Af

Af is een opmerkelijk woordje. Ik wilde eigenlijk zeggen: een opmerkelijk voorzetsel, maar dat is het volgens mijn woordenboeken bijna nooit. Alleen in de rare uitdrukking af fabriek, die in het Duits ab Fabrik luidt, en dat zal wel geen toeval wezen. O ja, en in Af mijn kamer!, boos geroepen door het kleine zusje van een schoolvriend, maar daar moesten we erg om lachen.
Dat ik af voor voorzetsel aanzag, was vanwege woordgroepen als de berg af en hij sprong eraf. Eraf is natuurlijk een bijwoord, maar dit soort bijwoorden – ervan, erop enzovoort – zijn veelal samengesteld uit er plus een voorzetsel. In dit geval kennelijk niet. (Het grammaticaboek, dat wil zeggen de ANS, noemt af wél een voorzetsel, zie ik, of preciezer geciteerd: een achterzetsel.)

Hier valt meer over te zeggen, heel veel meer, maar waar ik eigenlijk naar toe wilde is een ander gebruik van af. Niet het “Af!” dat je tegen een hond zegt, niet het af van spelletjes (“Jij bent af!”), niet het af dat ‘voltooid’ betekent en dat je zelfs kunt verbuigen (affe tekeningen), en al evenmin het af van kortaf, beter af en bekaf of dat van af en toe. (Haakt u al af?)

Nee, woordgroepen als voorzitter af, daar heb ik de afgelopen dagen op lopen knagen. Ik heb dat altijd een vreemde constructie gevonden. Ik snap hem, ik gebruik hem, maar gewóón kan ik hem niet vinden. Mijn oude Koenen geeft als betekenis ‘geen voorzitter meer’, zonder verdere toelichting. Van Dale geeft als voorbeeld “hij is al lang minister af” en als betekenis “al lang afgetreden”, daarmee subtiel suggererend dat afgetreden de oorsprong is. Dat lijkt me eigenlijk stug; je zou dan eerder *hij is als minister af of *de minister is af verwachten, en niet hij is minister af. Hoe aannemelijk het ook is dat af op de één of andere manier verband houdt met aftreden en afzetten, dat verklaart nog niet die rare constructie.

Maar waar komt die dan wel vandaan? In het lange, lange lemma ‘af’ in het grote Woordenboek der Nederlandsche Taal kan ik hem niet vinden. Er staat een zeventiende-eeuws voorbeeld den man moet af, met als betekenis ‘afgezet’, maar dat is qua zinsbouw onopmerkelijk (afgezien van de naamvals-n, die ik hier niet snap), vergelijkbaar met ‘het werk moet af[gemaakt worden]’ en ‘het boek moet uit[gelezen worden]’.

Een oplossing heb ik niet te bieden, vrees ik. Dit stukje dus is nog onaf. Daarom vraag ik u op de man af: wie helpt ons van dit raadsel af?
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.

22 reacties op Af

  1. Er is nog een woord dat een soortgelijke constructie maakt: 'zaliger', zoals in 'mijn vader zaliger'. De etymologie is daar natuurlijk een heel andere (geen achterzetsel, maar een genitief, van 'zaliger nagedachtenis'). Ook daar kun ik in ieder geval niet zeggen 'mijn vader is zaliger', hoewel ik geloof dat die constructie wel vaker voorkomt dan die met 'af'. Zou het toeval zijn dat ook dat 'zaliger' iets te maken heeft met er eerst nog wel zijn en dan niet meer?

  2. Interessant geval, maar ik vraag me af of het wel een constructie is. Ik ken eigenlijk geen ander goed voorbeeld dan 'voorzitter af.' Ik kan me, heel erg op mijn linguïstische tenen staande, nog wel iets voorstellen bij 'secretaris af' of 'minister af,' maar ik geloof dat het daar wel ongeveer ophoudt. 'Bakker af' of 'generaal af' klinken mij heel vreemd in de oren.

