Al lezende in Ogier van Denemerken – 1

Al lezende in Ogier van Denemerken – 1: Proloog

Amand Berteloot

In 2003 werd mij verzocht voor de Rheinische Vierteljahrsblätter drie boeken in één keer te recenseren. Het eerste was de kort tevoren verschenen Malegijs-editie [Malegijs 2000]. Het tweede werk was een kleine bundel opstellen over de Malegijs opgedragen aan Gilbert de Smet [De Smet 2002] en het derde de toen kersverse editie van Ogier von Dänemark [Ogier 2002]. Bij de Malegijs en de Ogier en overigens ook bij de Renout van Montalbaen gaat het om teksten van Nederlandse oorsprong die in Duitsland terecht zijn gekomen en waarvan in de tweede helft van de vijftiende eeuw aan het hof van de paltsgraven te Heidelberg complete afschriften zijn vervaardigd, terwijl van de Nederlandse voorbeelden alleen fragmenten bewaard zijn gebleven. Het feit dat Gilbert de Smet lange tijd de drijfveer is geweest achter de editie en het onderzoek van deze drie werken, verklaart waarom de genoemde Malegijs-bundel aan hem was opgedragen. Deze drie publicaties binnen de daarvoor voorziene beperkte ruimte bespreken was geen sinecure, alleen al als men bedenkt dat de Malegijs-editie 635 en de Ogier-uitgave net geen 700 bladzijden beslaan. Gelukkig heeft de redactie van de Rheinische Vierteljahrsblätter zich indertijd inschikkelijk getoond en wat meer plaats ter beschikking gesteld dan oorspronkelijk de bedoeling was. Daardoor kon wat uitvoeriger op de beide edities worden ingegaan.

Omdat de Heidelbergse teksten zowel de Duitse als de Nederlandse literatuur betreffen, lag het voor de hand de editie ervan aan een team van neerlandici en germanisten toe te vertrouwen. Het lijstje van niet minder dan zes editeurs op de titelbladzijde van de Malegijs documenteert deze samenwerking, en de kwaliteit van de editie is daar het gevolg van. In het geval van de Ogier ligt dat anders. Daar worden weliswaar ook drie editeurs, één germanist en twee neerlandici, genoemd, maar de neerslag daarvan zoekt men in deze uitgave tevergeefs. Aan de hand van een vijftal voorbeelden heb ik in de genoemde recensie [Berteloot 2004] gedemonstreerd dat in de tekstverklaringen door gebrek aan kennis van het Middelnederlands de bal op een aantal plaatsen stevig mis geslagen werd. En die vijf gevallen vormden maar een willekeurige greep uit een ruim aanbod. Het boek geeft eigenlijk nergens blijk van een grondige kennis van het Middelnederlands of van vertrouwdheid met Middelnederlandse epische teksten. Dat is meer dan merkwaardig als men onder de uitgeversnamen die van H. van Dijk en Th.J.A. Broers aantreft, twee erkende specialisten op dit gebied. Over de aard van de samenwerking tussen de hoofdediteur Hilkert Weddige (HiWe) en zijn Nederlandse collega’s, waar in het begin ook B.W.Th. Duijvestijn bij behoorde, wordt er in de ‘Vorbemerkung’ een en ander meegedeeld. Van Dijk en Broers zouden de transcriptie van het handschrift, de interpunctie en het voetnotenapparaat gecontroleerd en kritisch becommentarieerd hebben. Voor wat de teksteditie betreft wil ik dat graag aannemen, maar wat de voetnoten aangaat, kan ik me gezien het resultaat niets anders voorstellen dan dat HiWe talloze opmerkingen van Van Dijk en Broers achteloos in de wind heeft geslagen. In het hele boek heb ik ook slechts één enkele plaats kunnen vinden (blz 48, commentaar bij vers 1638), waar een voorstel van Th.J.A. Broers uitdrukkelijk ter sprake gebracht en als alternatieve verklaring gehonoreerd wordt. Zeker voor wat de voetnoten en het glossarium betreft, heb ik het stellige gevoel dat er zo goed als geen samenwerking tussen HiWe en zijn Nederlandse collega’s heeft plaatsgevonden. Ondanks de drie namen op de titelbladzijde ga ik er daarom in het vervolg van uit dat de verantwoording voor de emendaties, de verklarende voetnoten en het glossarium uitsluitend in handen van HiWe heeft gelegen. Ik maak daarom gebruik van de volgende afkortingen: WeEm (emendatie van Weddige), WeNo (verklarende voetnoot van Weddige) en WeGl (glossarium van Weddige).

