Taaltoets Krakkemikkig Nederlands

Het faculteitsbestuur van Rechten van de Universiteit Leiden sprak onlangs harde woorden over de ‘taaltoets Juridisch Nederlands’ die eerstejaarsstudenten enkele maanden geleden aflegden. Een meerderheid van de studenten was gezakt voor die toets en dat was onacceptabel, zei Pauline Schuyt, portefeuillehouder onderwijs, in Mare(24april 2012): ‘Eigenlijk moet je Nederlands foutloos zijn als je hier studeert.’

Dat klinkt krachtdadig: weg met de lankmoedigheid! Leve de hoge norm! Wij doen geen concessies aan de kwaliteit! Maar wat betekent het in de praktijk? Wat meet de toets precies? Welke maatregelen gaat het faculteitsbestuur nemen? En wat heeft het ervoor over?Ik was benieuwd of ik, als taalkundige, wel aan de eisen zou voldoen, en vroeg de taaltoets op, om precies te zijn, de herkansing van afgelopen januari. Wat bleek: ik zou niet in aanmerking zijn gekomen voor de rechtenstudie als Schuyt het voor het zeggen had. Van de 95 vragen had ik er 2 mis. Dat zou weliswaar ruim genoeg zijn geweest voor een voldoende – de grens lag bij 17 fout – maar niet voor wat het faculteitsbestuur ‘eigenlijk’ verlangt.

Zou Schuyt, die behalve Rechten ook Nederlands gestudeerd heeft, de toets zelf wél foutloos maken? Dat weten we niet – om de discussie te verhelderen zou het nuttig zijn als het faculteitsbestuur zelf eens zo’n toets maakte, en de resultaten publiceerde. Ik vraag me af hoeveel foutloze examens daar dan bij zitten.

Strompelen

<

De belangrijkste oorzaak van de malaise, zo blijkt uit bestudering van de gedetailleerde resultaten: de studenten kunnen niet lezen. De taaltoets bestaat weliswaar voor een zeer groot deel uit vragen over de spelling – 30 vragen gaan over d/t-kwesties, en nog eens 11 over andere spellingvraagstukken, op zich al een opmerkelijke keuze, die obsessie voor correcte spelling –, maar het grote struikelblok was de leesvaardigheidstoets. Nogmaals Schuyt: “Als het daaraan schort, kun je echt in de problemen komen. Als een student een wettekst leest en niet weet wat het verschil is tussen mitsen tenzij, dan kan dat desastreuze gevolgen hebben.”

Nu is de leesvaardigheidstoets inderdaad het lastigste onderdeel. De belangrijkste reden daarvoor is dat hij bestaat uit ‘echte’, aan juridische hand- en leerboeken ontleende teksten. En het is verbazingwekkend wat men een rechtenstudent kennelijk aan proza voorschotelt.

“Onderzoekers delen de sociale werkelijkheid op”, lees ik als voorbeeldtekst in een van de leesvaardigheidstoetsen, “in vele deelaspecten, vaak in functie van wat ze willen onderzoeken of bestuderen. Theorieën helpen hen daarbij. Immers, elk onderzoek wordt bepaald en opgezet vanuit een bepaald theoretisch kader.” Zo strompelt de tekst nog enkele zinnen voort tot hij leidt tot bij een witte plek die multiple-choicemoet worden ingevuld.

Deelaspecten

Zo’n beetje alles is mis met die paar zinnen. Degene die dergelijke teksten schrijft – een afgestudeerd jurist, mogen we aannemen, mogelijk een lid van de staf van de Leidse Rechtenfaculteit – is misschien niet de eerst aangewezene om te mopperen over de taalvaardigheid van studenten.

Opvallend is vooral de mateloze omslachtigheid, het zwelgen in onzinnige toevoegingen: onderzoekers delen de sociale werkelijkheid niet zomaar op, nee, ze doen delen haar op indeelaspecten(dus ook niet alleen maar in aspecten, maar in deelaspecten). Bovendien doen die onderzoekers dat niet in het wilde weg, maar “in functie van wat ze willen onderzoeken”.Of “bestuderen”, voegt de schrijver daar nog aan toe, want dat is natuurlijk heel iets anders. En onderzoeken worden niet uit een willekeurig theoretisch kader opgezet, maar uit een bepaaldtheoretisch kader. (De laatste zin is natuurlijk ook stilistisch geen pareltje, met dat ‘bepaald uit een bepaald kader’.) Het enige wat klopt aan dit stukje is dat, inderdaad, alle d’s en t’s keurig op hun plaats staan.

Je zou bijna zeggen: iemand die zo’n krakkemikkige tekst wél helemaal kan doorlezen – juist met zo iemand moet wel iets mis zijn met de taalvaardigheid. Of beter: misschien moeten eerst de schrijfvaardigheden van de docenten worden aangepakt voordat men van de studenten gaat eisen dat ze beter leren lezen.

Tentamenperiode

Het is niet waarschijnlijk dat de Rechtenfaculteit dat ook daadwerkelijk gaat doen. Alle tekenen wijzen erop dat men een en ander op een koopje wil doen. Om te beginnen is een taaltoets die alleen uit meerkeuzevragen bestaat natuurlijk nauwelijks een serieus toetsinstrument – vooral ingegeven door het gemak dat het geeft bij het nakijken: je zou een dictee moeten afnemen, je zou de studenten zelf wat moeten laten schrijven om goed te kunnen onderzoeken (of bestuderen) wat er aan de hand is. Verder lijkt men ook niet bereid om studenten die zakken op enigerlei wijze bij te staan– als een student onze teksten niet kan lezen, moet die student daar maar snel wat aan doen.

Wel is gezakte studenten een cursus aangeboden voor de prijs van twintig euro. Tot verbazing van het faculteitsbestuur bleek niemand daarop te hebben gereageerd. Het artikel in Maregaat in op enkele mogelijke redenen zoals dat het resultaat van de taaltoets dit jaar toch nog geen gevolg heeft voor de student of dat er de cursus werd aangeboden tijdens een tentamenperiode. Eén mogelijke reden wordt echter over het hoofd gezien: dat de oproep om aan de cursus deel te nemen was geschreven door een docent en dat de studenten hem bijgevolg onmogelijk konden begrijpen.

Dit artikel verschijnt vandaag ook in Mare.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in taalbeheersing met de tags , , , . Bookmark de permalink.