    Misschien is het een constructie gewéést. In dat geval zou ik een verband  vermoeden met nabepalingen als 'in ruste,' 'in spe' of 'buiten dienst,' die, bij een functie gevoegd, de status van die functie nader bepalen. De betekenis van 'af' die hierbij past komt overeen met 'loopt af' waarbij 'af' een bepaling van gestelheid moet zijn geweest, die een predicaat bij die functie vormt.

    Zonder te suggereren dat het een anglicisme is, wijs ik ook op soortgelijke Engelse voorbeelden zoals 'king-to-be' of 'poet laureate,' waarbij de nabepaling ook een functie nader specificeert. Blijkens de koppeltekens bij dat 'to-be' wordt het daar zelfs als een achtervoegsel beschouwd, ik denk een beetje als bij 'staten generaal.'

  3. Ik geloof dat onze oordelen dan toch uiteenlopen. Voor 'minister af' hoef ik niet op mijn tenen te staan (en Gaston en meneer Van Dale kennelijk ook niet) en eigenlijk heb ik ook geen probleem met 'bakker af' of 'generaal af'. (Hij was allang officieel bakker af, toen de lust tot het bakken van koekjes toch weer kwam opzetten.)
    Met hartelijke groet,
    Marc

  4. Gaston Dorren schreef:

    @Peter Arno
    De aanleiding om hierop te gaan kauwen was juist een zin met de constructie 'foneem af'. Opvallend, zeker, maar begrijpelijk, en ik hád hem zelf kunnen schrijven. Ik heb namelijk eerder het gevoel dat de constructie zich uitbreidt en gewoner wordt (topsporter af, conciërge af).
    De nabepalingen 'in ruste' enzovoort zijn wat mij betreft volkomen doorzichtig, zo niet naar de betekenis, dan toch naar de opbouw. Bij de nabepaling 'af' is de betekenis juist betrekkelijk duidelijk (verband met 'aflopen' en 'aftreden'), maar de grammaticale opbouw voor mij niet.
    Wat de Engelse voorbeelden betreft: 'poete laureate' lijkt me inderdaad net zo'n geval als 'Staten-Generaal': een naar Frans voorbeeld nageplaatst bijvoeglijk naamwoord. 'King-to-be' vind ik moeilijker te analyseren, maar ik vermoed een nauw verband met constructies als 'that is yet to happen' en 'that was not to be'. 'Af' lijkt me noch Romaans, noch verklaarbaar naar analogie van deze Engelse constructie, want die vind ik in het Nederlands niet terug (wel met passieve betekenis natuurlijk, zoals 'het is niet te geloven', maar niet met actieve betekenis.

  5. Gaston Dorren schreef:

    Eens. En of het toeval is… we hebben opvallend veel manieren om aan te geven dat een zelfstandig naamwoord niet meer 'geldig' is, zogezegd: ex-, oud-, voormalig, wijlen, af, zaliger… Als ik een erg wild idee mag opperen: zou het ermee te maken kunnen hebben dat we bij zelfstandige naamwoorden af en toe gewoon behoefte hebben aan een voltooide of verleden tijd, net als bij werkwoorden? Ik vrees dat dit een moeilijk te testen proefballonnetje is, maar goed: eerst het idee, dan de bezwaren – dat lijkt me de juiste volgorde.

  6. Gaston Dorren schreef:

    @Peter Arno
    Nog een nieuwsgierige vraag erachteraan. Je schrijft:
    "Ik vraag me af of het wel een constructie is. Ik ken eigenlijk geen ander goed voorbeeld dan 'voorzitter af.'"
    Stel dat het inderdaad een geheel op zichzelf staande uitdrukking zou zijn – zou dat naar jouw idee iets veranderen aan de uitdaging om het ontstaan te verklaren? En zo ja, wat?

  7. Gert de Jager schreef:

    Zou er geen verband kunnen bestaan met het ‘af zijn’ in spelletjes? Een constructie als ‘voorzitter af’ kan ik me alleen met het werkwoord ‘zijn’ voorstellen. ‘Af zijn’, ‘deelnemer af zijn’, ‘voorzitter af zijn’ zou dan een soort continuüm vormen.

