Al lezende in Ogier van Denemerken – 7

Al lezende in Ogier van Denemerken – 7 : De heren Capartz en Thomaring

Amand Berteloot

Als Ogier weigert zich met Karel te verzoenen zolang deze niet bereid is hem de moordenaar van zijn zoon uit te leveren, komt het tot een heftig handgemeen in Karels paleis. Ogier weet dank zij de hulp van Willem Fierebras uit het paleis en uit Parijs te ontsnappen en is daarna dagenlang samen met zijn schildknaap Reynier onderweg. Als ze eindelijk een plaats hebben gevonden waar ze kunnen uitrusten, hun honger en dorst stillen en hun wonden verzorgen, horen ze opeens het geweeklaag van een vrouw. Als ze haar vinden, vertelt ze dat daar vlakbij een burcht is, waarvan de burchtheer iedereen die in de buurt komt, overvalt en in de gevangenis gooit. Net is haar vriend door een van de ridders uit het kasteel gevangen genomen en nu met hem op weg naar de burcht. Ogier laat Reynier, die geen paard heeft, bij de jonkvrouw achter en achtervolgt het koppel met de bedoeling ze in te halen voordat ze de burcht bereiken. Dat lukt, en in een tweegevecht doodt Ogier de ontvoerder en bevrijdt de gevangene. Vóór ze naar de jonkvrouw en Reynier terugkeren, vangen ze nog het paard van de gedode ridder voor Reynier. In het Heidelbergse handschrift luidt deze passage als volgt:

Und als sie es hetten, kerten sie schier
Die zwene ritter ungespart
Zu der jumpfrauwen wert,
Bi welcher da saß Reynier
Der sere ontsah, das sin her Ogier
In Capartz lage were geracht. (7746-7751)

De geciteerde verzen leveren weinig moeilijkheden op. Alleen regel 7751 is niet meteen duidelijk. Problematisch is vooral “in Capartz lage”. Weddige wijst er in een voetnoot op dat het woord dat hij in zijn editie met “Capartz” weergeeft, niet boven alle twijfel verheven is. In het handschrift valt moeilijk te onderscheiden of er “capartz” dan wel “taparz” (uiteraard met een kleine letter) staat. Maar één ding is voor hem zeker: ‘Capartz’ is de naam van de ridder die net tevoren door Ogier is verslagen. In overeenstemming met deze voetnoot vinden we in het ‘Namenverzeichnis’ bij Weddiges editie onder het trefwoord ‘Capartz’ naast een verwijzing naar een vergelijkbare episode in de ‘Erec’ van Hartmann von Aue dan ook de informatie: “Ritter, enführt amijs einer Frau, von Og[ier] getötet.” Maar naast ‘Capartz’ is er ook nog het woord ‘lage’. Het Mnl. substantief ‘lage’ heeft een breed betekenisspectrum. Naast “ligging”, “nachtverblijf, logies”, “bergplaats, schuur” en “laag” betekent het volgens het MNW ook “hinderlaag”, “toestand, gesteldheid” enz. Desondanks is voor Weddige ook hier geen twijfel mogelijk. In zijn glossarium verklaart hij ‘lage’ in vers 7751 uitdrukkelijk als “Hinterhalt”. ‘In Capartz lage’ betekent voor Weddige dus zoveel als ‘in de hinderlaag van Capartz’.

De vermeende naam ‘Capartz’ komt in de tekst compleet uit de lucht vallen. De jonkvrouw heeft de ridder die haar vriend gevangen heeft genomen, niet bij name genoemd, al weet ze verder wel enige belangrijke details over hem mee te delen. Vóór het gevecht heeft Ogier op zijn beurt een uitvoerig gesprek met hem gehad, maar ook daar is geen enkele keer de naam ‘Capartz’ gevallen. In de verzen 7967-7969 komen we tenslotte nog te weten dat de ridder de broer van de burchtheer is, maar ook daar wordt geen naam genoemd, noch van de ridder, noch van de burchtheer. Omdat de ridder eigenlijk alleen de handlanger is van de burchtheer, zou men op het idee kunnen komen dat ‘Capartz’ niet de naam van de ridder, maar die van diens broer zou moeten zijn, want hij is het die passerende ridders in de gevangenis gooit, maar ook daar is in de tekst geen enkele aanwijzing voor te vinden. De naam ‘Capartz’ staat met andere woorden helemaal los van elke context en de lezer kan er dus helemaal niets mee verbinden. Nog een belangrijk detail in de marge: Even zeker als van het feit dat ‘Capartz’ een eigennaam is, schijnt Weddige ervan overtuigd te zijn dat ‘Capartz’ dan ook meteen de nominatiefvorm van deze naam is, en dat terwijl de woordgroep ‘in Capartz lage’ zonder twijfel een genitief veronderstelt, wat op zjjn beurt de nominatief ‘Capartz’ weliswaar niet uitsluit, maar de vorm ‘Capart’ op zijn minst even waarschijnlijk maakt. Alles bij elkaar hebben we dus reden genoeg om Weddiges interpretatie in twijfel te trekken.

