Middelnederlandse scheldwoorden 5

Merkt u ook dat er in uw omgeving op een eigenaardige manier gescholden wordt? Dat komt door de reeks Middeleeuwse scheldwoorden op Neder-L. Vandaar dat ik hier weer een follow up geef uit het Rethoricaal Glossarium van Mak. Dit is de basislijst, hier komen de aanvullingen:
Danckaert,
zn. Oorspr.?
? ‖ Een mallaert vulde met cretsaert den danckaert, Doesb. 246 [vóór 1528].
Danteloose,
zn. Bijvorm van dantelorie, wufte vrouw, ijdeltuit (zie WNT i.v.)?
Dantelorie? ‖ Danteloose, een vrouvve, Antw. Sp. Qqq iiij [1561] (lijst van personages).
Deyn (I),
zn. Zie WNT i.v. Dein (I).
Onhebbelijk, onbeschoft persoon (vg. kil.: deyn. homo auarus, sordidus [sordidus kan echter óók ‘gierig’ betekenen]). ‖ Die haer blameerde, waer wel een deyn, a. bijns, N.Ref. 111, d, 6 [1e kw. 16e e.]; H.d.Am. 371* [m. 16e e.]; Ghelijc den deyne // is u corrumpeeringhe, Smenschen gheest 162 [ca 1560?]; My deert dat hem (t.w. de boer) oyt deyn / sulck onnut welpen // hiet, Haagsp. k iv [1561] (hic? Of = vrek? Of als bn. = vrekkig?).
Opm. Mogelijk reeds mnl., vg. ‘Desen quaden valschen deyn’, aang. in MNW i.v. Dein, Aanm. [1e h. 15e e.]. Wellicht behoren hiertoe ook twee plaatsen in WNT i.v. Dein (I) onder de bet. 2) ‘Lijs, sul, lummel’ geplaatst, t.w. ‘Ten schijnt gheen deyn, stijfhals noch taeyaert’, cast., Pyr. 10 [ca 1530] (ofschoon deyn hier m.i. eerder syn. zal zijn van stijfhals en taeyaert, dus ‘vrek’ zal betekenen) en ‘Daer sijn seven vryers die my vervolgen… Het sijn som ghilden, het syn som deynen’, houwaert, Lusth. 3, 163 [1582-’83]. Onduidelijk tenslotte blijft de volg. plaats uit Zeven Sp. Bermh. C iijv [1591]: ‘Die sorghe maeckt hem so vrack (= vrekkig?) als een deyn Eyghen liefde en Giericheyt maken hem so onreyn’ (is vrack = vrekkig, dan zal deyn wel ‘vrek’ moeten betekenen).
Dootcnower,
zn. Uit doot en cnowen met -er.
In de aanh. (ongunstige?) benaming voor slager of slachter. ‖ Ick vinde hier nscrijft van die vleijshowers, deese dootcnowers / diemen over al vint, Gr. Hel 982 [ca 1564].
Dorpclouwen,
zn. Uit dorp en clouwen; vg. voor het 2e lid p. heyns, Spiegh.d.Wer. 72b: ‘De boeren syn slechter, ia bot als een clouwen’ (in WNT i.v. Klouwen (I) en vg. Clouwenachtich (waarin het aspect der armoede of liever gierigheid domineert).
Boerenpummel? ‖ T.: Den Boer salt al betalen / is tscrijchs woordt ghemeyn. L.: En swijghen als een dorpclouwen / oft arm frater, Haagsp. f iijv [1561].
Douckachtich,
zn. Van douck, doek.
Op vrouwen gesteld of naar vrouwen verlangend. ‖ Altemets dat jc ooc douckachtich zy, everaert 287 [1529].
Dralaert, draijlaert,
zn. Zie MNW i.v.
Talmer (vg. kil.: draeler / draelaerd. Cunctator, cunctabundus, cessator). ‖ Doesb. 247 [vóór 1528]; Leckert. 102 [1541]; H.d.Am. Aa 3v [m. 16e e.].
Drale,
zn. Van dralen.
Sukkel? ‖ Wat vintmen menigen drale Die een cleen sake maken herde breet, Doesb. 262 [vóór 1528] (St 1, 13 [vóór 1524] heeft hier rale (1. drale?).
Opm. Mogelijk hetzelfde als drael in Ovl. Lied. en Ged. 138: ‘Secht mi, wouter, lieue drael, Wat pande wildi hebben’, aang. in MNW i.v. Drael.
Driakel-cooper,
zn. Uit driakel en coopen met -er.
Kwakzalver. ‖ Tant-treckers / ende Driakel-coopers Makelaers ende Rosch-tuysschers / zit achter int beste, Veeld. Gen. D. 159 [16e e.].
