Al lezende in Ogier van Denemerken – 2

Al lezende in Ogier van Denemerken – 2: Rijm-analyse
   
Amand Berteloot
   
Het Middelnederlands is geen standaardtaal zoals het moderne Nederlands. Het is een verzameling van onderling min of meer verschillende regionale taalvariëteiten die ook in hun verschriftelijkte vorm nog herkenbaar waren en zijn. Zodoende is het niet alleen mogelijk teksten met een goede kans op waarschijnlijkheid te lokaliseren, bij rijmteksten bestaat zelfs de kans om via een analyse van de taal meerdere geografische lagen te onderscheiden. Dat heeft vooral te maken met het feit dat afschrijvers ook wanneer ze een tekst aan hun eigen idioom aanpasten, in de regel de rijmen respecteerden. Daar is een heel pragmatische reden voor: wie een rijmklank verandert, zal zich verplicht gevoeld hebben een nieuw rijm te verzinnen. Dat was iets voor dichters, maar normaal gesproken waagden afschrijvers zich daar liever niet aan. Als het enigszins mogelijk was, hielden ze aan de rijmen uit hun legger vast. Wel moet men er rekening mee houden dat dichters ook andere dan de eigen variëteit kenden en in geval van rijmnood ook elders gingen zoeken naar passende rijmwoorden. Jacob van Maerlant gebruikte daarvoor het begrip ‘misselike tonghe’ en formuleerde: “Men moet om de rime souken / Misselike tonghe in bouken” (Maximilianus 1954, dl. 1, blz. 38, verzen 131-132). Dit fenomeen is uitvoerig beschreven in Van den Berg en Berteloot 1991. In Van den Berg en Berteloot 1993 werd deze methode voor het eerst op de persoon van Jacob van Maerlant toegepast.

Omdat LuFl in de grond genomen niets anders deed dan een Brabantse kopiist die een Hollandse tekst afschreef, moeten dezelfde regels ook op zijn tekst van toepassing zijn. Het feit dat de talige afstand tussen de brontekst en de kopie aanzienlijk groter was dan die van Holland naar Brabant kan daarbij eigenlijk geen rol spelen. Het bijzondere bij de werkwijze van LuFl is dat deze in de formulering van M. Schubert “een brede tolerantie voor onzuivere rijmen” aan de dag legt (Schubert e.a. 2002, blz. 56). Anders uitgedrukt: LuFl doet net als zijn collega’s zelden pogingen om nieuwe rijmparen te verzinnen. Liever laat hij de rijmwoorden uit de brontekst staan, maar omdat hij ze desondanks aan zijn eigen idioom aanpast, neemt hij daarbij vaak op de koop toe, dat oorspronkelijk zuivere rijmen in onzuivere rijmen veranderd worden. Op deze manier zijn de oorspronkelijke rijmwoorden, al rijmen ze vaak niet meer, bewaard gebleven. En dat is alles wat we voor een rijmanalyse nodig hebben.
   
Het eerste luik van het taalonderzoek heeft HiWe al gedaan In de inleiding op zijn editie doet hij verslag van zijn grafematische analyse van LuFl’s tekst. De conclusie luidt dat onze kopiist een zuidelijk Rijnfrankisch gekleurd Westmiddelduits schrijft (bladzijden XLIX tot LXV, samenvatting op blz. XLIX). Die taalelementen die HiWe bij zijn onderzoek voortdurend roet in het eten kwamen gooien, namelijk de relicten uit de Nederlandse brontekst, geven ons nu de kans de vraag te stellen waar OvD ontstaan is. En dat onderzoek is van essentieel belang als we aan een reconstructie van de tekst denken.
   
