Wie wil er een ijsje? Ikken!

 

Over de nadruks-n en de opkomst van rare regels in taal

door Suzanne Aalberse

Als mijn dochters iets heel duidelijk willen maken, dan gebruiken ze de –n: “Bedoel je dit boek, neehee, dezeN!” “Wie wil er een ijsje? IkkeN!”, “Is Maaike je oom? Nee dat is mijn tanteN. “Meestal is het alleen na de sjwa (de –e), maar het kleintje kan de –n nog breder toevoegen, bijvoorbeeld: “dat is geen t-shirt dat is een truiN”. Ik vertelde over die extra –n’s het aan mijn collega Els Elffers en ze zei: o ja de nadruks-n die hadden mijn kinderen vroeger ook. De kinderen horen de –n vooral in nadrukscontexten. Op de crèche zeggen ze bijvoorbeeld: “Ga zittuh op je billuh.” Als dat niet gebeurt, wordt het verzoek herhaald: “Ik zei : ga zitteN op je billeN.” De normale uitspraak voor de kinderen is de uitspraak zonder -n (zie stukje Marc). Ze ervaren “zittuh” niet als een vorm die iets mist, maar “zitteN” als een woord met een toegevoegde klank die nadruk geeft. En voor hun kan die extra klank makkelijk toegevoegd worden en zo hebben ze een eigen nadruksuitgang gemaakt. Waarschijnlijk houden de kinderen op met de extra –n’s als ze goed kunnen lezen en schrijven en zien dat zitten wel op een –n eindigt en dezeniet.

“Voeg –n aan het einde van een woord toe als het op – e eindigt en als je nadruk wilt geven.” Dat zou je een rare regel in taal kunnen noemen. Maar dat lijkt wel de regel van de kinderen te zijn. Sommige van die rare regels zetten door en worden opgenomen in de taalgemeenschap. Rare regels komen vooral voor in kleine talen. Waarom? De spreiding gaat misschien makkelijker in een kleine taal. Twee dochters op 16 miljoen sprekers, dat schiet niet op. Maar twee in een gemeenschap van dertig, dat gaat al makkelijker. In een kleine taalgemeenschap met alleen moedertaalleerders kun je ingewikkelde regels ook makkelijker doorgeven.Arjen Versloot maakte in zijn oratie een vergelijking met dobbelstenen. Als je een paar keer met een dobbelsteen gooit, dan zou het best kunnen dat je zes van de zes keer 1 gooit. Een score van 100%. Hoe vaker je met de dobbelsteen gooit, hoe dichter je bij de kans van 1/6 keer 1 komt. Net zoals een vertekening van de dobbelsteenwerkelijkheid vaker voorkomt bij een laag aantal worpen, zo zou vertekening van de taalwereld vaker voorkomen als je maar weinig taaluitingen hoort. Kleine talen worden misschien minder vaak gesproken – bijvoorbeeld alleen op zondag met je overgrootmoeder- en kunnen ook daardoor vatbaarder zijn voor vertekening.

Een laatste punt is geletterdheid. Kleine talen worden misschien minder vaak geschreven. Zou een nadruks-n ook verdwijnen in kinderen als ze niet zouden kunnen lezen dat werken op een –n eindigt en deze op een –e (sjwa)?

 

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , , . Bookmark de permalink.

2 reacties op Wie wil er een ijsje? Ikken!

  1. Ik kan mij wel voorstellen dat zoiets in een gezin of familie, als een soort gimmick, in de thuistaal overleeft. Dat is natuurlijk al een kleine taalgemeenschap. Zonder een eigen standaardtaal

  2. Ingmar Roerdinkholder schreef:

    Heel herkenbaar, mijn jongste zoon van negen doet dit ook nog steeds, zelfs bij namen die op -e eindigen, en ook bij andere kinderen hoor ik dit geregeld. Het komt alleen in gebieden voor waar de -n in -en normaal niet wordt uitgesproken, in het oosten en noorden heb ik het nooit waargenomen. Bij oudere of laag-geschoolde volwassenen in bv. Noord-Brabant komt het ook in hun Nederlands voor

Reacties zijn gesloten.