Het MNW kent een Mnl. woord ‘cappaert’. Het blijkt erg zeldzaam te zijn, want Verdam heeft er maar één vindplaats voor ontdekt. De betekenis is echter makkelijk uit de context af te leiden: Een ‘cappaert’ is iemand die een kap draagt, meer bepaald een kloosterling of een monnik. Het woord heeft zich in Vlaanderen blijkbaar tot een eigennaam ontwikkeld. In hun Woordenboek van de Familienamen in België en Noord-Frankrijk signaleren Frans Debrabandere en Peter de Baets de naamvarianten ‘Cappa(e)rt’, ‘Capa(e)rt’, ‘Caphaert’ en ‘Kappert’, die allemaal van het substantief ‘cappaert’ zijn afgeleid (223). Het woord moet dus ruimer verspreid geweest zijn dan de éne vindplaats in het MNW laat vermoeden.

Wanneer we nu in aanmerking nemen dat Mnl. ‘lage’ niet noodzakelijk “hinderlaag” hoeft te betekenen, maar ook “toestand, situatie”, dan kunnen we ‘in cappaerts lage’ vertalen als ‘in de situatie van een monnik’ d.w.z. opgesloten achter kloostermuren oftewel in de gevangenis. En dat is precies wat Reynier in onze tekst denkt: Als Ogier niet terugkeert, is hij misschien wel gevangen genomen en in de kerker van de burcht terecht gekomen. Daarmee kunnen we de geciteerde verzen als volgt hertalen:

Ende alse sijt [bedoeld is het paard van de gedode ridder] hadden, keerden si sciere,
die twee rudders, onghespaert
ter joncfrauwen waert,
bi der welker sat Reynier,
die seere ontsach dat sijn heere Ogier
in cappaerts laghe ware gheraect. (7746-7751)

Wie in OvD kennis maakt met ridder Capartz, heeft in vers 5031 al een ontmoeting achter de rug met een andere vreemde vogel, nl. “her Thomaring”. Laten we ter oriëntering eerst even de context bekijken. Als Ogiers vader Godefroot sterft, geeft Karel de Grote aan Ogier, die als gijzelaar aan het hof verblijft, toestemming om naar Denemerken te reizen en daar de opvolging van zijn vader te regelen. Hij verlangt wel dat Ogier een andere persoon, die hem zeer dierbaar is, als gijzelaar te Parijs achterlaat. Daarop laat Ogier zijn zoon Boudijn, die op dat ogenblik bij zijn moeder te Sint Omaars verblijft, naar Parijs komen. Als Ogier daarna vertrekt, voelt Karel zich in hoge mate verantwoordelijk voor het welzijn van Boudijn en hij verliest hem geen ogenblik uit het oog. Wanneer Charloot, Karels zoon, korte tijd daarna een jachtpartij organiseert, waaraan ook Boudijn deelneemt, kan Karel, die al wat op jaren gekomen is, de jongelui niet meer bijhouden. Daardoor is hij niet aanwezig op het ogenblik dat Boudijn tot twee keer toe aan Charloot laat zien dat hij hem bij het achtervolgen en doden van het wild de baas is. Charloot windt zich daar erg over op en scheldt de totaal verbouwereerde Boudijn uit met drastische woorden:

Dis hatt Charlote nit groet
Und reit zu Baldewijn wert
Lude roepende: “wol basthart,
Puten son, unwert keytijff,
Got vermaledye uwern lijff!
Sint ir kommen in dise land
Umb laster und umb schand
Mir zu tun und den mynen?
Bi miner truwen, her sal uch schijnen,
Ich sal uch furen nach uwerm recht.
Was meynent ir unwerder knecht,
Hette man uwerm vatter recht getan,
Er hette gehangen sonder waen
Lang ee ir werent geborn.
Nu wollent ir uch tun her vor
Zu allen sachen, got geb uch schand.
Min vatter ist herre von disem land,
Und ir wollent mich schynt zwingen hie.
Uch wurt gebrauwen sollich een bier
Ee ich wane essen, in ware ding,
Das uch were beßer, her Thomaring,
Hadden ir zu Sant Omaers ewiclich
Blieben wol oetmoediclich.” (5011-5033)

