Al lezende in Ogier van Denemerken – 5

Al lezende in Ogier van Denemerken – 5 : Dodelijk demonstratief pronomen

Amand Berteloot

Al helemaal in het begin van OvD, in de verzen 30, 59 en 67 maken we kennis met een werkwijze van LuFl die typisch is voor zijn omgang met zijn Nederlandse brontekst. Het ziet er naar uit dat hij van het Nl. ‘missen’ Dt. ‘mischen / müschen’ (‘mengen’) maakte. Mnl.’(te-)male’ bracht hij waarschijnlijk in verband met Dt. ‘mâl’ en maakte er ‘zeichen’ van. En Mnl. ‘ghecrighen’ veranderde hij in Dt. ‘bekriegen’ (‘oorlog voeren tegen’). LuFl legt dus blijkbaar op associatieve wijze verbanden tussen Duitse en Nederlandse woorden die wat betreft klank en spelling op elkaar lijken, maar semantisch niets met elkaar te maken hebben. Dit verschijnsel is in de vreemdetalen-didactiek goed bekend onder het begrip ‘transfer’. Wanneer deze transfer tot correcte vertalingen leidt, spreekt men van ‘positieve transfer’. Levert het procédé daarentegen fouten op, dan noemt men het ‘negatieve transfer’ of ‘interferentie’. De geniepigste interferenties zijn woorden die in de moedertaal van de leerder en in de te leren taal nagenoeg gelijkluidend zijn, maar een heel andere betekenis hebben. Een mooi voorbeeld is het Dt. woord ‘knapp’ dat niet “handig, bekwaam, intelligent” betekent, maar wel “kort, bondig, schaars”. Zulke gevallen pleegt men ‘faux amis’ of ‘valse vrienden’ te noemen. Ze treden vaak op in talen die nauw met elkaar verwant zijn zoals het Nederlands en het Duits. Niemand is er als spreker van een vreemde taal tegen gevrijwaard, maar het zijn vooral beginnende leerders en onervaren sprekers die er het slachtoffer van worden.

LuFl heeft waarschijnlijk nooit Nederlands geleerd en was dus bijzonder gevoelig voor interferenties. Dat dat aanleiding kan zijn tot aanzienlijke misverstanden willen we in deze bijdrage laten zien. We nemen daartoe een schijnbaar onschuldig aanwijzend voornaamwoord in het vizier, dat zich als iets heel anders ontpopt. Een demonstratief pronomen als moordwapen als het ware.

In de verzen 988 tot 1019 wordt een tweegevecht tussen Karel de Grote en Gautier geschilderd. Het gaat er zo hevig aan toe dat Gautier al een zware wonde heeft opgelopen en er met zijn laatste krachten nog net in slaagt om Karel van zijn paard te werpen. Omdat Karel Gautier tevoren gezworen heeft, dat geen derde zich in de strijd zal mengen, wagen de omstaanders het niet de koning te hulp te komen, hoe hachelijk de situatie er voor hem ook uit mag zien. Op dat ogenblik houdt een “ritter von Bern” het echter niet langer vol en grijpt in. We citeren deze verzen zonder de diacritische tekens maar met de interpunctie naar de editie van HiWe:

Zu der steche satzte er sinen spriet,
Er reit uf Gautieren den jungeling,
Das diser von den scachten ging.
Da er sinen halßberch sach verwondt sere.
“Ay lase,” sprach der jung herre,
“Ich bin nu dot, ich mag nit mere.” (1024-1029)

Het algemene verloop van de handeling is in deze verzen wel makkelijk te volgen, maar als men de details van het fragment bekijkt, wordt het toch raadselachtig. Vooral vers 1026 is vreemd. De tjost van de “Bernier” was zo geweldig, dat Gautier “von den scachten ging”. ‘Scacht’ betekent zowel in het Middelhoogduits als in het Middelnederlands “speer, lans”, maar een uitdrukking ‘von den schachten gehen’ of ‘van den scachten gaen’ komt in geen van beide talen voor. En daar komt dan nog zo’n vreemde regel achter aan: Als Gautier ziet dat zijn pantser(hemd) erg ‘verwondt’ is, beklaagt hij zich dat zijn doodsstonde geslagen heeft. Aan een beschadigd pantser sterft men eigenlijk niet, en zo’n beschadiging noemt men ook geen ‘verwonding’. Tenslotte klopt er ergens iets niet met de syntaxis van de verzen 1027 tot 1029: Na een vooropgeplaatste bijzin verwacht men als eerste het werkwoord van de hoofdzin en geen (deel van een) lijdende voorwerpszin. In vers 1028 zou “sprach der jung herre” dus eigenlijk vóór “ay lase” moeten staan. Hoewel men bij rijmteksten wel eens water in de syntactische wijn moet doen, is er met deze regels blijkbaar iets aan de hand dat nader onderzoek verlangt.

