Al lezende in Ogier van Denemerken – 3

Al lezende in Ogier van Denemerken – 3 : Vertalen en hertalen

Amand Berteloot


De Heidelbergse Ogier von Dänemark staat te boek als een vertaling uit het Middelnederlands. Maar het is zeer de vraag of de term ‘vertaling’ hier wel op zijn plaats is.

In de Middeleeuwen duidde men de talen van Noordwest-Europa onder andere met de begrippen ‘Dietsch’ en ‘Duutsch’ aan. Dit zijn twee taalgeografische varianten van één en hetzelfde adjectief, dat zoveel als ‘van het volk’ betekent. Het feit dat Jacob van Maerlant de begrippen ‘Dietsch’ en ‘Duutsch’ in de proloog bij zijn leven van sint Franciscus in een opsomming achter elkaar noemt (Maximilianus 1954, I, blz. 38, vers 133) bewijst dat die begrippen daadwerkelijk distingerend werden gebruikt: Voor Jacob was ‘Dietsch’ niet hetzelfde als ‘Duutsch’, maar wat onderscheidde ze dan van elkaar?
Het is zo goed als zeker dat de grens tussen beide in ieder geval niet samenviel met die tussen wat we nu ‘Nederlands’ en ‘Duits’ noemen. Met andere woorden de term ‘Dietsch’ is niet geschikt als naam voor het Middelnederlands, zoals dat vaker werd en soms nog wordt gedaan. ‘Dietsch’ was blijkbaar een deel van wat we vandaag Middelnederlands noemen, en met het begrip ‘Duutsch’ kon men naast het resterende deel van het Middelnederlands ook het Duits aanduiden. De grens tussen ‘Dietsch’ en ‘Duutsch’ lijkt een onderscheiding te maken tussen die regionale taalvariëteiten waarin de oude Westgermaanse diftong ‘eu’ onder bepaalde omstandigheden tot een ‘ie’ was geworden en de overige, waarin daaruit een ‘uu’ (en later een diftong) was ontstaan. Ze scheidde dus grofweg het zuidwesten van de rest van het Germaanse talencontinuum. Jacob plaatst beide begrippen op één lijn met Brabants, Zeeuwsch en Vlaams, zodat de indruk ontstaat dat het om kleinschalige talengroepen gaat, die we vandaag de dag ‘dialecten’ zouden noemen. Aan de andere kant zet hij dit hele rijtje echter naast “Walsch, Latijn, Griex ende Hebreeus” (Maximilianus 1954, I, blz. 39, vers 134), die ontegensprekelijk van een andere aard zijn dan de vorige termen. We moeten hieruit besluiten dat de Middeleeuwers zich bewust waren van het bestaan van een continuum van weliswaar van elkaar verschillende, maar met elkaar verwante Germaanse talen, dat zich uitstrekte van de Noordzee tot over de Alpen in het zuiden en tot ver in het oosten. Aan zijn grenzen werd dit continuum door de Romaanse en de Slavische talenfamilies omkaderd. Dat er binnen dit Germaanse taalcontinuum een brede waaier van regionale variëteiten bestond en bestaat, die onder andere in Hoogduitse, Nederduitse en Nederlandse onderscheiden kunnen worden, schijnt aan het gevoel voor eenheid geen afbreuk gedaan te hebben. Dat zal waarschijnlijk het gevolg zijn van het feit dat de meeste van de overgangen tussen die variëteiten geleidelijk verliepen, zodat er nergens echte breuklijnen werden waargenomen.

Wanneer een tekst zich nu binnen zo’n continuum beweegt, kan men dan van een ‘vertaling’ spreken? Wanneer een Brabander een Hollandse tekst afschreef, paste hij die aan zijn eigen idioom aan, maar hij zou waarschijnlijk nooit op het idee gekomen zijn om dat wat hij deed ‘vertalen’ te noemen. Die talige aanpassing was heel normaal, zeker bij het afschrijven van literaire, maar ook bij het kopiëren van officiële documenten. Zo veranderde het woord ‘naselocken’ voor ‘neusgaten’, dat de uit Aalst afkomstige Hernse kartuizer Petrus Naghel in zijn Legenda aurea-vertaling als equivalent voor het Latijns ‘nares’ gebruikte, bij Vlaamse en Hollandse afschrijvers in ‘nosegaten’, in Limburg en aan de Nederrijn in ‘naseholen’ en in Keulen in ‘naeslicher’ (Berteloot 1997). De overgangen zijn even geleidelijk als het taalcontinuum zelf: in de loop van het afschrijfproces wordt de tekst steeds ‘Duitser’ of in de andere richting steeds ‘Nederlandser’. Langs deze weg zijn de Renout van Montalbaen en de Malegijs in Heidelberg terecht gekomen. Het eindproduct kan zijn herkomst uit het westen niet verloochenen, maar de tekst heeft er in de loop van het afschrijfproces zijn verstaanbaarheid niet bij ingeschoten.