  8. Ja onze oordelen lopen dan inderdaad wat uiteen. En nee, het feit dat het een uniek geval zou zijn (quod non blijkbaar) verandert niets aan die uitdaging inderdaad.

  9. Ik meende overigens dat er een verband kon zijn met gekozen functies of functies waarbij je kon aftreden, maar bij nader inzien vond ik alle andere gevallen dan voorzitter wel gek. Misschien bakker gekker dan generaal en die weer gekker dan minister, voelen jullie zoiets? Of is alles voor jullie even prima? Bij 'foneem af' denk ik echt aan een soort toegekende eigenschap die als het ware bij stemming wordt bepaald.

  10. Gaston Dorren schreef:

    Die verklaring wilde ik aanvankelijk ook voorstellen, maar ik vrees dat hier hetzelfde bezwaar geldt dat ik hierboven aanvoer tegen 'af' als inkorting van 'afgetreden': je verwacht óf 'hij is als voorzitter af' óf 'de voorzitter is af', in beide gevallen met 'is' dus. Weliswaar zijn er in het Nederlands diverse omgevingen waarin het werkwoord 'zijn' probleemloos kan wegvallen (bijv. 'Hoe langer het duurt, hoe beter [het is]'), maar dít wegvallen van 'is' strijdt nogal met mijn taalgevoel.

  11. Gaston Dorren schreef:

    Daar kan ik wel in meegaan, ja. 'Bakker af' is voor mij zeker gekker dan 'generaal af' en dat weer ietsje gekker dan 'voorzitter af'. Maar 'kampioen af' klikt me dan weer vrij normaal in de oren, dus 'gekozen functies of functies waarbij je kunt aftreden' is misschien nog een iets te krappe inperking.
    'Foneem af', mmm… ja, zo iets als 'Pluto is planeet af' (48 Googletreffers!): inderdaad bij stemming, of een deskundig oordeel. "Krachtens een oekaze van de Taalprof is 'heten' koppelwerkwoord af".
    Kleine uitweiding nog: 'wereldkampioen af' en 'sprintkampioen af' gaan wel, maar 'kampioen 100 meter af' en 'voorzitter van de dahliavereniging af' vind ik op het randje van ongrammaticaal. Het lijkt erop dat 'af' meteen op het hoofdwoord moet volgen. (En 'de voetballer is back af' zou ik trouwens ontraden… 😉

  12. Henk schreef:

    Ik heb dezelfde oordelen als Marc, ik kan "af" ook makkelijk achter vrijwelk elk zelfstandig naamwoord plakken. Ik heb "af" trouwens altijd met een koppelstreepje aan het voorafgaande naamwoord vastgeschreven en het waarschijnlijk als suffix geïnterpreteerd.

    Ik weet niet of het jullie bekend voorkomt, maar in het Fries en ook in het Friese Nederlands heb je een vergelijkbaar geval met "mee", dat zoiets betekent als "ook". Zie de onderstaande zinnen:

    (1) Hij is voorzitter mee. (Hij is ook een beetje voorzitter)
    (2) Eventjes was hij vrouw mee. (Eventjes was hij ook een beetje vrouw)
    (3) Ik zou graag willen dat je niet steeds timmerman-mee wilde zijn. (Ik zou graag willen dat je de timmerman zelfstandig zijn werk liet doen.)

    Het woord/suffix "mee" heeft dezelfde vreemde sterke klemtoon als "af" in de bovengenoemde gevallen.

    Ik vind het opvallend dat "mee" en "af" beide de varianten zijn van voorzetsels die voorkomen bij een R-pronomen:

    (4) Hij sprong van het dak -> Hij sprong eraf.
    (5) Hij sneed met een mes -> Hij sneed ermee.