We willen op voorhand nog opmerken dat de onderstaande getallen voorlopig zijn. Bij de telling hebben we met name die rijmparen buiten beschouwing gelaten, waarin voor de hertaling complexe reconstructies noodzakelijk waren. Het overzicht berust dus alleen op de rijmparen die een grote mate van betrouwbaarheid bezitten. Alleen wanneer we de betrokken rijmen meer dan één keer hebben aangetroffen vermelden we de aantallen. Als er geen aantal opgegeven wordt, gaat het dus telkens om één vindplaats.
   
Beginnen we met enkele korte vocalen. A. van Loey merkt in zijn Klankleer [VL Kl] op dat in het westen van het Nederlandse taalgebied talrijke woorden met een oorspronkelijke korte ‘a’ in plaats daarvan een korte ‘o’ vertonen: ‘af’, ‘brachte’, ‘sachte’ verschijnen daar als ‘of’, ‘brochte’, ‘sochte’ en dergelijke. Over het algemeen zijn de vormen met ‘o’ westelijk, die met ‘a’ oostelijk, al komen deze laatste ook wel in het westen voor (VL Kl § 3 Opm. 1). Van deze ontwikkeling vinden we talrijke voorbeelden in het rijmmateriaal van OvD. De imperfectumvorm van ‘moghen’ (“mochte”) rijmt 6 keer op “(ghe)dochte”, (<‘(ghe)dachte’), 8 keer op “(on)sochte” (<‘sachte’), 3 keer op “wrochte” (d.i. ‘wrachte’, het imperfectum van ‘werken’) en 3 keer op “brochte”. De imperfectumvorm respectievelijk het voltooid deelwoord van ‘copen’ (“ghecocht”) rijmt 2 keer op “wrochte” (als boven) en op “brochte” (<‘brachte’). “Ghecnochte”, de imperfectumvorm van ‘cnopen’, rijmt op “brochte” en 2 keer op “onsochte”. Het voltooid deelwoord van ‘zoeken’ (“ghesocht”) vormt een rijmpaar met “brocht” en het substantief “lof” rijmt op “of” (<‘af’). Er zijn dus circa 24 rijmparen te vinden die de ontwikkeling van ‘a’ tot ‘o’ attesteren en OvD als een westelijke tekst kenmerken.
   
Zoals Van Loey opmerkt komen er in het westen echter ook vormen met ‘a’ voor. Deze vinden we in het rijmmateriaal van OvD bijna even vaak als die met ‘o’. Veel van de bovengenoemde woorden vormen rijmparen met andere die als rijmvocaal uitsluitend een ‘a’ kunnen hebben. Het Mnl. substantief ‘macht’ rijmt regelmatig op “bedacht” (7x) en één enkele keer op “onsacht”. Mnl. ‘cracht(e)’ is rijmpartner van “bracht” (2x), “ghedachte(n)” (3x) en “ghewracht”. Mnl. ‘scacht’ rijmt steeds op “ghedacht” of “bedacht” (6x). ‘Gheslachte’, dat nergens de Brabantse variant ‘gheslechte’ naast zich heeft, rijmt op “ghedachte” (2x). Daarnaast vinden we “af” twee keer als rijmpartner van “gaf” en één keer van “graf”. Deze mengeling van ‘a’ en ‘o’ is in het westen en zeker in westelijke rijmteksten zeer gewoon.
   
De ontronding van de korte ‘u’ tot een korte ‘i’ noemt men ‘Ingweoons’, dat wil zeggen dat ze evenals de verandering van ‘a’ in ‘o’ in het westen, vooral in de kuststreek voorkomt (vgl. VL Kl § 19). Het verschijnsel is in OvD goed te observeren. Het substantief “stic(ke(n))” (Nl. ‘stuk’) rijmt op “micken”, “ic” (2x) en “dicke” (4x). Ook dit is geen regel zonder uitzondering. De variant “stuc” rijmt op “ongheluc” (18632-18633), een woord waarin de rijmvocaal geen ‘i’ kan worden. Verder rijmt het substantief “pit” (Nl. ‘put’) op het demonstrativum “dit”. Erg ongewoon zijn de rijmparen 15823-15824 en 16205-16206 waarin het werkwoord ‘sullen’ telkens op een vorm van het werkwoord ‘willen’ rijmt. Het verschijnsel is momenteel nog niet onderzocht, maar het zou een uiterst zeldzaam geval van Ingweoonse ontronding van de ‘u’ in ‘sullen’ kunnen zijn. Uit onze bevindingen omtrent de korte ‘a’ en de korte ‘u’ blijkt in ieder geval dat OvD uit het westen van het Nederlandse taalgebied afkomstig moet zijn.
   