Zoals zo vaak is het geen grote kunst, te begrijpen wat Ludwig Flugel, de kopiist van het Heidelbergse handschrift, heeft geschreven, maar waarom noemt Charloot Boudijn in deze scheldtirade “her Thomaring”? Weddige heeft daarop in de voetnoot een interessant antwoord paraat. Hij splitst de naam op in drie stukken, nl. ‘Th-omar-ing’ en vertaalt ‘her Thomaring’ als “Herr zu (Sant) Omaers (gehörig).” In zijn namenregister achterin het boek vermeldt hij ‘Thomaring’ evenwel onder het trefwoord ‘Thomas’ en karakteriseert het als een spotnaam.

De associatie van ‘Thomaring’ met ‘Sint Omaers’ ligt voor de hand omdat deze plaats in de regel 5033 expliciet genoemd wordt en vooral omdat het element ‘Omar’ de kern van de naam ‘Thomaring’ lijkt te vormen. Maar dan moeten nog de ‘th’ aan het begin en het suffix ‘-ing’ aan het einde verklaard worden. Interessant is, dat er inderdaad een familienaam bestaat, die van de naam ‘Omaar’ is afgeleid en met een prothetische ‘t’ begint, nl.’ Thomaere’, ‘Thomart’, ‘Tamar’ (Debrabandere & De Baets 1205). De oudste attestatie van deze naam hangt zelfs direct met Sint Omaers samen, want een in 1378 vermelde, uit Ieper stammende ‘Jacob van Sintomaers’ wordt een jaar later ‘Coppine van sente Thomaers’ genoemd. Een van ‘(Sint) Omaars’ afgeleide en op het suffix -ing eindigende naam vermelden Debrabandere en De Baets evenwel niet. Dat hoeft ons niet te verwonderen want het naamsuffix ‘-ing’ (met de betekenis ‘behorend bij’) is in Vlaanderen nauwelijks bekend. In het Duits-Nederlandse grensgebied daarentegen plukt men de ‘ing’-namen bij bosjes uit het telefoonboek: Ehling, Ewing, Stewing, Boeing, Hüning, Höing enz. Is ‘-ing’ dus een toevoegsel van Flugel? Vermoedelijk eerder niet, want het rijmt op ‘ding’ en zal dus wel origineel zijn. Alles bij elkaar genomen lijkt de verbinding van ‘Thomaring’ met ‘Sint Omaars’ niet van de hand te wijzen, maar het blijft een raadsel waarom men een naam met de betekenis ‘iemand uit Sint Omaars’ als spotnaam zou gebruiken. Is dit zoiets als ‘Schildbürger’ in het Duits, waar men de spot drijft met de zogenaamd domme burgers van Schilda? Vonden de Parijzenaars de inwoners van Sint Omaars achterlijk?

Dat Sint Omaars en Sint Thomas voor Flugel met elkaar samenhangen, blijkt uit de manier waarop hij de plaatsnaam verbastert. In vers 5032 heeft hij hem om een of andere reden letterlijk gekopieerd, maar dat is een uitzondering. In vers 601, waar de plaatsnaam in een Nederlands fragment geattesteerd is, maakt hij van ‘Sint Omaars’ in een handomdraai ‘Sant Amand’. En in vers 4248 wordt daaruit moeiteloos ‘Sant Thoman’. Dit ‘Thoman(n)’ is een Oudhoogduitse vorm voor ‘Thomas’, die in Urach al in 1383 als familienaam geattesteerd is (Debrabandere & De Baets 1205). ‘Thomaring’ zou dus via ‘Thoman-ring’ ook van ‘Thomas’ afgeleid kunnen zijn, maar dan zou er nog een goede verklaring voor het element ‘-ring’ gevonden moeten worden. En er zou ook nog uitgelegd moeten worden waarom het geheel als spotnaam gebruikt kon worden. Gelet op Weddiges interpretatie “Herr zu (Sant) Omaers (gehörig)” schijnt hij zelf de verbinding met ‘Thomas’ niet zeer waarschijnlijk te achten.

Beide interpretaties van Weddige zijn niet echt bevredigend, vooral omdat er geen enkele reden te verzinnen valt waarom deze naam uitgerekend als scheld- of spotnaam gebruikt zou worden. Met het geval van ridder Capartz in het achterhoofd moeten we ook de mogelijkheid in aanmerking nemen dat ‘thomaring’ helemaal geen naam, maar een simpel substantief is.