    Verder valt me op dat je in "voorzitter-af" en soorgelijke gevallen nooit sandhi-verschijnselen optreden. Ik kan wel zeggen "Hij-viel-de-voor-zi-te-raf", maar niet *"Hij-werd-voor-zi-te-raf".

    Ik kan met voorstellen dat "af" en "mee" eigenlijk PP's met een onzichtbaar of verloren gegaan pronomen zijn die als bepaling achter een zelfstandig naamwoord komen en wat tussen syntaxis en morfologie in hangen. Ze zijn kwa klemtoon vergelijkbaar met gevallen zoals "ter-zee" in "luitenant-ter-zee", "ad interim" in "voorzitter ad interim", "buiten dienst" in "generaal buiten dienst" en "in ruste" in "hoogleraar in ruste".

  13. Gaston Dorren schreef:

    Dat Friese 'mee' ken ik niet; afgaande op jouw informatie lijkt me dat inderdaad een verrassend analoge constructie. (Mooi gevonden – "petje af" 😉
    De laatste alinea is me niet helemaal duidelijk. Bedoel je dat het ooit 'eraf' geweest zou kunnen zijn? Of 'af [substantief]'?

  14. Henk schreef:

    Zoiets ja. Wat dat pronomen is of was, durf ik niet te zeggen, maar "voorzitter mee" is toch iets dat lijkt op "voorzitter met iemand". Zo zou "voorzitter af" iets (geweest) kunnen zijn in de sfeer van "voorzitter van iets af", met "van" in de nu niet meer heel gebruikelijke betekenis "weg van" ("Ga van mij, gij werkers der ongerechtigheid!", "Hij ging van huis").

  15. Jessica schreef:

    Is het niet een soort ‘staat’ waarin iemand verkeert? Zo kun je ook zeggen: “Het kunstwerk is half af” of bijna af en natuurlijk kan het ook eindelijk helemaal af zijn. En zo kun je ook “voorzitter af” zijn; het voorzitterschap is klaar, af, voorbij, schluss, etc. Hij is dus niet meer in de staat van voorzitterschap.

  16. Maar het is toch zeker predicatief? Het gaat er toch om dat dat voorzitterschap of die functie 'buiten dienst,' 'af' of 'mee' IS? Dat de achterzetsels samenvallen met de bepalingen van gesteldheid zal wel geen toeval zijn, maar voor zo'n weggevallen pronomen zie ik geen enkele reden. Jullie wel?

  17. Ja precies! Dat bedoelde ik ook met dat predicatieve.

  18. Henk schreef:

    @Peter-Arno: ik heb net even gesneupt in het WNT. Dat zegt onder het lemma "af":

    Af, in gemeenzamen stijl toegevoegd aan eene benaming eener waardigheid of betrekking, om aan te duiden, dat de persoon, van wien sprake is, van die betrekking af is, ze niet meer bekleedt, als zoodanig is afgetreden of afgezet. Verg. § 30, d) en Mnl. Wdb. 1, 125 (2).
    Hij is al lang minister af. Als hij eenmaal burgemeester af is. poëem WNT
    — Rijd op maar, je bent Protector af! fokke, B.R. 2, 26 [1803].

    Waar ik hiervoor niet aan dacht is dat "af" en "mee" niet alleen optreden als varianten van resp. "van" en "met" bij een R-pronomen, maar dat ze ook samen met een prepositie voorkomen ("van het dak af", "met de bus mee").

    Als ik de tekst in het WNT lees, dan is er zeker nog een andere interpretatie mogelijk dan degene die Peter-Arno en Jessica noemen, in ieder geval historisch gezien, waarbij "af" in "Hij is jongeling af" zo'n zelfde functie heeft als in "van het dak af". "Hij is jongeling af" zou dan min of meer betekend hebben "Hij is van het jongelingschap af".

    Wat dat synchroon betekent weet ik niet. Zoals ik zei, ik kan me voorstellen dat "af" zich heeft ontwikkeld tot een suffix. Zullen we er allemaal eens over nadenken en er op de site van onze gemeenschappelijke kennis De Taalprof verder over discussiëren?

