Matthias Hüning: Is er een toekomst voor de neerlandistiek ‘extra muros’?

20 jaar Neder-L? Zo lang al? Neder-L werd door Ben Salemans opgericht toen ik aan het begin stond van mijn academische loopbaan. Ik was er vanaf het begin bij en ik ben blij dat de redactie mij heeft gevraagd heeft om naar aanleiding van dit jubileum eens na te denken over de toekomst van ons vak, de neerlandistiek.

Honderd jaar geleden, in 1912, is Johannes Franck in Bonn benoemd tot gewoon hoogleraar voor ‘Niederdeutsche und Niederländische Philologie’ aan de universiteit van Bonn, die universiteit waar hij al sinds 1879 werkte, eerst als privaatdocent en daarna, sinds 1886, als buitengewoon hoogleraar. Franck staat daarmee aan het begin van een succesverhaal. Zoals onder andere blijkt uit onze bundel over de geschiedenis van de universitaire neerlandistiek buiten Nederland en Vlaanderen [1] kwam er de afgelopen decennia steeds meer belangstelling voor de studie van het Nederlands, eerst in de Europese buurlanden, vervolgens in Scandinavië en Zuid-Europa en later ook – mede dankzij het actieve beleid van de Nederlandse Taalunie – in Midden- en Oost-Europa. Overal onstonden er nieuwe universitaire opleidingen en instituten. Een vakgroep als die van Wrocław is de afgelopen twintig jaar gegroeid tot een groot en belangrijk centrum voor de studie van de Nederlandse taal- en letterkunde.

Er zijn echter aanwijzingen dat deze fase van vanzelfsprekende groei voorbij is en op een aantal plaatsen zijn afdelingen en instituten Nederlands in de problemen gekomen. Een paar voorbeelden: In Duitsland zijn lectoraten opgeheven, de afdelingen Nederlands in München en in Leipzig (één van de oudste en bekendste) zijn gesloten. Toen ik vorig jaar te gast was bij de docentenbijeenkomst van de Scandinavische neerlandistiek, hing daar een sfeer van wanhoop. De afdeling Nederlands in Kopenhagen is gesloten en in Göteborg wordt de opleiding nu toch niet uitgebouwd tot hoofdvak, maar in plaats daarvan waarschijnlijk opgeheven. De leerstoel van Zofia Klima Klimaszewska in Warschau is na haar overlijden niet herbezet. Ik zou zo nog een tijdje kunnen doorgaan. “Potentie en groei zitten op dit ogenblik in China, Marokko en Armenië”, schrijft Linde van den Bosch, net afgetreden als secretaris van de Nederlandse Taalunie, in de al genoemde bundel over de geschiedenis van de Europese neerlandistiek.

Doordat de universiteiten in toenemende mate vanuit economische gezichtspunten worden bestuurd, krijgen kleinere talenstudies het moeilijk. De argumenten zijn steeds dezelfde en hebben over het algemeen te maken met de studentenaantallen. Het ‘rendement’ van een opleiding wordt tot centraal criterium en leidt ertoe dat niet alleen in Nederland talenstudies in de problemen komen. De Nederlandse politiek reageert daarop en zoekt een oplossing in het samenvoegen van opleidingen. Minister Zijlstra vindt dat de alfastudies aan ‘schaalvergroting’ en ‘verbreding’ moeten doen.

Dergelijke tendenzen zien we in Duitsland (nog?) niet en er is dan ook geen reden om somber te zijn over de toekomst van de Duitse neerlandistiek. In tegendeel: er is veel belangstelling voor de taal en ook de neerlandistische BA-opleidingen zijn attractief en trekken studenten. Moeilijker wordt het bij de MA-trajecten. Hier blijken alleen die programma’s het goed te doen, die opleiden voor een concreet beroep: de lerarenopleidingen dus. De arbeidsmarkt biedt voor leraren Nederlands in Nordrhein-Westfalen en in Niedersachsen uitstekende perspectieven en de studenten komen (ook) daarom af op de studie Nederlands.