Het voltooid deelwoord van ‘sijn’ luidt in de Duitse tekst van OvD meestal “gewesen”, ook twee keer in het rijm. Ook de vorm “gewest” komt één keer voor. Daarnaast verschijnt drie keer de variant “ghesijn” in het rijm. Als zodanig rijmt deze vorm twee keer op “fijn” en één keer op “sijn”. Volgens Van Loeys Vormleer [VL Vl] is het gebruik van ‘ghesijn’ beperkt tot het zuidelijke Mnl. (VL Vl § 74). Het ziet er dus naar uit dat we de lokalisatie van OvD tot het zuidwesten zullen moeten beperken.
   
Gaan we naar een paar lange vocalen. Een aantal woorden met ‘uu’ afkomstig uit de Westgermaanse diftong ‘eu’ heeft in het zuidwestelijke Mnl. een ‘ie’. Het substantief “vier” (Nl. ‘vuur’) rijmt op “Ogier” (4x), “fier” (3x) en “Broyier”. Het adjectief “diere” (Nl. ‘duur’) rijmt op “Ogiere”, “maniere”, “sciere”, “spauliere”, “Broyiere”, “putertiere” en “chiere”. Het substantief “liede” (Nl. ‘lieden, lui’) rijmt op “ontbiede(n)” (3x), “scieden”, “meisniede” en “sieden”. Het voltooid deelwoord van ‘stieren’ (Nl. ‘sturen’) is gekoppeld aan “ghebatalgiert”, “verfiert” en “ghelogiert”. Het adjectief “ghehier” rijmt op “Bavier”. De ‘ie’-vormen (25 rijmen bij elkaar) zijn in tegenstelling tot die met ‘uu’ zuidwestelijk. Er is maar één enkele uitzondering te vinden in OvD en wel het rijm “dure : aventure” (16565-16566). Normaal kunnen deze woorden in het zuidwesten niet op elkaar rijmen. Het lijkt dus een geval van ‘misselike tonghe’ te zijn. Een zeer bijzonder rijmpaar vindt men nog in de verzen 8770-8771. Hier is “lieden” gekoppeld aan “beeden” (Nnl. ‘beide’), wat de variant “leden” postuleert. Deze staat als West-Vlaams te boek (VL Kl § 53).Vergelijkbaar is ook het rijmpaar “cristen lúde : mid” in de verzen 22382-22383, waar een lichte onzekerheid voorhanden is omdat in plaats van “kerstine lede” ook “kerstijnhede” (rijmend op “mede”) in het spel zou kunnen zijn.
   
De voltooide deelwoorden van de werkwoorden ‘dragen’ en ‘slaan’ hebben in het Mnl. soms een lange ‘aa’ en soms een lange ‘ee’ in de stam. In onze tekst komen we in rijmpositie “ghesleghen” respectievelijk “versleghen” tegen, rijmend op “deghen” (3x) en “gheleghen”. Daarnaast verschijnt echter ook “gheslaghen”, rijmend op “maghen” en “vraghen”. De vormen met lange ‘aa’ zijn algemeen, die met ‘ee’ zijn eerder zuidwestelijk.
   
Het demonstratief pronomen ‘degene’ verschijnt steeds met ronding van de ‘ee’ tot ‘eu’. “Deghone” rijmt daarbij steeds op het substantief “sone” (8x), dat in het Kustmiddelnederlands een ‘eu’-vocaal heeft (VL Kl § 61 Opm. 1). De ronding in “deghone” is zuidwestelijk (VL Kl § 57 Aant.).
   
