Middelnederlandse scheldwoorden 3

In het woordenboek der rederijkers van Mak staat bij veel scheldwoorden dat het een scheldwoord is. Bij veel schimpwoorden dat het een schimpwoord is. Niet altijd. Ik ben daarom maar dat woordenboek door gaan vlooien om een compleet overzicht te krijgen van hoe men elkaar uitschold in de zestiende eeuw. Ben ik er al klaar mee? Nee. Zelfs de C heb ik nog niet helemaal doorgenomen, maar oei! de deadline naderde, vandaar dat ik je nu opzadel met nog niet eens half werk. Wordt vervolgd.
Achtercnaper,
zn. Van achtercnapen? Of samenst. afl. uit achter en de stam van cnapen + er?
Strooplikker? ‖ Waer blijven nu… dees nijgers dees stuijpers / dees achtercnapers, Hs. TMB, G. fol. 103v [2e h. 16e e.?].
Ackerguyl,
zn. Uit acker en guyl.
Eig. ploegpaard? In de aanh. toegepast op de arme, die hemel en aarde moet bewegen om iets van de rijke los te krijgen. ‖ Hy (t.w. de arme) moet stuypen / en nijghen Eer hy iet vanden Rijcken Can ghecrijghen, Want men Acht den Armen als Acker Guylen, Leuv. Bijdr. 40, bl. 82 [1578].
Aelwitte,
zn. Zie WNT en Suppl. i.v. Aalwete.
Dwaze, onverstandige vrouw (kil. ael-witte / ael-wete. Mulier insipiens, inscia, ignaua, inepta). ‖ Aelwitten, oupitten, die sitten en spinnen, Trepelgheesten, botte beesten, dom van sinnen… Hier af werdt Luther oeck grootelyc ghepresen, Leuv. Bijdr. 4, 213 [beg. 16e e.].
– Als naam van een spotheilige. ‖ By sint aelwitten, Hs. T M B, G, fol. 67 [vóór 1589].
Alffsgespuijs,
zn. Uit alf en gespuijs.
Duivelgebroed. ‖ Mijn dunckt, ick leeff, dus wil ick gaen mijn wijffgen ontrent, Eer ick weer wort geschent door sulcken alffsgespuijs, Lijsgen en Lichthart 416 [2e h. 16e e.].
Alfschijn,
zn. Uit alf en schijn.
Duivel, drommel (eig. ‘alf-gedaante’ en dan in de aanh. pars pro toto voor alf = demon, duivel). ‖ Ghi crijght nu waere, rampsalich alf // schijn, Tcalf v. W. 149 [eind 16e e.?].
Andoelken,
zn. Zie WNT, Suppl. i.v. *Andoel.
Benaming voor een aantrekkelijk, lichtzinnig of wulps meisje. ‖ B.: Ick sal hem, seg, schincken L.: Een lieffelyck boelken. B.: Een lecker andoelken. L.: Een dobbel velleken. B.: Een hoerachtich Goelken. L.: Een quackenelleken, Trudo 2545 [ca 1550].
Babbeltant,
zn. Uit babbelen en tant.
Babbelaar. ‖ Datter sulck babbeltant me spot en geckt, hy waer weert dat hy by Jan Vaer ginge, Bruyne 1, 30 [2e h. 16e e.].
Babelye,
zn. Zie MNW i.v.
Malloot, zottin? Lichtekooi? ‖ (Wyf:) Jc darfsme vermeten jnt gheduer So soudic my houden vroom ende vast Jn swercx anthieren van Venus last Alzo wel als eeneghe houde babelye zoude, everaert 79 [1526].
Balg,
zn. Zie MNW i.v. Balch, WNT i.v. Balg (I) en (II).
Eig. kwajongen (vg. kil.: balgh. Puer. Per contemptum dicitur), in de aanh. m. betr. tot zinnekens: schavuit, booswicht? ‖ Al dat hij sal spreecken // sullen wij luijsteren ende hoorent dem (l. hem?) fluijsteren als twee mijdighe (l. nijdighe?) balgen, Hs. TMB, B, fol. 89v [2e h. 16e e.].
Ba(n)ckboef, banckboeve,
zn. Zie WNT i.v. Bankboef.
Drinkebroer, brasser, doorbrenger (vg. kil. banck-boeue. Potator assiduus, comessator, epulo, barathro, lurco, calicum remex, decoctor). ‖ Zij cunnen zoe onnutten redenen spreken, Alleleens oft oude banckboeven waren, a. bijns, N.Ref. 312, d, 8 [1528]; zie ook a. bijns 138, 163 [1548].