Om vers 1026 te begrijpen moeten we terug naar vers 729. Daar zitten we eveneens midden in een gevecht. Dezelfde Gautier heeft het daar op Gherijn gemunt, die in opdracht van Karel de Grote op het punt staat Ogier aan de galg op te knopen. De strijd duurt niet lang. Gautier valt Gherijn met gevelde lans aan en onmiddellijk daarop volgt:

Diser rante yme in das hertz
Das er dot zu der erden sturtzt. (729-730)

Deze keer hebben we geluk want deze verzen zijn toevallig in een van de weinige Mnl. fragmenten bewaard gebleven. Ze luiden daar:

Tyser liep hem dor die herte
Dat hi doot ter aerden sterte. (Fragment B, 124-125)

Met de ijzeren punt van zijn speer steekt Gautier zijn tegenstander dus door het hart, zodat deze dood neervalt. “Diser” in vers 729 van de Duitse tekst is dus – anders dan men op het eerste gezicht zou denken – niet het aanwijzend voornaamwoord ‘dieser’, maar de omzetting van Middelnederlands ‘tyser’, een enclise van ‘dat iser’. In de Middelnederlandse legger van LuFl stond dus waarschijnlijk ‘diser’ in plaats van ‘tyser’, een vorm die minder westelijk is dan die in het fragment (vgl. VL Kl. § 114c Opm.). We hebben er het raden naar: Heeft LuFl dit woord niet begrepen, en – zoals hij vaker doet in zo’n geval – gewoon afgeschreven, of dacht hij aan het Dt. demonstrativum ‘dieser’? HiWe had het bij het goede eind, want in de voetnoot verklaart hij ‘diser’ als “das Eisen (des Turnierzeugs)”.

We zijn dus gewaarschuwd: Hoewel dit in het Duits compleet onmogelijk is, hoeft het woord ‘diser’ in het Heidelbergse handschrift niet automatisch een demonstratief pronomen te zijn. Het kan even goed een letterlijke overname uit de Middelnederlandse brontekst zijn en ‘het ijzer, de ijzeren punt van een speer’ betekenen. Dit is dus een gevaarlijke ‘valse vriend’, waarvoor wij op onze beurt bij het lezen van de Heidelbergse OvD voortdurend op onze hoede moeten zijn.

Met deze kennis in het achterhoofd keren we terug naar de verzen 1024 tot 1029. Vers 1026 heeft nu zijn geheim prijsgegeven, maar het wordt meteen duidelijk dat de zin met dit vers niet af kan zijn, met andere woorden dat er in de editie achter vers 1026 ten onrechte een punt staat. We verwachten immers dat er nog een bijwoordelijke bepaling volgt bij ‘ging’. En die staat inderdaad in het volgende vers. Hertaald luidt de zin dus:

Ten steke sette hi sinen spiet
ende reet up Gautier, den jonghelinc,
dat diser vanden scachte ghinc
doer sinen halsberch. (1024-1027)

LuFl (én met hem HiWe) beschouwde de bijzin in 1026, ook al leverde ze weinig zin op, als afgesloten, en begon met vers 1027 een nieuwe syntactische eenheid door ‘doer’ te vervangen door ‘da er’ (“toen hij”), waarbij hij met het persoonlijk voornaamwoord ‘er’ weer een interferentiefout maakte, want als in het Mnl. ‘er’ gestaan zou hebben, dan zou daarmee niet Dt. ‘er’ maar Dt. ‘dort’ bedoeld geweest zijn. De verzen 1028 tot 1029 vormen een zelfstandige zin, waaraan geen vooropgeplaatste bijzin kan voorafgaan. Dat betekent dat de laatste woorden van vers 1027 ofwel een zelfstandige syntactische eenheid moeten vormen, ofwel moeten aansluiten bij het eerste deel van dat vers. Is het mogelijk aan de hand van het voorhanden woordmateriaal uit vers 1027 de zin zo te completeren dat ze syntactisch en semantisch steek houdt? ‘Verwond(en)’ en ‘seere’ passen goed in de context, ‘sach’ daarentegen eerder niet. Hier wordt het langzaam glibberig, en we hebben geen enkele garantie dat we het bij het juiste eind hebben, maar met een kleine ingreep krijgen we zelfs de oorzaak voor Ogiers doodsklacht ingebouwd:

Ten steke sette hi sinen spiet
ende reet up Gautier, den jonghelinc,
dat diser vanden scachte ghinc
doer sinen halsberch ende verwondem seere.
“Ay lacie,” sprac die joncheere,
“ic bem nu doot, icken can niet mere.” (1024-1029)

Met de vaststelling dat HiWe geen enkel commentaar geeft bij vers 1026 gaan we naar de derde vindplaats voor ons omineuze ‘diser’. Dat staat in de verzen 3190 tot 3192:

Brunamont stach ine so onsoete,
Das ime diser floch in die herte
Und er dot zu der erden sturzte. (3190-3192)

Daarvan maken we nu met gemak:

Brunamont stac hem so onsoete
dat hem diser vlooch int herte
ende hi doot ter erden sterte. (3190-3192)

Ook hier doet HiWe er het zwijgen toe. Vertrouwt hij erop dat de lezer vers 729 nog wel in herinnering zal hebben? Of is hij het spoor zelf bijster geraakt? Dat de lezer zich zo’n 20000 verzen later nog aan vers 729 herinnert, is erg onwaarschijnlijk. Des te meer verwonderen we ons dat HiWe nog altijd geen commentaar levert bij de volgende verzen:

Iglicher satzte sin spere
Zum stich sich zu wehren da mit.
Namels von Bavier hatt glet
Nit lenger als er das siet,
Mer scherde sinen starcken spiet
Uf einen der Sarrazinen,
Das diser yme ron ine sin
Hertz al dur und dur. (23009-23016)

Zonder hier op verdere details in te gaan kunnen we de geciteerde verzen als volgt hertalen:

Ieghelijc sette sijn spere
ten steke, hem te werene daer met.
Namels van Bavier ne let niet langher als hi dat siet,
mer stierde sinen sterken spiet
up enen der Sarrasine
dat diser hem ran int herte sine
al dore ende dore. (23009-23016)

Als HiWe zich nog zijn aantekening bij vers 729 herinnert, waarom geeft hij de lezer dan niet tenminste bij vers 23015 de tip daar te gaan kijken? Of moeten we aannemen dat ook HiWe intussen vergeten is dat “diser” de betekenis ‘ijzeren speerpunt’ kan hebben? Dat dit laatste waarschijnlijk het geval is, blijkt uit de verzen 1511 tot 1512 en 1573 tot 1576.

Nadat de Sarrazenen Rome hebben ingenomen, stuurt Karel zijn troepen om de stad te ontzetten, maar zijn leger is veel kleiner dan dat van de vijand. Als Davimont, de zoon van de sultan, dat in de gaten krijgt, is hij zeker van de overwinning en laat hij zich grootsprakerig uit over de christenen:

Sie soelen diser van onsen spere
In ire libe gevallen schon. (1511-1512)

Omdat vers 1513 eindigt op “sunder won”, de bekende Middelnederlandse stoplap ‘sonder waen’ (< ‘sunder woen’), is de reconstructie van deze verzen weer niet moeilijk:

Si sullen diser van onsen speeren
in haren live ghevoelen saen. (1511-1512)

‘Gevallen’ door ‘ghevoelen’ vervangen lijkt op het eerste gezicht wel een drastische ingreep, maar als men wat ervaring heeft met de lectuur van OvD, weet men dat men bij LuFl op dit soort wispelturigheden voorbereid moet zijn. We herinneren aan de verandering van “doer” (‘door’) in “da er” (‘toen hij’) in vers 1027. Als de man een woord in zijn legger niet begreep of verkeerd las, was hij tot de merkwaardigste experimenten in staat. HiWe van zijn kant loopt in vers 1511 blindelings in de interferentieval. Hij interpreteert “diser” argeloos als demonstrativum, maar merkt wel dat de zin daardoor syntactisch geen steek meer houdt. Daarom grijpt hij naar een emendatie:

Sie soelen diser van onsen spere
In ire libe gevallen schon. (1511-1512)