Onze aantekeningen bij de lange vocalen ‘uu’, ‘ee’ en ‘ee/eu’ bevestigen dus het vermoeden dat we OvD in het zuidwesten van het Nederlandse taalgebied moeten plaatsen. Uit wat volgt zal steeds duidelijker worden dat we daarbij inderdaad aan West-Vlaanderen moeten denken.
   
In een aantal woorden ontwikkelt de korte ‘i’ zich tot ‘e’. Dat is bijvoorbeeld het geval in “es”, de derde persoon enkelvoud indicatief presens van ‘sijn’. Deze vorm komen we in OvD één keer tegen in het merkwaardige rijmpaar “lives : es” (12346-12347), dat echter niet betrouwbaar schijnt te zijn. Bij een tweede rijmpaar lijkt “is” zelfs veel waarschijnlijker te zijn, al levert het uiteindelijk alleen een assonantie en geen echt rijm op: “Acharijs : is” (21550-21551). Veel interessanter zijn echter drie paren waarin Mnl. “legghen” (d.i. Nl. ‘liggen’) op “segghen” rijmt. Deze vorm is uit het Hollands bekend (VL KL § 9 Opm.), maar komt ook in West-Vlaanderen voor (Berteloot 1984, Kaart 45).
   
Het werkwoord “commen” met een uit een lange ‘oo’ verkorte vocaal is een Vlaamse variant (VL Kl § 82, Opm. 3). In OvD vinden we een rijmpaar “commen : ghesommen” (214-215) met een rijmpartner dus die geen lange ‘oo’ kan hebben.
   
Het werkwoord “toghen” (Nl. ‘tonen’) is Vlaams. Het rijmt in OvD op “oghen” en “moghen” (2x).
   
De lange vocaal ‘uu’ vóór ‘r’ maakte in West-Vlaanderen een bijzondere ontwikkeling door, en wel tot ‘eu’ (VL Kl § 88a). Dit verschijnsel is in OvD op diverse plaatsen in de rijmen te observeren. Het substantief “ure(n)” rijmt op “dore” (Nl. ‘door’, dat in het Mnl. een ‘eu’-vocaal heeft; 11x), “score(n)” (Nl. ‘scheur(en)’; 3x) en “verboeren” (Nl. ‘verbeuren’). Op “dore” rijmen verder ook: “aventure” (3x), “mure” (2x), “nature” en “couverture” (2x).
   
De eerste persoon enkelvoud van ‘sijn’ luidt in Vlaanderen “ic bem”. In OvD rijmt hij in de regel op het persoonlijk voornaamwoord “hem”. Daarvoor zijn er niet minder dan 20 attestaties voorhanden. Daarnaast zijn er 7 vindplaatsen waarin de vorm rijmt op het substantief “sin”, wat op het eerste gezicht een toch wel erg oostelijke variant “ic bin” lijkt te veronderstellen. Maar hier moet er rekening mee gehouden worden dat in het westen naast ‘sin’ ook de variant ‘sen’ mogelijk is, waar dan de normale vorm “ic ben” op kan rijmen. Desondanks staat in OvD ook een paar “in : bin” waar niet aan te tornen valt. Is het origineel of heeft LuFl daar aan meegeholpen?
   
In de regel kunnen in het Mnl. de monoftong ‘î’ en de tweeklank ‘ie’ niet op elkaar rijmen. In het noordwesten van Vlaanderen duiken echter met name voor de persoonlijke voornaamwoorden met ‘î’ zoals ‘mi’, ‘si’ en ‘wi’ regelmatig spellingen met ‘ie’ op, die op een afwijkende uitspraak wijzen. Dit fenomeen treffen we in OvD aan in meerdere rijmparen waarin deze pronomina verbonden zijn met woorden die zonder twijfel een diftong ‘ie’ als rijmvocaal hebben. “Mi” (Nl. ‘mij’) rijmt op “ghescie” (4x), “drie” (3x), “wie”, “(ont)sie” (3x) en “ie” (Nl. ‘ooit’). Enigszins verrassend is de variant “mijn” van ‘mi’ rijmend op “ghescien” respectievelijk. “messcien” (3x) en op “vlien” (11462 – 11463).
   