De neerlandistische masteropleidingen die niet in het teken staan van de opleiding van leraren daarentegen zijn geconfronteerd met een gebrek aan belangstelling. Het concept van de traditionele ‘Nederlandse taal- en letterkunde’ lijkt hier niet meer zonder meer te werken. Een voor de hand liggende oplossing is de splitsing (op masterniveau) in een taalkundige opleiding en een letterkundige opleiding. In het onderzoek is deze splitsing door de vergaande specialisering al lang een feit en ook voor een deel van onze studenten lijkt deze weg aantrekkelijk. Zo kiest een aantal van onze BA-afstudeerders ieder jaar voor de master ‘Talen van Europa’, een vrij succesvolle masteropleiding aan de FU, waarin ook het Nederlands en de Nederlandse taalkunde een plaats hebben, maar dan vanuit een principieel vergelijkend perspectief. Voor de Nederlandse letterkunde blijkt een dergelijke integratie in een algemeen letterkundig programma echter minder makkelijk te realiseren. En het is ook nog maar de vraag is of we deze weg in het onderwijs werkelijk moeten bewandelen. Dat zou dan immers meteen ook het einde van de neerlandistiek als vak betekenen.

Een mogelijk alternatief is dat we nog eens heel goed nadenken over de manier waarop we dit vak, de neerlandistiek, in het buitenland invullen. In tijden van internationalisering en globalisering heeft een opleiding die zich uitsluitend richt op de taal en de cultuur van één land (of een taalgebied) iets hopeloos ouderwets. Wij weten dat allemaal, maar de manier waarop we ons onderzoek en ons onderwijs vormgeven, wekt vaak de indruk dat we het nog steeds niet hebben begrepen (en ik sluit mezelf hier uitdrukkelijk in). Het lijkt me noodzakelijk het Nederlands en de Nederlandse literatuur en cultuur nog veel sterker en explicieter te plaatsen in een internationale of toch tenminste Europese context. Vragen van taal- en cultuurcontact behoren immers tot de essentiële kwesties van deze tijd. Joop van der Horst vroeg zich onlangs in een provocerend stukje voor ‘Onze Taal’ (11/2011) af hoe het toch mogelijk is dat “een talenstudie nu iets voor losers is”, terwijl taal nog nooit zo belangrijk is geweest voor de samenleving als nu. Door migratie en mondialisering hebben we allemaal voortdurend te maken met andere talen en culturen. De vragen en de problemen, de uitdaging en de kansen die daarmee samenhangen, zijn van enorme maatschappelijke relevantie en wij zouden een bijdrage moeten leveren aan deze discussies. Het is aan ons om studenten op te leiden, die zich intensief met cultuur en cultuurcontact bezig houden. Vreemde talen, kennis over het functioneren van taal, over taalcontact en meertaligheid zijn sleutelkwalificaties.

Het gaat er, met andere woorden, om de maatschappelijke relevantie van onze vakken te versterken en veel duidelijker te presenteren. Uit de aard van ons onderzoek en uit de curricula van onze studies moet dan wel heel duidelijk blijken dat dit meer is dan alleen een lippendienst. Het onderzoek wordt niet daardoor internationaler, dat we dezelfde artikelen nu in het Engels publiceren. Het onderwijs wordt niet attractiever door de oude colleges nu in het kader van Engelstalige masteropleidingen aan te bieden. Een perspectief waarin cultuur- en taalvergelijkende aspecten centraal staan en waarin het bestuderen van een vreemde taal en cultuur wordt betrokken op maatschappelijk relevante vragen en ontwikkelingen heeft consequenties voor de opzet, de methode en de resultaten. We moeten daarvoor ook in nog sterkere mate de interdisciplinaire samenwerking zoeken. Hiervoor geschikte concepten te ontwikkelen lijkt me de essentiële uitdaging. Als onverbeterlijke optimist geloof ik dat er wel degelijk ruimte is voor talenstudies in het algemeen en voor de neerlandistiek in het bijzonder binnen het internationale onderzoekslandschap en ook in het opleidingsprofiel van onze universiteiten, zowel op BA- als ook op MA-niveau. Sterker nog: ik ben ervan overtuigd dat er een maatschappelijke behoefte is aan dergelijke studies. Alleen moeten we dan wel bereid zijn om de uitdagingen aan te gaan.

Matthias Hüning, hoogleraar Nederlandse taalkunde, Freie Universität Berlin

[1] Matthias Hüning, Jan Konst & Tanja Holzhey (red.) (2010): Neerlandistiek in Europa. Bijdragen tot de geschiedenis van de universitaire neerlandistiek buiten Nederland en Vlaanderen. Uitgegeven in samenwerking met Guy Janssens, Stefan Kiedroń & Roel Vismans. Münster, New York, München, Berlin: Waxmann (Niederlande-Studien, 49).

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.