  19. Gaston Dorren schreef:

    Kijk, het staat dus toch in het WNT. Ik was al bang dat ik het over het hoofd had gezien. De uitdrukking is dus al redelijk oud. De termen 'waardigheid of betrekking' zijn ook leuk, omdat ze verklaren waarom 'bakker af' toch wat raarder klinkt dan 'generaal af': het bakkerschap is geen waardigheid of betrekking, maar een ambacht.

  20. Gaston Dorren schreef:

    Bij nader inzien zijn de gevallen toch niet vergelijkbaar. Zoals Peter-Arno hieronder terecht opmerkt: 'af' is predicatief, terwijl 'zaliger' volgens mij attributief is. Je kunt wel zeggen 'Mijn vader zaliger had nog zo veel plannen', maar niet 'De minister af had nog zo veel plannen.'

  21. Gaston Dorren schreef:

    Ik had al zo'n voorgevoel dat jij licht in de duisternis zou brengen. Predicatief, ja, inderdaad. Bij die eigenschap had ik nog niet stilgestaan. Het verschil met (het schijnbaar logischere) 'Hij is als voorzitter af' is dus niet zo groot als ik dacht.

  22. Interessant, dat WNT-citaat. Ik heb nog even nagekeken in welke context het stond, maar het WNT schaart het onder de gebruikswijze 'bijwoord van toestand,' met als algemene beschrijving:

    '25. Het begrip van verwijderd of gescheiden zijn, ten gevolge eener beweging in de ruimte, onderstelt eene voorafgaande nabijheid of vereeniging, die door de beweging heeft opgehouden te bestaan. Doch bij uitbreiding wordt af ook gebezigd in gevallen, waarin vroeger geene nabijheid of vereeniging heeft plaats gehad, en overdrachtelijk toegepast op toestanden, die als het gevolg eener werkelijke of denkbeeldige scheiding in de ruimte beschouwd worden.'

    Binnen die categorie valt het onder een subcategorie B, met de beschrijving:

    'Overdrachtelijk, van toestanden, die als het gevolg eener werkelijke of denkbeeldige scheiding beschouwd worden. Meest te verklaren door eene ellips, waarbij het verzwegene ww. door den hoorder of lezer in de gedachten wordt aangevuld.'

    Hieruit blijkt (denk ik) dat de WNT-lexicograaf van mening is dat het gaat om een aanduiding van een toestand (hetgeen ik als een predicatieve betekenis zou beschouwen), en dat hij vermoedt dat er sprake is van een weggelaten werkwoord (misschien zoals in het lemma staat 'afgetreden' of 'afgezet').

    Ik ben het met Henk eens dat het tegenwoordig meer het karakter van een suffix heeft dan van een bijwoord (of achterzetsel), maar ik betwijfel of het in deze combinatie (dus met zo'n functie) wel teruggaat op een richtingsbetekenis. Ik denk eerder dat die splitsing in richting en toestand, die het WNT signaleert, eerst heeft plaatsgevonden, en dat deze gebruikswijze aansluit bij de tweede categorie.

    Dat richting en toestand met elkaar te maken hebben zie je denk ik ook in gevallen als 'de bal is uit' en 'de kachel is uit,' waarbij je in het eerste geval nog wel een flauwe richtingsbetekenis kunt zien, maar in het tweede zeker niet.

    Die link met het omsluitende voorzetsel 'van…af' zie ik eerlijk gezegd niet zo. Ik denk dat die betekenis al in 'af' alleen besloten ligt, en bovendien kan ik me in de combinatie 'burgemeester af' geen voorzetsel 'van' voorstellen (*'van burgemeester af'). Je kunt wel die parafrase 'van het burgemeesterschap af' maken, maar dan moet je bijna alles veranderen: 'burgemeesterschap' in plaats van 'burgemeester,' lidwoord 'het' erbij). Dat kun je syntactisch nauwelijks verantwoorden.

Reacties zijn gesloten.