Helen de Hoop: Maak je je druk over de neerlandistiek?

Het laatste college, dat voor de gelegenheid drie uur duurde in plaats van twee, bestond uit korte lezingen van tien minuten van studenten die zelf een onderzoekje hadden gedaan op het gebied van persoonlijke voornaamwoorden van vooral de tweede persoon. Het Nederlands maakt veel gebruik van de tweede persoon en soms op een zeer speciale manier. Mijn sportinstructrice zegt sinds een half jaar steeds dingen als “Jouw heupen zijn recht boven jouw voeten”, “Span jouw buik aan” en “Jouw hoofd is in het verlengde van jouw romp”. Ze spreekt dan tegen de hele zaal, niet specifiek tegen mij. In het begin had ik de neiging om terug te mompelen: “Ja, wie z’n buik anders?” Maar jewent er heel snel aan.

Ik heb voor dat college ook een discussieforum geopend om interessante uitspraken uit het dagelijks leven te verzamelen en daar staan nu de prachtigste voorbeelden. Een student haalde het volgende berichtje van Facebook: “Ben ik al 45 minuten op het werk, kom je erachter dat je vandaag vrij bent.” Een andere studente tekende op uit de mond van een verzorgster in Apenheul (bij het voederen van de dwergapen met levende insecten): “Je weet anders niet waarom ze dood zijn gegaan en anders krijg je misschien buikpijn. Dus je kunt de insecten dan beter levend eten.” En één student hoorde tot zijn verbazing iemand over een op dat moment niet aanwezige vriend, Daan, zeggen: “Dat is toch dom! Je bent Daan, dan houd je daar toch rekening mee.
Presentaties in het laatste college gingen onder andere over dit gebruik van ‘je’, bijvoorbeeld of driejarige kinderen dat ook al gebruiken (ja, dus), of Engelsen ‘you’ ook op die manier gebruiken (ja, dus, en op bijna even grote schaal), en of dit ‘je’ een vertraging oplevert in interpretatie, gemeten in reactietijd (het voorlopige antwoord is ‘nee’). Maar het experiment waar ik wat meer over wil vertellen, ging over het gebruik van de tweede persoon in een verhaal en het effect daarvan op de lezers.
Het is wel bekend dat lezers zich sneller identificeren met een hoofdpersoon in de eerste dan in de derde persoon, maar de hypothese van deze drie studenten was dat identificatie nog beter gaat als het verhaal is geschreven in de tweede persoon. Een van de drie studenten, een student Nederlands die onlangs tweede werd in de Opium Verhalenwedstrijd 2012, schreef speciaal voor de gelegenheid een kort verhaal van een bladzijde. Daarvan werden twee versies gemaakt, een in de ik-vorm (Terwijl ergens in het station op een fluitje wordt geblazen stap ik de AH To Go binnen. Drinkyoghurt, dat is wat ik nodig heb…) en een in de jij-vorm (Terwijl ergens in het station op een fluitje wordt geblazen stap je de AH To Go binnen. Drinkyoghurt, dat is wat je nodig hebt…).

Het experiment werd afgenomen bij een ander college van mij. De twee versies werden om en om uitgedeeld aan 37 studenten, die niet doorhadden dat er twee versies waren, en na het verhaal gelezen te hebben, moesten ze op de achterkant enkele vragen beantwoorden. Het resultaat was opzienbarend. Hoewel alle studenten antwoordden dat zij zeker niet zouden hebben gedaan wat de hoofdpersoon in het verhaal deed (zoiets doe jeook niet, normaal gesproken), scoorde de je-versie significanthoger op “In mijn verbeelding was het alsof ik de hoofdpersoon was” en op “Ik had het gevoel dat ik doormaakte wat de hoofdpersoon doormaakte”.
Ik denk dat de toepassing van linguïstische methoden om literaire werken te analyseren verfrissend kan werken in de literatuurwetenschap, terwijl de uitbreiding van dagelijks taalgebruik als object van studie naar de taal van literatuur een verrijking kan betekenen van de taalwetenschap. Kortom, je ziet zeker een toekomst voor de neerlandistiek (ik in elk geval wel)!
Helen de Hoop, hoogleraar Theoretische taalwetenschap, Radboud Universiteit Nijmegen
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.