Bellaert,
zn. Van bellen, blaffen?
Drukteschopper? ‖ Twelc dede een dronckaert een bijster bellaert, Doesb. 247 [vóór 1528].
Opm. Kruyskamp (Doesb. 1, bl. 46) is geneigd verband te leggen met belle, kelk, beker en bellaert op te vatten als zuiper, maar dit belle is slechts éénmaal aangetroffen (zie MNW i.v., 3e art.) en ook het verband maakt het minder waarschijnlijk.
Benauwer,
zn. Van benauwen.
Sukkel, stakker, arme drommel. ‖ Daarom is er Nering ontsprongen Met Welvaart, zo men ziet certeen, Evenwel zij en zijn ’t niet alleen, Al moeten ze nu lopen als arme benauwers, Roerende v. Meest Al 278 [ca 1564?].
Beramper,
zn. Zie WNT i.v.
Smader. ‖ Tfy moet hulien werden die vrauwen versmaden, Berampers, hinnetasters, qualick beraden, cast., C. v. R. 193 [1548].
Beschijter(e),
zn. Van beschijten.
Bedrieger? ‖ Ghij hout u selffs heylich voor geen beschijtere o corenbijtere wadt sijt ghij een gast, Hs. TMB, B, fol. 71v [2e h. 16e e.?].
– Bescytterken, verleidster. ‖ (Meisjes) Die de maerdtghanc doen / als fraye cocxskins Die gheerne reyn ghaen / al zynt vule mocxskins Om te bekueren / deis overvliegherkins. Tzyn puer bescytterkins, everaert 443 [1e h. 16e e.].
Biblist,
zn. Afl. van fr. bible, bijbel nóch van ofr. bible, werptuig schijnt evident.
Deugniet? ‖ Al heb ic met d’au biblisten, die noit duegt en deden Ditte al duerwaeght totten dagh van heden, Tes noch goet, maer, ic en weet waert draeien sal, cast., C. v. R. 183 [1548].
Bidtbout,
zn. Oorspr.?
? ‖ Jan loeris, Jan albedryff, Jan hau snau, Jan dout my, Jan bidtbout, vliende een vloo // niet, Bruyne 1, 94 [2e h. 16e e.].
Blaer? Blare?
zn. Zie WNT i.v. Blaar (IV).
Dwaze (of lichtzinnige?) vrouw, malloot. ‖ Gaepteylen / Laudaten en sulcke blaren, Veeld. Gen. D. 157 [16e e.].
Blaes,
zn. Zie MNW i.v. Blaes, WNT i.v. Blaas (III).
Arme sukkel, sloeber. ‖ Niemant en zachmen dees blasen // by ter noot // staen, Rott. Sp. A vjv [1561].
Opm. Het is niet duidelijk, of wij dit blaes mogen vergelijken met één of beide tot dusver gevonden plaatsen, resp. in de bet. ‘blaaskaak’ (MNW) en ‘kinkel’ (WNT).
Blaet,
zn. Zie WNT i.v. Blaat (II).
Blaaskaak; pochhans (vg. kil.: Blaet. Blatero, inaniloquus, vaniloquus, ventosus, bardus; blax: et Gloriosus, magniloquus en plant.: Blaet. Vn babillard, vn criard. Blatero). ‖ Mistmakerkens, nachtbrakerkens, wispeltuytkens, Blaetkens, maetkens, die tsinte Reynuyts gheraken, Leuv. Bijdr. 4, 214 [beg. 16e e.]; Tginc bat te wercke, doen dabdijen waren clusen, En doen de abten woonden als musen In gaten, in holen, Nu maken sij den blaet met hoogen husen, a. bijns 39 [1528].
Blauwaert,
zn. Van blauw.
Futloze kerel, slappeling. ‖ Flauwaert// blauwaert // zijdy ontcnoopt, de roovere 400 [3e kw. 15e e.].
Bloeder, bloeyer,
zn. Van bloeden.
1) Die bloedt aan wonden in de strijd opgedaan; vervolgens ook strijder, krijgsman? ‖ Mars bataillen menich bloeder sweerdich Doen ter Plutonigher speloncken dalen, cast., Pyr. B vij [ca 1530].
2) Sukkelaar. ‖ Schier eer metten ratten // dan met yemant goeyers Telt mense / en meest soo blijuen arm bloeyers, Antw. Sp. k iij [1561].