In West-Vlaamse, vooral Brugse, oorkonden vindt men in de 13de eeuw regelmatig de spelling “ruddare” voor ‘ridder’. Deze ‘a’-realisatie van de schwa vindt men ook in OvD terug. “Ruddare(n)” rijmt op “scare(n)” (3x), “sparen”, “hare” (nnl. ‘hier’), “waren” en “bewaren”. Het woord “rutare” (Nl. ‘ruiter’ of eveneens ‘ridder’?) rijmt op “waren”.
   
Een echt West-Vlaams schibbolet, dat in de geschreven taal meestal zorgvuldig vermeden wordt, is het optreden van de variant ‘us’ voor het voornaamwoord ‘ons’ In OvD is er één rijmpaar binnengeslopen dat deze variant vereist: “ons : cruus” (21611-21612).
   
Een ietwat ruimer verspreid verschijnsel, dat echter eveneens nog schibbolet-karakter heeft, is de ronding van de vocaal in ‘wech’ (VL Kl § 14 Opm. 1). We vinden dit Vlaamse “woch” als rijmpartner van “noch” in de verzen 22816-22817.

Hierboven hebben we al op een aantal plaatsen gesignaleerd dat er ook tegenvoorbeelden te vinden zijn. We willen ook hier niet verhelen dat er ook een paar verschijnselen geregistreerd kunnen worden die niet naar het zuidwesten wijzen. Ze leveren echter geen homogeen beeld op en moeten bijgevolg waarschijnlijk met Jacob van Maerlant als ‘misselike tonghe’ gekarakteriseerd worden: het gebruiken van vreemde taalvormen met het doel passende rijmen te construeren.
   
Diverse vormen van het werkwoord ‘kennen’ rijmen op “beghinne”, “coninghinne”, “binnen” (2x), “sinne(n)” (2x), het substantief “kint” en “minde”. Hier lijkt dus overal de Brabantse vorm ‘kinnen’ in het spel te zijn, al is het niet uitgesloten dat het een of andere woord uit de lijst ook met een ‘e’ als rijmvocaal kan optreden, zoals we hierboven in verband met ‘es’ hebben vermeld.
   
In de kuststreek mogen we spontane palatalisatie van de oude korte ‘u’ verwachten, waardoor naast de gewone vorm met ‘o’ ook varianten met ‘u’ optreden zoals ‘up, vul, busch’. In de rijmen vinden we echter “op” en niet ‘up’ en wel rijmend op “bisscop” (2x) en assonerend op “belof”.
   
In het westen luidt het imperfectum van ‘willen’ gewoonlijk ‘wilde’, in het oosten eerder ‘woude’. Er zijn twee rijmen die een ‘ou’ als rijmvocaal postuleren en wel op “boude” en op “houden”.
   
Heel vreemd doet het rijmpaar “openbare : vercoren” (12893-12894) aan, dat eigenlijk alleen aan de Nederrijn en in het westelijk Nederduits kan voorkomen omdat beide woorden daar een lange ‘aa’ als rijmvocaal kunnen hebben. Hier heeft LuFl vermoedelijk zijn vingers in het spel gehad.