Hoe verder een tekst zich van zijn thuisbasis verwijderde, des te meer veranderingen kon hij ondergaan, zonder dat we daarbij van een ‘vertaling’ spreken. Wanneer hij echter in de loop van het afschrijfproces het territorium verliet, waar vandaag de dag het Nederlands standaardtaal is, dan krijgen we het moeilijk. Die tekst werd dan Nederduits, Westfaals, Nedersaksisch, Rijnlands, Ripuarisch of Rijnfrankisch enzovoort, al naar gelang van de plaats waar de kopie tot stand is gekomen, maar hij verliet het grote Germaanse continuum niet. We hebben met andere woorden nog steeds te maken met regionale variëteiten binnen één en dezelfde taal. Vanuit deze optiek moeten we ons afvragen of er binnen dit grote Germaanse talencontinuum überhaupt sprake kan zijn van ‘vertalen’. Dit leidt tot een voor ons paradoxe situatie: zolang het Nederlands en het Duits geen eigen standaardtaalvariëteit hadden ontwikkeld, was het theoretisch onmogelijk binnen het continuum van de ene regionale variëteit in de andere te ‘ver’-talen. Dat betekent in de praktijk echter nog lang niet dat iedereen zich binnen het continuum overal verstaanbaar kon maken of dat elke tekst automatisch overal voor iedereen verstaanbaar was. De overgangen binnen het continuum zijn weliswaar geleidelijk, maar met de toenemende afstand tussen twee variëteiten, wordt de verstaanbaarheid steeds kleiner. Continuum of niet, de talige afstand tussen beide dreigde op den duur zo groot te worden dat zelfs geschreven teksten niet meer zonder meer begrijpelijk waren. Maar wat betekent in dit verband ‘begrijpelijk’? Wanneer is de afstand tussen twee variëteiten binnen een continuum zo groot dat hij niet meer overbrugbaar is? Dat varieert vermoedelijk met het taalvermogen van elk individu. Waar moet men dan grenzen gaan trekken? Het was dus in de praktijk zonder meer mogelijk dat twee sprekers uit verschillende streken elkaar niet meer konden begrijpen al spraken ze theoretisch dezelfde taal, of dat teksten (gedeeltelijk) onbegrijpelijk waren voor sprekers van dezelfde taal. Theoretisch kon men hier niet eens ‘vertalen’, want ‘vertalen’ kan men alleen van de ene taal naar de andere. Men kan het probleem hooguit oplossen door een onderscheid te maken tussen een ‘intern’ en een ‘extern’ soort vertalen. ‘Extern vertalen’ betekent dan van de ene taal naar de andere, ‘intern vertalen’ daarentegen is een omzetting van de ene taalvariëteit naar de andere binnen dezelfde taal of binnen het gemeenschappelijke talencontinuum van de betrokken variëteiten.