Blonckaerd,
zn. Van blonck.
Stompzinnige. ‖ Onzen Autheur Castelein (en heeft) voor alzulke Blonckaerds, ditte niet gheschreuen, in cast., C. v. R. 252 [1548].
Bluts(e),
zn. De samenhang met de bnn. blut en bluts en het zn. blutte(n) is onduidelijk. Opmerking verdient, dat in ’t hd. naast de bnn. blutt en blott het zn. blutz staat. Mogelijk is bluts(e) het zelfst. gebr. bn. bluts (zie WNT i.v. Blutsch) of een bijvorm van blutte (zie MNW i.v., WNT i.v. Blutten).
Sukkel, domoor. ‖ Sp. d. M. 1217, 4627 en pass. [beg. 16e e.]; cast., Pyr. A iij [ca 1530]; de dene, Langhen Adieu 129 [1560].
Bogorgie,
zn. Wrsch. verwant met bugger, bogger, ketter, paederast, fielt (zie MNW i.v. Bugger, WNT i.v. Bogger).
Smeerlap, fielt? ‖ Ghi snoo bogorgie, doed ghi hier den heere// lieghen? Ic zal u wel in stellen, ghi vuijlen Cabbelare, Bijstier 380 [eind 16e e.?].
Braggaert,
zn. Ontleend aan ofr. bragard (vg. WNT i.v. Brageeren, Afl.; bij godefroy komt het niet voor, littré Suppl. i.v. Braguer citeert het 16e-eeuwse zn. braguard; vg. ook haspengouws brag (WNT i.v. Brak (II), B), luikerwaels bragar (WNT i.v. Brageeren, Afl., littré t.a.p.), eng. braggart en het ofr. bn. bragart bij d’hauterive in de bett. ‘pimpant’ en ‘fanfaron’).
Opschepper (vg. kil.: Braggaerd. Homo bullatus, elegans. Gal. braggard en Synon. Lat.-Teut.: ‘fraeiaerd, moiaerd, grein, enz.’). ‖ (Een houeerdich Esel, die zeer weelderig gekleed gaat) maect den braggaert, X.Esels 30, 9 [1530].
Breebaert,
zn. Zie WNT i.v. Breebaard.
Grootspreker, pocher, snoever (vg. v. moock, in WNT i.v. Breebaard, bet. 2). ‖ Adieu breebaerden maeckende groote mulen, de dene, Langhen Adieu 115 [1560].
Broempot,
zn. Uit broemen en pot.
Potschuimer. ‖ Joncker Joos broempot die leeft opt schuymken, Leenhof 126 [na 1531].
Bruyschaert,
zn. Van bruisen, slempen (vg. WNT i.v. Bruisen, bet. B, 4)?
Slemper, drinkebroer? ‖ Een ruyschaert een bruyschaert een ientaert een slapaert Een rijnschaert maecte int gelach den fellaert, Doesb. 246 [vóór 1528].
Buckvysteghe,
zn. Uit bucken en vysteghe (of vysten met -eghe?).
Zij die ‘vijst’, als ze bukt? ‖ Dan esser noch een boucxken huut reverentien Voor de buckvysteghen ende zom ruud plomp loer, de dene, Langhen Adieu 244 [1560].
Cabbelare,
zn. Van cabbelen, kijven.
Ruziemaker. ‖ Een cabbelare oft een cabbelere, X. Esels 12, 46 [1530]; Ic zal u wel in stellen, ghi vuijlen cabbelare, Bijstier 381 [eind 16e e.?].
Cackaert,
zn. Van cacken.
Homo cacans. ‖ Jan, laetse ons inden privaet gaen steecken, Op dat sij met haer treecken ‘den cackaert vervaert Lijs en Jan Sul 219 [eind 16e e.?].
Cafcoenvagher,
zn. Uit cafcoen en vagher.
Schoorsteenveger (vg. kil.: Kavevaegher / kafkoen-vaegher. Fland.J. schoud-vaegher). ‖ Hanghemans / hondtslaghers / Cafcoenvaghers / En Suypers ghewuene te lijdene druck, de roovere 404 [3e kw. 15e e.].
– In de aanh. mogelijk in obscene toepassing. ‖ Ick zacher een cafcoenvaegher zonder leere, van tdeen cafcoen in tdander vlieghen aldaer, de dene 221a [ca 1560].
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.