Tot nu toe hebben we uitsluitend de rijmen bekeken, maar het is niet onwaarschijnlijk dat er ook binnen in de verzen Vlaamse relicten zijn blijven staan. Die springen echter niet zo in het oog. Een paar kunnen we er alvast met het nodige voorbehoud opsommen. De verzen 4188 – 4189 luiden “[…] also mi geburen / Soude te tegene tmine”, waarbij WeEm terecht opmerkt dat “tegene” een verbastering is van Mnl. ‘togene’. Dat is, zoals we hierboven hebben gezegd, een Vlaams woord. Hetzelfde geldt volgens het MNW ook voor het woord ‘rechtsweer’ met de betekenis ‘volle neef’ in vers 635. LuFl kon dit woord niet kennen en maakte er “rechten schwere” van, wat WeNo, die met hetzelfde probleem te kampen had, op zijn beurt als “jenes große Leid” interpreteerde. Interessant is in de verzen 4459, 4536 en 4579 het telwoord “vier male zwentzig”. Het Mnl. voorbeeld zal hier ‘vierewerf twintech’ hebben gehad, een uit het Frans afkomstige variant voor ‘tachtich’, die naar de bevindingen van M. Mooijaart (Mooijaart 1992, blz. 301-302, kaart 156) vooral in Vlaanderen aan te treffen is. Interessant is ook “yeendt” in vers 8447, dat WeGl terecht in verband brengt met Mnl. ‘ghehent’ (‘nabij, in de buurt’). Het ziet ernaar uit dat hier een relict van de West-Vlaamse realisatie van het prefix ‘ghe-‘ als ‘ie-‘ én een voor Vlaanderen eveneens typische deletie van de ‘h’ in het spel is. Ook de versterking van de meervoudspronomina met ‘liede’ (‘wiliede, hemlieden’) schijnt vooral van Vlaamse herkomst te zijn. In vers 11750 lezen we “ine luden” (Mnl. ‘hem lieden’) en in vers 22152 staat “uns luden” (Mnl. ‘ons lieden’). Tenslotte signaleren we in vers 2672 nog de vorm “diere” en in 19313 “bestieren” met het typische zuidwestelijke vocalisme, waar we hierboven al op hebben gewezen. Een leuke hypercorrectie is ten slotte nog te vinden in vers 3359: “Ogier sprach mit furen synne”, waar LuFl het adjectief ‘fier’ met het substantief ‘vuur’ verwisselt en automatisch met een lange ‘uu’ weergeeft. WeGl interpreteert het daarna als Mnl. ‘vurijn’ en vertaalt het met “feurig”.

Er zullen nog wel meer gevallen zijn die relevante informatie bevatten, maar voordat de tekst compleet gereconstrueerd is, kunnen we hier niet veel meer aan toevoegen. De betrouwbare gegevens wijzen in hun grote meerderheid steeds naar West-Vlaanderen. Dat spoort uitstekend met de informatie uit de tweede proloog van OvD, waarin de dichter meedeelt dat hij zich tot het schrijven van OvD heeft laten overhalen ter gelegenheid van een Vlaams dameskransje. Hertaald naar het Mnl. zouden die verzen met het nodige voorbehoud als volgt kunnen klinken:
   
        Hets leden een goet stic
        dat ic gheseten was te stade
        in Vlaendren bi liever laden
        bi goeden gheselscape ute vercoren.
        Scoonre vrauwen, hoghe ende wel gheboren
        saten vele in onsen rinc.
        Van menigherhande dinc
        sanc men daer die liedekine   
        ieghelijc na der manieren sine. (4178-4186)

Met het oog op de Vlaamse origine van OvD ligt het voor de hand daar bij de reconstructie van de tekst rekening mee te houden. Een aantal typisch Vlaamse karakteristieken kunnen makkelijk ingebouwd worden, zonder dat de lectuur van de tekst bemoeilijkt wordt. We opteren daarom voor het gebruik van de volgende varianten:
   