Dryakelprouver,
zn. Uit dryakel en prouven met -er.
Drankjesverkoper, kwakzalver. ‖ Hier staet Een Dryakelprouuer hebbende voort ghedaen alle manniere van poere ende wortelen, everaert 199 [1528]; Een dryakelprouuer met leuende watre, ald. 465 [1e h. 16e e.].
Drimmer,
zn. Van drimmen = dremmen, knorren, dreinen, zeuren?
Nijdas, brompot? In de aanh. blijkbaar synoniem met grimmer. ‖ Grimmers, drimmers, die loncken met leepen ooghen, Leuv. Bijdr. 4, 214 [beg. 16e e.].
Droel,
zn. Van droelen.
Zot, gek. ‖ Al schiet den droel over den Doel ten is gheen noot, Negenthien Refereynen int Sot D iiij [1613].
Opm. Vg. Druyl.
Droochscote,
zn. Uit drooch en scote, scheut? Of staat scote corrupt voor strote, zoals v. Vloten heeft gelezen of geëmendeerd, zie Kluchtsp. 1, 110 en daaruit in MNW i.v. Droochstrote? De bet. is dan echter niet dezelfde als in Leenhof 105 (zie Droochstrote). Zie nog Tschr. 73, bl. 114 e.v., en 74, bl. 62 e.v.
Sukkelaar, arme drommel? Of nietsnut? ‖ S.: Die van doene heift / twee drooghe rothieren Die slepe ons tsaemen / binden cote. O.: Ghy zyt een ruetelaere. S.: Ende ghy een droochscote, everaert 171 [1527].
Droochstrote,
zn. Uit drooch en strote.
Eig. iemand met een droge keel; die veel en/of graag drinkt. ‖ Joncker Faes droochstrote wilt altijt hoveren En even sat zijn, thooft staet hem groene, Leenhof 105 [na 1531].
Druescop,
zn. Uit drues, droes en cop, zie WNT i.v. Droes (I), Samenst.
Arme stakker. ‖ Waer sullen wy, arme druescoppen, dan blijven, Prochiaen 605 [ca 1540].
Druyl,
zn. Zie WNT i.v. Druil (II).
1) Benaming voor een soort demon (door kil. i.v. Druyl gelijkgesteld met drol = ‘kaboutermanneken’). ‖ V hooft is ghehoect ghelijck eenen wyl Ghy schijnt eenen druyl, Antw. Sp. F ij [1561].
2) In toepassing op een mens: zot, gek. ‖ Noch woonen in dese prochije selsaem druylen Gheheeten tatolven, Leenhof 625 [na 1531].
3) In de verkleinvorm druylken, drulleken in de aanhh. gebezigd, als vlei- of troetelnaam. ‖ Tsijn mijn liefste druylkens Nyeuvont 279 [ca 1500]; Ghi sijt mijn knechtkens mijn liefste drullekens, ald. 541; Ke willecome mijn alder liefste druylken, Sp. d. M. 1702 [beg. 16e e.].
Opm. Vg. Droel.
Druvaert,
zn. Bijvorm van droevaert deugniet (zie WNT i.v. Droef (II), Samenst. afl. en samenst., de bo i.v. Droevaard)?
Deugniet? ‖ Wa, ghi druvaert, ghi zult noch aen een galghe // waijen, Bijstier 362 [eind 16e e.?].
Duesaert,
zn. Van deus, duizelig, suf, bedwelmd (vg. WNT i.v. Deuzig, Aanm., MNW i.v. Dosich)?
Sufferd? ‖ Jan blaespappe, Jan Stuytvos maken den dans met Jan duesaert & Jan middel gesont, Bruyne 1, 94 [2e h. 16e e.].
Duypen,
zn. Zie MNW i.v. Dupe, WNT i.v. Duipen (I).
Sukkel, stakker, lijs, lummel (vg. kil.: Duypen / duyper. Homo submissus, submisse se gerens, prono capite spectans terram, obstipo capite defigens lumina terrae en plant.: Eenen duypen. Un niez, un lourdant). ‖ Leuv. Bijdr. 4, 319, 324 [beg. 16e e.]; a. bijns, N.Ref. 170, b, 8 [1525]; Tielebuys, toneelaanw. vóór r. 1 [1541]; Trudo 2159 [ca 1550]; Antw. Sp. Ll iijv, m iiijv [1561]; Br. Willeken 424 [1565?]; Bierses 31 [diepen, l. dupen?) [2e h. 16e e.]; Hs. TMB, A, fol. 99v* [eind 16e e.?]; Meester Hoon 29 [ca 1600?].
Opm. Nog bij coornhert, Odyss. 1, 60a, v.d. noot, Ged. 113, v. breugel, Boert. Clucht. 1, 6, 49 en heyns, Dry Hoofd. 17b.