Hoewel het Mittelhochdeutsche Handwörterbuch deze variant niet kent (wel ‘dise-’ of ‘dis-halp’ met de betekenis “auf dieser Seite”; zie Lex I, 440) krijgt de vermeende uitgang van ‘diser’ door de toevoeging van ‘halb’ een enigszins acceptabele functie: een genitief vrouwelijk enkelvoud bij ‘halb’ (vgl. modern Duits: ‘deshalb’). Maar de rest van de zin blijft raadselachtig. Daarom springt HiWe de lezer in de voetnoot met een vertaling bij: “Sie werden durch unsere Speere auf geziemende Weise zu Fall kommen.” We hebben er het raden naar, hoe deze vertaling tot stand gekomen is. ‘Op passende wijze’ zou met ‘schon’ (geïnterpreteerd als het moderne Duits “schön”?) te maken kunnen hebben, maar het rijm bewijst dat dat staat voor Middelnederlands ‘saen’ (dus “snel”). Waarom de woorden “in ire libe” en de emendatie “diser halb” in de vertaling van HiWe niet voorkomen, weet alleen hijzelf.

Dan zijn er nog de verzen 1573 tot 1576. We zitten deze keer midden in een veldslag. Alori, die van Karel de opdracht heeft gekregen, bij het ontzet van Rome de ‘Oriflamme’, het vaandel van het leger van de Franken, te dragen, opent met zijn troepen de eerste aanval. Meteen kiest hij een van de vijandelijke legeraanvoerders als tegenstander uit:

Einen kunig hatt er ußerkorn,
Den er stach mit sinem schafft,
Das yme dieser wel ein gelacht
Achter zu dem ruck uß wut. (1573-1576)

Deze keer levert HiWe zelf het bewijs dat hij zich vers 729 niet meer herinnert. Hij vertaalt de verzen 1575 tot 1576 in de voetnoot als: “so dass dieser bei ihm gut drinnen lag und hinten zum Rücken herausragte” Men moet de auteur van OvD wel tot een stevige portie cynisme in staat achten, als men hem laat zeggen dat de lans er bij Alori’s tegenstander ‘goed in lag’. Dat is HiWe’s vertaling van “wel ein gelacht”. “Ein” met het bijwoord ‘in’ te identificeren, ligt niet meteen voor de hand, maar “gelacht” als het imperfectum van het sterke werkwoord ‘(ge)liggen’ (vgl. Mhdt.’(ge)ligen’, Lexer I, 817) te beschouwen, is zonder meer uitgesloten. Het imperfectum daarvan luidt ‘(ge)lach’ zonder ‘t’-uitgang (Mhdt. ‘(ge)lac’ – Paul e.a., Mittelhochdeutsche Grammatik, p. 162, Anm. 6). Als ‘gelacht’ een werkwoord zou zijn, dan zou het nog wel het voltooid deelwoord van ‘(ge)leggen’ of zelfs van ‘lachen’ kunnen zijn, maar voor het gebruik van een participium bestaat in deze zin geen enkele aanleiding. ‘Gelacht’ is, zoals het onbepaald lidwoord ‘ein’ ervoor laat zien, een zelfstandig naamwoord. Het gaat om een oude lengtemaat, die in het Middelnederlandsch Woordenboek vertaald wordt als “klafter” (MNW, II, 1188-1189), dat wil zeggen “de afstand tusschen de vingertoppen der horizontaal uitgestrekte armen” (WNT VII [2e druk], 3317). Het is dus weer eens een koud kunstje om deze verzen te hertalen naar het Middelnederlands:

Enen coninc heefti ute vercoren,
dien hi stac met sinen scachte,
dat hem diser wel een ghelachte
achter ten rugghe ute woet. (1573-1576)

Wie de tekst van LuFl wil begrijpen, moet veel creativiteit aan de dag leggen en een goed gevoel voor Duits-Nederlandse interferenties meebrengen. En de bovenstaande voorbeelden laten zien dat ook HiWe, de moderne uitgever van de Dt. OvD, deze klassieke valkuilen slechts bij hoge uitzondering als zodanig heeft herkend en al even makkelijk in de val loopt als de vijftiende-eeuwse kopiist.

Brock, juli 2012

Bibliografie

WNT: Woordenboek der Nederlandsche taal. ’s-Gravenhage 1993, 2e druk.

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.