–    ‘ou’-spelling voor ‘oe’ vóór labialen en gutturalen, zoals in ‘roupen’, drouch’ e.d.;
–    ‘o’ i.p.v. ‘a’ in woorden als ‘of’, ‘brocht’, ‘ghedochte’ enz.;
–    ‘o’-spelling in ‘deghone’;
–    ontronding van ‘u’ tot ‘i’ in woorden als ‘stic’, ‘pit’, ‘dinne’ e.d.;
–    ronding van ‘i’ in ‘rudder’;
–    vernauwing van ‘e’ tot ‘i’ in woorden als ‘bringhen’, ‘inghel’ e.d.:
–    palatalisatie van ‘o’ tot ‘u’ in woorden als ‘vul’, ‘wulle’, ‘up’ e.d.;
–    ‘ic bem’ i.p.v. ‘ic ben’;
–    ‘helcht’ i.p.v. ‘helft’.
   
Omdat er goede redenen zijn om aan te nemen dat de legger die LuFl gebruikte een Oost-Vlaamse kopie geweest is (hierover later meer), kiezen we ook voor ‘au’-spelling voor ‘ou’ in woorden als ‘vrauwe’, ‘trauwe’ en dergelijk. Bewust afzien doen we daarentegen van een aantal andere kenmerken die weliswaar Vlaams zijn, maar die het lezen bemoeilijken en / of in het bovenstaande taalonderzoek niet of te weinig gedocumenteerd konden worden, zoals:

– het pronomen ‘soe’ voor de derde persoon enkelvoud vrouwelijk ‘si’;
– de prothesis van ‘h’ in woorden met anlautende vocaal (‘hiser’ i.p.v. ‘iser’ e.d);
– procope van ‘h’ in de anlaut (‘ant’ i.p.v. ‘hant’ e.d.);
– ‘ie’-realisatie van het prefix ‘ghe-’ (‘iegheven’ i.p.v. ‘ghegheven’ e.d);
– ‘ei’-spelling van de zachtlange ‘ee’ (‘meide’ i.p.v. ‘mede’ e.d.).
   
Brock, juni 2012
   
   
Bibliografie

Van den Berg en Berteloot 1991: E. van den Berg en A. Berteloot, ‘Taalgeografische variabelen in Middelnederlandse rijmen’. In: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Afl. 2-3, blz. 238-273.

Van den Berg en Berteloot 1993: E. Van den Berg en A. Berteloot: ‘Waar kwam Jacob van Maerlant vandaan?’ In: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Afl. 1, blz. 30-77.

Berteloot 1984: A. Berteloot, Bijdrage tot een klankatlas van het dertiende-eeuwse Middelnederlands. Gent z.j., 2 dln.

Maximilianus 1954: Sinte Franciscus leven van Jacob van Maerlant. Uitgegeven, ingeleid en toegelicht door P. Maximilianus. Zwolle, 2 dln.

Mooijaart 1992: M. Mooijaart, Atlas van Vroegmiddelnederlandse Taalvarianten. Leiden.

Schubert e.a. 2002: M.J. Schubert met medewerking van R. Bentzinger en A. Haase, ‘Nederlands-Duitse betrekkingen op het gebied van taal en literatuur in de late Middeleeuwen. Over de manier waarop Malagis, Ogier en Reinolt vertaald zijn.’ In: De Smet 2002, blz. 53-64.

De Smet 2002: G. de Schutter en J. Goossens (red.), Van Madelgijs tot Malagis. Een bundel opstellen verzameld n.a.v. de tachtigste verjaardag van Gilbert de Smet. Gent [Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde] 2002. Studies op het gebied van de oudere Nederlandse letterkunde, nr. 1).

VL Kl: A. van Loey, Middelnederlandse Spraakkunst. II. Klankleer. Groningen 1968 5e druk.

VL Vl: A. van Loey, Middelnederlandse Spraakkunst. I. Vormleer. Groningen 1966 5e druk.

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Al lezende in Ogier van Denemerken – 2

  1. janien schreef:

    van Loey! Waar heb ik ze staan! Wat is dat lang geleden … Ik zie ze wel voor me. Dat mooie papier, er moesten nog bladzijden opengeknipt.

Reacties zijn gesloten.