De klucht van de Schuyfman

De klucht van de Schuyfman is een vroeg zestiende-eeuws stuk dat bewaard is gebleven in het Trou moet blijcken-archief. Het is een van de leukste toneelstukken uit onze literatuurgeschiedenis en het verdient meer aandacht. Helaas is de editie uit 1928 (herdruk 1932) van Stoett alleen maar tweedehands te koop en gelukkig staat deze editie op dbnl-site. Femke Kramer gebruikte deze klucht als schoolvoorbeeld van laat-middeleeuwse humor in haar proefschrift Mooi vies, knap lelijk.

In Een esbatement Vande Schuyfman zijn twee bevriende schooiers, Schuyfman en Sloef, op zoek naar iets te eten. Ze zijn op zee geweest, maar vonden het werk op een schip toch wel erg zwaar. Dat zien ze niet meer zitten. Ze bedenken allerlei plannen, zoals huismussen van het dak schieten, een beurs stelen en bedelen als schipbreukelingen.

Voordat ze die plannen echter tot uitvoering kunnen brengen, stuiten ze op een afgelegen woning waar ze wel om eten kunnen gaan vragen. Helaas reageert de dove vrouw die opendoet niet op hun smeekbedes, maar begint allerlei onsamenhangende verhalen te vertellen. Terwijl Schuyfman haar aan de praat houdt, probeert Sloef naar binnen te gaan om eten te zoeken. Dan maakt de vrouw een opmerking waar ze wél wat aan hebben: de overbuurvrouw is overleden en daarom geeft de familie eten weg.

Terwijl ze zich naar het lijkenhuis haasten, mijmeren ze over hun favoriete spijzen: baarzen, Vlaamse kazen en halve ossen, het liefst met tien bokalen bier. Bij de overburen aangekomen, krijgen ze echter alleen een brood. Ze smeken om meer, maar de deur wordt in hun gezicht dichtgeslagen. Zinnend op wraak blijven ze rond het huis hangen. Ze gluren naar binnen en komen erachter dat de zoon en dochter van de overledene ’s nachts bij hun moeder zullen waken. Ze vallen echter al snel in slaap en dat geeft de twee schooiers de gelegenheid een doortrapt plan tot uitvoering te brengen.

Ze binden het lijk van de vrouw op een veulen dat vlakbij in de wei stond en binden het vast aan de klopper van de deur. De zoon en dochter worden wakker van het geluid en zien hun moeder op het veulen. Ze zijn ziek van angst, omdat ze denken dat het lichaam bezeten is door een boze geest. Ze gaan de pastoor halen en smeken hem de geest uit te drijven. Ondertussen eten Schuyfman en Sloef de voorraadkast leeg. De pastoor spreekt wat bezweringen uit, maar is zelf net zo bang.

De schooiers lachen zich rot en komen dan op een nog genialer idee: ze bieden aan om tegen betaling de boze geest naar het kerkhof te leiden en daar het lichaam te begraven. Zo loopt het verhaal goed af voor de schurken: ze hebben een volle buik en houden ook nog een zakcentje over aan hun avontuur!

Voor haar bachelor-scriptie wilde Loes Verberne weten hoe Schuyfman behandeld kan worden in de klas. Eén ding is zeker: met alleen de Middelnederlandse tekst wordt het erg moeilijk. Vandaar dat zij deze klucht vertaald heeft in modern Nederlands. De Schuyfman verdient een groot publiek, ik maak er daarom graag een beetje propaganda voor.

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , , . Bookmark de permalink.

Één reactie op De klucht van de Schuyfman

  1. Johan Volkers schreef:

    Als voorzitter van de Leydse KluchtenCompagnie heb ik deze klucht al eens 'kritisch' bekeken. Als leeswerkje is het niet onaardig, om het te spelen lijkt het vrij onuitvoerbaar.

    Of het tot de leukste toneelstukjes uit die tijd hoort?
    Volgens mij hoort het werkje niet tot het beste dat die tijd heeft voortgebracht.

Reacties zijn gesloten.