‘D’olje komt assan booven’

Getouwtrek om het Frans-Vlaams

Wordt er in Frankrijk nog Nederlands gesproken? Alleen al over de formulering van die vraag kun je grote ruzie krijgen, blijkt uit het julinummer van de Nederlandse editie van National Geographic. In dat nummer is uitgebreide aandacht voor ‘stervende talen’ en de redactie die het ‘Frans-Vlaams’ als een voorbeeld beschouwt, heeft er een verslaggever op uit gestuurd.

De discussie over de status van de taal uit dat gebied blijkt in die reportage meteen een gevaarlijk wespennest waarin (quasi-)wetenschappelijke en politieke argumenten vrijelijk door elkaar gebruikt worden. Zo komen enkele ‘activisten’ aan het woord van de Akademie voor Nuuze Vlaemsche Taele die “het Vlaams niet zozeer als een Nederlands dialect [zien], maar als een taalvariant die zich direct uit het Germaans ontwikkelde.”

Daar heeft de Akademie aan de ene kant gelijk in, maar ze gaan dan wel voorbij aan het feit dat voor letterlijk ieder Nederlands en Vlaams dialect geldt dat het zich rechtstreeks uit het Germaans ontwikkeld heeft, zonder dat ‘het Nederlands’ daar een tussenstap in was. De Nederlandse standaardtaal is ontstaan uit de dialecten en niet andersom. Het is daarom oneigenlijk om te doen alsof ‘Nederlands dialect’ en ‘direct uit het Germaans ontwikkeld’ tegenover elkaar staat.

Archaïsch

Wel zou je natuurlijk kunnen zeggen dat het Frans-Vlaams niet of nauwelijks ooit door de Nederlandse standaardtaal beïnvloed is, al is ook daar iets vreemds mee aan de hand. Zo heeft het dialect kennelijk wel een min of meer vaststaande spellingnorm (zie bijvoorbeeld deze cursus) en die lijkt erg op oudere vormen van de Standaardnederlandse spelling. Zo wordt de als een verlengingsteken gebruikt: bewaeren, streektaelen en wordt gebruikt voor : zyn, vry. Die spelling geeft in ieder geval aan dat er ooit wel iets van de standaardtaal is overgenomen, al is dat lang geleden en gaat het misschien niet veel dieper dan de spelling. (Blijkens dit artikel was tot de Tweede Wereldoorlog de catechismus in deze streek geschreven in het dialect.)

Aan de andere kant komt Luc Devoldere aan het woord van de vereniging Ons Erfdeel. Volgens Devoldere bevindt het Frans-Vlaams zich in een ‘archaïsch stadium’ (wat dat betekent wordt niet uitgelegd, de verslaggever vond kennelijk dat dit vanzelf sprak) en zijn er te weinig sprekers over om er nog iets van te maken.

Spreekwoord

Devoldere vindt dat de Frans-Vlamingen daarom beter Standaardnederlands kunnen leren. Het argument dat hij daarvoor geeft is opmerkelijk: “De Franse Westhoek kent een hoge werkloosheid, terwijl die in West-Vlaanderen juist laag is; naar schatting tienduizend Fransen gaan dagelijks over de schreve om er hun geld te verdienen. De regio’s hebben elkaar nodig. Dan is verdieping in elkaars taal en cultuur onontbeerlijk.” Devoldere vindt het daarbij kennelijk niet nodig (of niet logisch) dat Frans-Vlamingen dan het veel dichterbij hun eigen dialect liggende West-Vlaams leren. Het Standaardnederlands is de taalcultuur van heel die regio! Noordwest Frankrijk moet naar de VRT luisteren!

Zowel de standpunten van de ANVT als die van Ons Erfdeel zijn doortrokken van de politiek. Het is interessant dat de Nederlandse standaardtaal kennelijk zo’n belangrijke rol speelt. Wie er gelijk krijgt zal de tijd leren. Het Frans-Vlaamse spreekwoord  luidt D’olje komt assan booven (‘de olie komt altijd bovendrijven’, de waarheid komt altijd aan het licht).

Een klein stukje uit de special van National Geographic staat op de website van het tijdschrift.


Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , , , . Bookmark de permalink.

2 reacties op ‘D’olje komt assan booven’

  1. Frens Bakker schreef:

    De Franse overheid kwam het goed uit als taalminderheden hun taal aan de randen van Frankrijk zich niet als verlengstuk van de buurtaal zagen. Aldus zou het Frans-Vlaams geen Nederlands, het Elzassisch en Lotharings geen Duits, het Corsicaans geen Italiaans dialect zijn. Het Elzassisch en het Lotharings hebben tussen 1871 en 1919 het Duits weer als daktaal gehad. Dat hadden hun sprekers graag zo gehouden en de Franse overheid had hun ook beloofd dat het Hoogduits een belangrijke plaats zou blijven innemen. Maar die belofte werd tussen de wereldoorlogen al gebroken. Na WO2 was het Duits besmet en daar heeft ze dankbaar gebruik van gemaakt.
    Dat het Vlaams een verre verwant van het Duits is, is de Frans-Vlamingen vaker ingewreven: 'Boches du Nord'. Toen de meeste Frans-Vlamingen nog Vlaams spraken, zijn petities voor lessen Nederlands in het onderwijs door Frankrijk stelselmatig genegeerd.
    Hoe het ook zij, sprekers van zulke minderheidstalen zijn inmiddels zo gewend aan hun huidige, niet-verwante daktaal dat ze de nauwverwante daktaal van de buren als vreemd ervaren.
    Als het Frans-Vlaams te redden is, lijkt me dat het er baat bij kan hebben dat zijn sprekers weer in contact komen met de Nederlandse standaardtaal. Als het kan, als aanvulling, niet als vervanger van het eigen Vlaams. Al is het maar om niet dezelfde fout de maken die de Belgisch-Vlamingen hebben gemaakt door hun eigen dialecten net zo meedogenloos in het verdomhoekje te plaatsen als de Franse overheid dat met haar minderheidstalen heeft gedaan.

  2. Dank u wel voor uw uitvoerige reactie. Het is een interessant dilemma. Ik begrijp aan de ene kant dat het voor de sprekers van een dergelijke kleine streektaal voordeel kan bieden om aan te sluiten bij de grotere, verwante, standaardtaal in een naburig land. Tegelijkertijd is het de vraag hoe verwant die standaardtaal en de cultuur van dat andere land precies aanvoelt en wat de spreker van zo'n minderheidstaal ermee opschiet om je van de ene grote (Franse) cultuur te wenden naar de andere middelgrote (Nederlandse).

Reacties zijn gesloten.