Het Nederlands uit Turkije

De beroemde schrijver en piloot Adriaan Viruly vertelde toen hij al heel oud was eens hoe hij zo lenig van geest bleef: door dagelijks de kranten te lezen. Alleen de artikelen over luchtvaart sloeg hij over. ‘Want daar klopt nooit iets van.’

Zo kan een onderzoeker geen wetenschapskatern doornemen. U heeft het vast ook gelezen: deze week werd alom bericht over de geografische oorsprong van onze Indo-Europese voorouders. Hoe zit dat in elkaar?


Het Nederlands is verwant aan het Duits, aan het Grieks, aan het Hindi, aan het Frans en – in de verte – aan het Nedersaksisch. Al die talen stammen af van dezelfde voorouder, het zogenoemde Indo-Europees. Over die oertaal en de mensen die haar spraken, weten we heel weinig zeker – de meeste vermoedens hebben we op een taalkundige manier gereconstrueerd uit wat de dochtertalen gemeenschappelijk hebben.

Er zijn twee theorieën over de regio waar die Indo-Europeanen woonden voordat ze hun taal begonnen te verspreiden: ofwel in de Caucasus, of preciezer gezegd op de Pontische steppe, of in het zuiden van wat tegenwoordig Turkije genoemd werd. Omdat daar toen nog geen Turken woonden, spreekt men in deze context soms liever over Anatolië. In het eerste geval waren het waarschijnlijk veroveraars die op hun paarden rondtrokken en veroverde volkeren hun taal oplegden. In het tweede geval ging het mogelijk vreedzamer toe en raakte de Indo-Europees verspreid met de veeteelt en landbouw.

Drie

Ik heb nooit onderzoek gedaan naar het Indo-Europees en zie weinig reden om de Anatolische boven de Pontische theorie te verkiezen, of andersom. Het gaat over gebeurtenissen van duizenden jaren geleden. Er is een zekere mate van overeenstemming over hoe de taal precies gereconstrueerd kan worden – al is er ook daarover nog veel controverse. Zou je nog verder kunnen gaan en de plaats waar die taal vandaan komt kunnen reconstrueren?

Een groepje virologen meent nu een nieuw bewijs te hebben gevonden voor de Anatolische theorie en publiceerde dit deze week in Science. Er bestaat virologische software waarmee je kunt uitrekenen hoe een virus zich verspreidt en hoe het zich muteert, en wat waarschijnlijk de haard is waar het ontstaan is. De auteurs van het artikel hebben gedaan alsof een taal een virus is. Ze namen aan dat een taal bestaat uit een handvol woorden die zich verspreiden en muteren; zie bovenstaande kaart over het woord drie. Zo hebben ze uitgerekend dat het zuiden van Anatolië de waarschijnlijkste oorsprong is voor het virus waar massa’s mensen zoals u en ik al duizenden jaren aan lijden. (De onderzoekers maakten ook een mooie website over hun artikel.)

Wiel

So far so good. Interessant onderzoek, interessante discussie. Maar nu komt de populaire wetenschap. Neem het artikel over deze ontdekking op de website en de iPad-versie van Eos, een tijdschrift dat samenwerkt met het prestigieuze Scientific American. Het eerste probleem: het artikel legt het standpunt van de onderzoekers duidelijk en kort uit, maar biedt geen enkele ruimte aan critici. Wat die laatsten zouden denken wordt alleen samengevat in de woorden van een van de auteurs van het artikel, Philippe Lemey, een Leuvense viroloog, die meent dat zijn tegenstanders alleen maar geloven in de alternatieve theorie omdat ‘deze meer tot de verbeelding spreekt’.

Dat lijkt mij te appelleren aan een onder wetenschapsjournalisten populaire gedachte: dat al die alfa’s alleen maar in een theorie geloven omdat ze een mooi verhaal oplevert. De echte wetenschappers zijn virologen die op basis van keiharde gegevens in Science publiceren.

Zo eenvoudig ligt het in dit geval echter niet. De aanhangers van de Pontische hypothese zijn misschien geen bèta’s, maar hebben allerlei sterke argumenten in handen. Het klassieke argument is dat woorden voor wiel in allerlei Indo-Europese talen aan elkaar verwant zijn en dat de oude Indo-Europeanen dus al wielen gekend moeten hebben. Op hun website doen de auteurs dit argument naar mijn smaak wat gemakkelijk af: het zou ook zo kunnen zijn dat het woord hadden onder een andere betekenis en dit allemaal op dezelfde manier zijn gaan aanpassen aan de nieuwe technologie van het wiel toen dit eenmaal aankwam.

Verbaasd

Verder is de methodologie van de Anatolisten niet zonder problemen. Eén kwestie is dat je de uitkomst van dit soort ingewikkelde modellen heel erg afhankelijk is van wat je erin stopt – en we praten hier over gebeurtenissen van duizenden jaren geleden waarover we heel weinig weten. Als bewijs voor de deugdelijkheid van zijn methode noemt Lemey in een persbericht van zijn universiteit dat deze methode toegepast op alleen het Frans, Italiaans, Spaans, Portugees en Roemeens, de Romaanse talen, oplevert dat het centrum voor al die talen ooit in de buurt van Rome lag – maar dat is een veel recentere ontwikkeling die zich de afgelopen tweeduizend jaar heeft opgespeeld, in een tijd waarover we veel geschreven bronnen hebben. Het is juist de periode ervoor die veel moeilijker is.

Wat ik echter het bezwaarlijkst vind is dat Eos de Leuvense viroloog als volgt citeert:

Aan het hoofd van het internationale onderzoeksteam stond de Nieuw-Zeelandse evolutionair antropoloog Quentin Atkinson. Lemey: ‘Hij is de linguïst van de groep, en hij was nogal verbaasd toen Anatolië uit de bus kwam als bakermat van de Indo-Europese taalfamilie. Linguïsten hebben altijd een lichte voorkeur gehad voor het Koerganscenario. ‘

Het is een beetje vreemd dat een evolutionair antropoloog ‘de linguïst van de groep’ was, – misschien ook weer een teken van een vreemde arrogantie (al die alfa’s met hun ‘specialisaties’ zijn natuurlijk volkomen inwisselbaar). Maar dat Quentin Atkinson ‘verbaasd’ zou zijn door dit resultaat, dat kán eenvoudigweg niet kloppen. Met een eenvoudige Google-opdracht is te achterhalen dat in Atkinson al in 2003 een artikel publiceerde waarin hij eveneens beweerde bewijs te hebben gevonden voor de Anatolische hypothese. Lemey kan dat ook weten, want ook in het Science-artikel wordt naar die eerdere bevindingen verwezen.

Dus óf vertelt Lemey een makkelijk te achterhalen onwaarheid, waarmee de journalist hem had moeten confronteren, óf de journalist legt hem zelf iets in de mond wat niet klopt.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.