Duijvelsmartelaer,
zn. Uit duijvel en martelaer.
Die door de duivel gemarteld zal worden. ‖ Dit sijn duijvels martelaers, hoort mijn gewaegen, Brouwersg. 608 [ca 1560].
Dwasaert,
zn. Van dwaas.
Dwazerik, sukkel. ‖ N.: Ey arm dwasaert. E.: Hoe sleypt ghy den block, H.d.Am. H 8 [m. 16e e.].
Dwasick,
zn. Van dwaas.
Dwaas mens. ‖ O dwasick dijnam volghende metter vlijt, Christenk. 1459 [ca 1540].
Eeraftreckere,
zn. Uit eer en aftrecken met -ere.
Eerrover. ‖ Swijcht ghy eeraftreckere, H.d.Am. L 7v [m. 16e e.].
Elvick,
zn. Van elf, alf?
Zot, dwaas? Spook? ‖ (Thooft vol sorghen:) Wat hooft sijt ghy eluick? (Thooft vol haers:) Ick sy thooft vol haers, Antw. Sp. Aaa iiij [1561].
Faembevlecker,
zn. Uit faem en bevlecken met -er.
Bezoedelaar van iemands goede naam. ‖ Faembevleckers, die in achterclap groeyen, a. bijns 30 [1528].
Famelier,
zn. Ontleend aan ofr. familier.
Eig. huisgenoot of intimus; in de aanh. gezegd van de duivel in de zin van constante belager? ‖ Ick avoyeert dat ick ghepersequeert // gheweest hebbe lange van die snoodheit des vleesch by bedwange doer stoockinge des viants myn famelier, Smenschen gheest 674 [ca 1560?].
Fleeuwer,
zn. Van Fleeuwen (I).
Vleier. ‖ Loftuters en fleeuwers, de dene, Langhen Adieu 148 [1560].
Fletser,
zn. Van fletsen.
Vleier (vg. kil.: fletser. adulator). ‖ everaert 425 [1e h. 16e e.]; de dene, in Leuv. Bijdr. 4, 27 [1567]; Zeven Sp. Bermh. K iijv [1591].
Flinckerder,
zn. Van flinkeren, flikkeren, flonkeren, schitteren (zie WNT i.v. Flinkeren)? Of identiek met flincker, straatslijper (bij v.d. venne, Sinne-mal 21, aang. in WNT i.v. Flinken (II), Afl.)?
Pronker? Straatslijper? ‖ Flinckerders die proncken al warent heeren Daghelicks draghende hen beste cleeren, St 1, 239 [vóór 1524].
Foolaert,
zn. Van folen.
Grappenmaker; plaaggeest? ‖ Een slechtaert een foolaert ende een scrapaert, Doesb. 246 [vóór 1528]; Ey out foolaert al zout ghy den kramp ‘hebben, Doen ick v zoo zeere naer myn liedeken singhen? H.d.Am. Y 7v [m. 16e e.] (hic? of mopperaar?).
Frayaert, fraeyaert,
zn. Van fray, fraai.
1) Flinke (jonge) man (vg. Loquela i.v. Fraaiaard: ‘Een die fraai, brave is’). ‖ (Pyramus) dinct vrij Thisbe wel een fraeyaert / Om hooft te zijne van eender vierschare, cast., Pyr. A vij [ca 1530]; Ghy ionghers die in dees nieuwe const vermuudt… Als fraeyaerds wild dit volghen gentelick, cast., C. v. R. 100 [1548].
2) Levenslustige, dartele jonge man. ‖ Ghi meyskens… leert sitten opt bancxken Bi die frayaerts, Nyeuvont 416 [ca 1500]; Een proper meysken… Wert eens begracijt wt rechter minnen Van een frayaert door Venus bestierken, Doesb. 242 [vóór 1528].
3) Fat (vg. kil.: fraeyaerd / moyaerd. Homo elegans, splendidus, bullatus, bellus, lautus). ‖ Hoort ow ghi frayarts / hoort ou ghesellekens Diet bonetken draghen gherne ouer dweers, Nyeuvont 124 [ca 1500]; Een crepel hinckaert stiet den frayaert den finaert op zijn knoddaert, Doesb. 246 [vóór 1528] (hic?); Ist dat ick een fray habijt wil dragen, Wie es dien frayaert, zal men dan vragen, Rederijkersged. 43, 4 [m. 16e e.?].
Futzart,
zn. Van *futs of *futsen (vanwaar futselen?)?
Futselaar? ‖ Dies sij gram waert, seggende: weel ardich futzart, Noch man, noch eins, en verdint wen muetzaert, Bierses 39 [2e h. 16e e.].
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.