Hoe zo’n ‘intern vertaalproces’ in zijn werk gegaan is, kan men zeer goed demonstreren aan de hand van Ogier van Denemerken. Ontstaan in Vlaanderen, heeft deze tekst zich niet geleidelijk naar het oosten verspreid, maar hij maakte in één keer een sprong tot in het verre Heidelberg. Niettemin zag de Heidelbergse paltsgraaf of iemand van zijn familie die belangstelling voor deze tekst had, geen enkele aanleiding om met het OvD-manuscript anders om te gaan dan met de Renout of de Malegijs, waarvan hij eventueel Ripuarische afschriften kon laten kopiëren. Hij (of zij) liet de tekst door één van de klerken, in dit geval Ludwig Flugel (LuFl), eenvoudigweg afschrijven alsof er niets aan de hand was. LuFl was met de knepen van zijn vak vertrouwd, maar werd waarschijnlijk nooit tevoren geconfronteerd met een tekst die talig zo ver van zijn eigen idioom verwijderd was als dit Vlaamse manuscript. Wat hij bij het schrijven gedacht heeft, weten we niet. We zien alleen het resultaat van zijn inspanningen. Feit is dat hij zijn brontekst onvoldoende begreep om hem adequaat om te zetten. De grote lijnen van het verhaal heeft hij begrepen, maar met de details raakte hij voortdurend in de knoei.. Zelfs met simpele begrippen als ‘paus’, ‘pape’ en ‘onthalen’ had hij moeilijkheden (Berteloot 2011). Hij probeerde ononderbroken ‘intern’ te vertalen, dat wil zeggen de tekst voor Heidelbergse lezers begrijpelijk te maken, en boekte daarbij in de loop van het afschrijfproces zelfs vooruitgang. Als hij na verloop van tijd begreep dat hij een fout gemaakt had, probeerde hij die weliswaar verder te vermijden, maar nooit keerde hij terug in de tekst om zichzelf te corrigeren en zijn lezers van zijn nieuwe inzichten te laten profiteren. Waar hij zijn legger helemaal niet meer begreep, probeerde hij niet eens hem aan te passen, maar schreef hij hem letter per letter af. Daarbij maakte hij talrijke leesfouten zoals het aan de lopende band verwisselen van ‘mi’ en ‘nu’, het niet herkennen of het verkeerd oplossen van abbreviaturen en het foutief positioneren van woordgrenzen. Men krijgt zelfs de indruk dat hij op een aantal plaatsen zo geïrriteerd was door zijn legger, dat hij niet eens meer de moeite deed om begrijpelijk Middelhoogduits te schrijven. Het resultaat is op talrijke plaatsen vrijwel onleesbaar, want zelfs Hilkert Weddige, de moderne uitgever van de tekst, een specialist op het gebied van de Middelhoogduitse taal en literatuur, zit om de haverklap met de handen in het haar. In zijn ‘Vorbemerkung’ schrijft hij de omineuze zin: “Gleichwohl erscheint auch jetzt noch manches von dem, was man am Morgen verstanden zu haben glaubte, am Abend schon wieder unsicher” (blz. VII). LuFl moet ongetwijfeld geweten hebben dat zijn kopie op talrijke plaatsen onleesbaar was. En toch heeft hij aan het eind niet geaarzeld om er in het Latijn zijn naam onder te plaatsen: “Completum per me Ludwicum Flugel”. Hij hoefde zich voor zijn werk ook niet te schamen, want hij had precies dat gedaan wat zijn opdrachtgever (of -geefster) van hem verlangd had: een handschrift afschrijven. Voor de inhoud van de tekst was de auteur verantwoordelijk, niet de kopiist.

De conclusie van deze overwegingen moet dus luiden dat we er, wat betreft de periode vóór het tot stand komen van de beide standaardtalen Duits en Nederlands, pakweg de zestiende eeuw dus, goed aan doen om voor teksten die zich binnen het Germaanse talencontinuum bewegen de term ‘vertaling’ zoveel mogelijk te vermijden. Vertalen kon men in de Middeleeuwen van het Latijn of het Frans naar het Nederlands, maar niet van het Nederlands naar het Duits of omgekeerd. Ondertussen hebben het Nederlands en het Duits zich tot zelfstandige standaardtalen ontwikkeld en vallen de taalgrenzen in veel gevallen met de officiële staatsgrenzen samen. Dat iemand die een poging zou doen om OvD naar het moderne Nederlands om te zetten, een ‘vertaling’ aan het maken is, daarover kan nauwelijks twijfel bestaan. Maar kan men dit begrip ook gebruiken, als men aan de hand van de Middelhoogduitse de Middelnederlandse tekst probeert te reconstrueren? Wat geen ‘vertaling’ was, kan niet ‘hervertaald’ worden, en als men Middelnederlands schrijft, moet men zich aan de regels oriënteren, die voor het Middelnederlands gelden: een Germaanstalig continuum, waarbinnen men niet ‘vertalen’ en dus ook niet ‘hervertalen’ kon en kan. Het lijkt daarom het veiligste om onze poging om de Nederlandse brontekst van LuFl te reconstrueren niet een ‘hervertaling’ maar een ‘reconstructie’ of een ‘hertaling’ noemen.

Brock, juni 2012


Bibliografie

– Berteloot 1997: A. Berteloot, ‘De neus van Sint Bartholomeus’. In: A. van Santen en M. van der Wal (red.), Taal in tijd en ruimte. Voor Cor van Bree bij zijn afscheid als hoogleraar Historische Taalkunde en Taalvariatie aan de Vakgroep Nederlands van de Rijksuniversiteit Leiden. Leiden 1997, blz. 267-273.
– Berteloot 2011: A. Berteloot, ‘Gewollt und nicht gekonnt? Oder erst gar nicht gewollt? Der Heidelberger Ogier von Dänemark.’ In: Zeitschrift für Deutsche Philologie 130, 2011. Sonderheft. B. Bastert, H. Tervooren, F. Willaert (ed.): “Dialog mit den Nachbarn. Mittelniederländische Literatur zwischen dem 12. und 16. Jahrhundert”, blz. 193-201.
– Maximilianus 1954: Sinte Franciscus leven van Jacob van Maerlant. Uitgegeven, ingeleid en toegelicht door P. Maximilianus. Zwolle, 2 dln.

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.