Wanneer we ons voor ogen houden dat de legger van Flugel een middeleeuws manuscript van Vlaamse origine was, dan weten we ook dat de Heidelberger daarin geconfronteerd werd met abbreviaturen enerzijds en met Vlaamse taalkenmerken anderzijds. Dat hij daar soms heel willekeurig mee omging, is een andere kwestie, maar ook die moeten we in het oog houden. Als men in het woord ‘thomaring’ iets kon afkorten, dan was het in ieder geval de nasaal na de ‘o’. In Flugels legger kan daar heel goed een ‘o’ met daarboven een liggend streepje gestaan hebben. En iedereen die ooit een middeleeuws manuscript heeft gezien, weet dat de oplossing van deze abbreviatuur zowel ‘om’ als ‘on’ kan zijn. Dat levert ‘thonaring’ op in plaats van ‘thomaring’ en dat is in Vlaanderen hetzelfde als ‘tonharing’. Gelet op de vele vrijheden die Flugel zich veroorlooft, is de kans zelfs heel groot dat de ‘h’ er wel degelijk gestaan heeft en dat Flugel hem in zijn interpretatieijver alleen naar een andere plaats verschoven heeft.

Als we al op zoek zijn naar een woord dat als scheld- of spotnaam gebruikt kan worden, is ‘tonharing’ dan niet de ideale kandidaat? Het past voortreffelijk naast “bastaert”, “puten sone” en “onwert keytijf” (5013-5014) want het is volgens het MNW de benaming voor de “(in een ton) in de schuit gezouten haring en daardoor minder duurzaam dan andere gezouten haring.” Tonharing is in ieder geval van mindere qualiteit dan andere haring. Dat Charloot Boudijn minder van stand acht dan hijzelf, de koningszoon, is, is de teneur van zijn hele scheldrede. En als je voor het woord ‘tonharing’ ook nog ‘meneer’ zet, dan is de ironie perfect.

We hebben dus een hele goede reden om de heer Thomaring samen met ridder Capartz de laan uit te sturen en de geciteerde verzen in het Mnl. als volgt te hertalen:

Dies hadde Charloot nijt groot ende reet te Boudine waert
lude roupende: “Wel bastaert,
puten sone, onwerde catijf,
God vermalendide u lijf!
Sidi comen in desen lande
omme lachter ende scande
mi te doene ende den minen?
Bi mijnre trauwen, het sal u scinen.
Ic sal u voeren na u recht.
Wat meendi, onwerde cnecht,
hadde men uwen vader recht ghedaen,
hi hadde ghehanghen sonder waen
langhe eer ghi waert gheboren.
Nu wildi u doen voren in allen saken. God gheve u scande.
Mijn vader es heere van desen lande
ende ghi wilt mi sint dwinghen hier.
U wert ghebrauwen sulc een bier,
eer ic wane eten in ware dinc,
dat u ware beter, heere tonharinc,
ghi waert te Sinte Omaers ewechleke
bleven wel oetmoedeleke.” (5011-5033)

Van wat ridder Capartz en de heer Thomaring kon overkomen schijnt bij Flugel zelfs iemand als Namels van Bavier niet gevrijwaard te zijn. In de verzen 22147-22152 beloven de zonen van sultan Karahen absolute trouw aan hun vader:

Broyer unserm kunig
Wollen wir ee abgeen, daz mogent ir mercken,
Ee wir uch, vatter, verwerckent.
Was ir wollent, das wurt getaen,
Und was her Namels, sunder waen,
Ab komen mag uf uns luden.  (22147-22152)

Ondanks het feit dat Namels in deze context niets verloren heeft en dat noch Karahen noch een van zijn zonen tot gehoorzaamheid aan Namels verplicht zijn, volgt Weddige ook hier de tekst van Flugel op de voet en vertaalt de verzen 22151-22152 als: “und was auch immer Herr N[amels] […] uns überträgt”. Bedoeld is naar alle waarschijnlijkheid:

Broyiere, onsen coninc,
willen wi eer ave gaen, dat moghedi merken,
eer wi u, vader, verwerken.
Wat ghi wilt, dat wert ghedaen,
watter hier namaels, sonder waen,
of comen mach up onslieden. (22147-22152)

Brock, september 2012

Bibliografie

Debrabandere, Frans met medewerking van Peter de Baets: Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk. Grondig herziene en vermeerderde uitgave, Amsterdam / Antwerpen 2003.

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.