gaan we, zoals steeds, eerst te rade bij Weddige. Daar vinden we in de voetnoot als vertaling voor vers 3981: “Sie warteten nicht, noch beachteten sie die Mauer”. Daar wordt nog aan toegevoegd dat “na geachte mure” waarschijnlijk verbasterd is uit Mnl. ‘na achter [mure]’, wat dan zou betekenen “hinter der Mauer”. De combinatie ‘na achter’ klinkt erg vreemd en werd door Verdam maar één keer aangetroffen en wel in een Boethius-citaat (MNW s.v. ‘vorecomen’): “De dijnghen …, dewelke by der gheregheltheit (het fatum) beleidt of ghevought werden in haer voorcommen, gheordineertlic na voren ende na achter (naar tijdsorde?) zonder enighe confusie ofte ongheordineirtheit.” Dat moet dus zoveel betekenen als ‘naar voren en naar achteren’ en is dus volkomen vreemd aan vers 3981 van Ogier van Denemerken. Minstens even vreemd als “na geachte” is het optreden van die muur. Waarom zou er een muur zijn tussen de citadel en de haven, waar permanent een schip ligt te wachten? En als dat zo was, waarom zou men dan acht moeten geven (Duits ‘beachten’) op die muur? Of waarom zouden ze achter die muur (“hinter der Mauer”) moeten wachten? Het commentaar van Weddige roept dus meer vragen dan antwoorden op en geeft geen verklaring voor de ongerijmdheden in deze zin. Waar komt die muur vandaan?
Bekijken we vers 3981 nog eens nauwkeurig. Er wordt meegedeeld dat Cursabel en zijn gevolg de deur uitvluchten zonder te wachten (Mnl. ‘beiden / beeden’) op iets dat “geachte mure” wordt genoemd. Dat lijkt iets te zijn, waar men onder dergelijke omstandigheden normaal gezien wel op zou letten, wat men wel zou meennemen of in ieder geval niet zou achter- of nalaten. Wie zich wat intensiever met Flugels kopieertechniek heeft bezig gehouden, heeft nu al lang in de gaten wat er aan de hand is. De Heidelberger heeft weer eens een voor hem onbekend woord nonchalant letter per letter afgeschreven, waarbij leesfouten niet van de lucht zijn. Het vreemde “(ge)achte mure” is niets anders dan het in het Mnl. gebruikelijke Franse leenword ‘achemure’ met de betekenis “opschik, tooi, uitrusting.” Cursabel en zijn gevolg gingen zich dus niet verkleden of hun wapenrusting aantrekken, maar sloegen meteen op de vlucht zoals ze er bij stonden. Het woord ‘achemure’ komt vaker voor in Ogier van Denemerken. Volgens het glossarium van Weddige vindt men het niet minder dan tien keer. Flugel verbastert het woord bij zijn eerste optreden tot “acclamure” (vers 444), daarna vindt men het als “achemure” in de verzen 1860, 7259, 7821, 9525, 9540 en 20039. Dat neemt evenwel niet weg dat er tussendoor noch andere spannende varianten te vinden zijn: “haetstmure” in vers 7539, “hatschemure” in vers 16490 ) en “haetschemure” in vers 18176. In de regels 3353 en 19156 lezen we verder ook het voltooid deelwoord “gehaetsemeert”, dat van de infinitief ‘achemeren’ is afgeleid. De in Weddiges glossarium niet geregistreerde variant “geachte mure” in vers 3981 is zonder twijfel de meest gewaagde die Flugel heeft bedacht, maar de Heidelbergse kopiist is in zekere zin verontschuldigd door het feit dat het woord in zijn legger waarschijnlijk ook in een aantal avontuurlijke spellingvariaties voorkwam.
De verzen 3981-3982 luidden dus in het Middelnederlands vermoedelijk:

[…] si ne beeden niet na der achemure,
mer si vloen ghereet […]

Belangrijk is de vaststelling dat Cursabel en zijn gevolg na de inbreng van de koning van Monbrant hals over kop de citadel verlaten en niet eens de tijd nemen om zich om te kleden of om een wapenrusting aan te trekken. Dat versterkt dus onze indruk dat vers 3979 een aansporing moet bevatten om zo snel mogelijk te verdwijnen. Hoe kan die er uitgezien hebben?
In vers 3979 staan drie woorden die nader onderzoek verdienen: “unendlich”, “zergangen” en “vart” Beginnen we met het laatste. ‘Krijgstocht’ de interpretatie van HiWe, is zonder meer mogelijk, maar ‘vaert’ betekent op de eerste plaats gewoon ‘reis, tocht’. Wanneer we er nu rekening mee houden dat in vers 3978, dus onmiddelijk daarvóór, sprake is van een zeiltocht over zee, dan ligt het voor de hand om ‘vaert’ direct met deze zeereis in verbinding te brengen.
Het tweede woord, Mhd. “zergangen” correspondeert met Mnl. ‘teganghen’, het voltooid deelwoord van ‘tegaen’. Wanneer dit werkwoord een zaak als onderwerp heeft, dan onderscheidt het MNW  vier verschillende betekenisclusters: (1) “te niet gaan, vergaan, ophouden te bestaan”; (2) “een einde nemen, eindigen, voorbijgaan”; (3) “verdwijnen”; (4) “vervallen, afnemen, achteruit gaan, minder worden”. Weddige heeft zich vermoedelijk aan het tweede betekeniscluster georiënteerd toen hij ‘unendlich’als ‘slecht’ interpreteerde: “onze veldtocht is slecht afgelopen”. In verband met de zeiltocht van daarnet en de overhaaste aftocht van Cursabel en zijn gevolg lijkt de eerste betekenis echter veel waarschijnlijker: “Heer admiraal, laten we de citadel opgeven en zeewaarts varen, voordat onze tocht onmogelijk wordt gemaakt / te niet wordt gedaan”, m.a.w. “laat ons verdwijnen voordat Karel en de zijnen ons de weg afsnijden”. Dat is inderdaad een argument dat tot haast aanzet.
Dan blijft nog het woord “unendlich” over, dat door Weddige als een bijwoord werd geïnterpreteerd. De kans is groot dat er in de Mnl. legger op deze plaats niet een bijwoord maar een onderschikkend voegwoord met de betekenis ‘vooraleer, voordat’ heeft gestaan, dat Flugel niet als zodanig heeft herkend. De grootste overtuigingskracht zou onze argumentatie hebben, mochten we een passend voegwoord vinden, dat ook nog op ‘unendlich’ lijkt. Dat is niet zo makkelijk, maar het MNW biedt wel een samenvoeging ‘vore ende eer’ aan met de betekenis ‘vooraleer’, die perfect in de context past en die bovendien in het midden het element ‘ende’ bevat, dat ook in ‘unendlich’ voorkomt. We reconstrueren de geciteerde verzen daarom als volgt:

“Heere ammirael, rumen wi tpalas
ende seilen wi ter see waert.
vore ende eer teganghen es onse vaert.”
Mettien liepen si uter dore,
sine beeden niet na der achemure,
mer si vloen ghereet, si u cont,
ten scepe waert, dat daer stont
ghereet nacht ende dach. (3977-3984)

Dat het in de verzen 3983-3984 niet om meerdere, maar slechts om één enkel schip gaat, blijkt uit wat volgt. En het rijm ‘dore : achemure’ is met zijn ‘eu’-klank zo West-Vlaams als het maar kan. Maar daar hebben we het al eerder over gehad.
Brock, september 2012
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.