Klankencyclopedie van het Nederlands (5): De [e]

[e] De [e] ( als in steek) zit als klinker halverwege de [a] (, waarbij je mond helemaal open staat) en de [i] (, met je mond veel meer gesloten). Als je je mond langzaam van een [a] naar een [i] laat overgaan, hoor je ergens halverwege een [e] (en iets eerder de [ɛ] van pet en iets later de [ɪ] van pit).

In 1994 publiceerden drie taalkundigen een artikel over een computerprogramma dat bij onbekende Nederlandse woorden kan voorspellen waar de klemtoon ligt. In het Frans is dat simpel: klemtoon ligt altijd op de laatste lettergreep. In het Nederlands moet je voor veel woorden uit je hoofd leren om dat te kunnen onthouden: de op laatste lettergreep (chocola)? De voorlaatste (pyama)? De eerste (horeca)? Een voorleescomputer kan voor iedere woord natuurlijk opzoeken op welke lettergreep de klemtoon hoort te liggen, maar wat nu als een woord niet in dat woordenboek staat?

De onderzoekers lieten de computer hetzelf uitzoeken, door heel veel woorden in te voeren met klemtoon en het ding daar zelf allerlei statististieken op te laten uitvoeren: heeft bijvoorbeeld een gesloten lettergreep meer kans om beklemtoond te zijn dan een open lettergreep?

Het antwoord op de laatste vraag is ja, maar dat wisten we ook al vóór 1994. De taalkundigen ontdekten echter nog iets, dat veel verrassender was: als een lettergreep een [e]-klank heeft, weet je bijna zeker dat hij beklemtoond is. Er zijn eigenlijk geen woorden met een onbeklemtoonde [e].

Hoe kan dat? Het komt waarschijnlijk doordat een [e] in onbeklemtoonde positie toonloos wordt (hij verandert in een [ə]). Neem het woord penetrant. Dat heeft hoofdklemtoon op de laatste lettergreep en een bijklemtoon op de eerste, en in het Frans zit in het midden, na de n, een [e]-klank. Nederlandstaligen hebben echter de neiging om daar een [ə] van te maken.

Zo’n beetje de enige uitzonderingen zijn [e]’s aan het begin van een woord (zoals egaal). Die blijven meestal [e]. Maar dat komt weer doordat [ə] alleen bij kleine woordjes als er, het, een aan het begin kan staan.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.

6 reacties op Klankencyclopedie van het Nederlands (5): De [e]

  1. K schreef:

    Misschien is 'heelal' een uitzondering?

  2. Ingmar schreef:

    en melaats…

  3. Ja, heelal is wel een uitzondering (melaats niet, in ieder geval niet voor mij). Dat komt dan weer doordat [hə] in het Nederlands niet gaat, althans niet in het Nederlands van Nederland. Vlamingen zeggen wel [hət], ben eigenlijk wel benieuwd of diezelfde mensen dan ook [həlɑl] zeggen.

  4. Gaston Dorren schreef:

    Veelal? Meewarig? Veelvuldig? Of hebben die ee's hier nevenklemtonen?

  5. Ingmar schreef:

    Oh, ik zeg altijd meelááts, misschien onder invloed van leepróós… Is het dan mullááts?

    Trouwens als een Vlaming [həlɑl] zegt, bedoelt hij eerder gelal dan heelal. Het woord is natuurlijk een samenstelling van heel + al, dus een schwa hier in niet zo aannemelijk.

    In veelal zou ik de eerste lettergreep beklemtonen, véélal dus.

  6. Ja, dat denk ik, hoewel dat altijd moeilijk te bepalen is. In ieder geval ging dat onderzoek over woorden zonder morfologische structuur. Overigens: ook hier ging het weer om een statistische tendens (ik ben de laatste tijd erg bezig met de vraag wat het precies betekent dat er dit soort statistische tendensen lijken te bestaan: waar komen die vandaan? kun je laten zien dat sprekers op de een of andere manier op de hoogte zijn van die tendensen? enz.)

Reacties zijn gesloten.