Men moet de Ogier-editie gedifferentieerd bekijken. De eigenlijke tekstuitgave is zeer verdienstelijk te noemen. Afgezien van een aantal gebruikelijke normalisaties geeft ze de tekst van het handschrift zeer getrouw weer, en bij emendaties kan men zo goed als altijd aan de hand van de voetnoten reconstrueren wat er in het manuscript staat. Met de interpunctie en met het hoofdlettergebruik hoeft men het niet altijd eens te zijn, maar dat is iets wat voor elke editie geldt die zich niet aan strikt diplomatische regels houdt. Tot zover valt hierop dus niets aan te merken. Het probleem begint pas in de voetnoten en in het daarmee samenhangende “Wortverzeichnis” (WeGl). Maar voordat we ons daar kritisch mee gaan bezig houden, moeten we een duidelijk beeld hebben van de genese van de Heidelbergse Ogier.

HiWe houdt in de inleiding op zijn editie (blz. LXXV) met alle geweld staande dat de Duitse Ogier von Dänemark een vertaling is uit het Middelnederlands. Andere auteurs vóór hem zoals de literatuurhistoricus G.G. Gervinus en de medievist H. Beckers waren voorzichtiger en prefereerden termen als ‘Umdichtung’ of ‘Umschreibung’ in plaats van ‘Übersetzung’. In een recente bijdrage voor een speciaal nummer van het Zeitschrift für Deutsche Philologie dat aan de relaties tussen de Nederlandse en Duitse literatuur in de Middeleeuwen is gewijd [Berteloot 2011] heb ik aan de hand van een drietal voorbeelden betoogd dat de Duitse Ogier geen vertaling maar een kopie van een Nederlandse tekst is. Uit deze vaststelling volgt automatisch dat Ludwig Flugel (LuFl), de kopiist van het Heidelbergse handschrift die zichzelf in het colofon uitdrukkelijk noemt, voor de Duitse tekst verantwoordelijk is. Bij het complexe theoretische probleem van middeleeuwse vertalingen van het Nederlands naar het Duits hoop ik in een andere bijdrage uitvoeriger stil te staan, maar als men zich anachronistisch op een modern standpunt plaatst, moet men zonder meer constateren dat de talrijke ‘vertaalfouten’ in de Duitse Ogier bewijzen dat de ‘schrijver’ ervan hoe dan ook te weinig vertrouwd was met het Nederlands om zijn brontekst te begrijpen, laat staan hem naar het Middelhoogduits om te zetten. Het Heidelbergse handschrift is het typische resultaat van een middeleeuws afschrijfproces met dien verstande dat in dit geval de talige afstand tussen de brontekst en de kopie zo groot was, dat hij voor de kopiist bijna onoverbrugbaar was. Het resultaat is een mengeling van Middelhoogduits en Middelnederlands, die uiteindelijk noch voor Nederlands- noch voor Duitstaligen zonder kennis van de andere taal begrijpelijk was en is.

Wanneer men de Duitse Ogier grondiger bestudeert, kan men daarin afwisselend verschillendsoortige passages onderscheiden.

1) Dankzij de nauwe linguïstische verwantschap tussen het Nederlands en het Duits heeft LuFl hele tekstbrokken uit de brontekst vrijwel moeiteloos begrepen en zonder problemen naar het Duits omgezet. Deze passages zijn in goed Middelhoogduits geschreven en leveren geen moeilijkheden bij het lezen op.

2) De brontekst bevatte echter ook passages die LuFl niet echt, slechts gedeeltelijk of zelfs compleet verkeerd begrepen heeft. Desondanks deed hij een poging om de tekst voor Duitse lezers enigszins begrijpelijk te maken, wat echter op voorhand tot mislukken gedoemd was. Het resultaat van dit soort ingrepen kan verschillend uitvallen:

a) Het kopieerproces levert weliswaar goed Middelhoogduits op, maar de betreffende passage past niet logisch in de context van het verhaal (bijvoorbeeld: een personage sterft, terwijl het 100 verzen later weer springlevend blijkt te zijn) of zadelt de lezer op met onopgeloste vragen, waar LuFl zich niet druk over heeft gemaakt. De lezer krijgt de indruk dat de auteur niet goed over zijn verhaal heeft nagedacht en er maar op los vertelt. Dergelijke passages zullen de reputatie van Nederlandse literatuur in Duitsland niet erg bevorderd hebben.

b) Het kopieerproces levert slecht Middelhoogduits op. De zin(nen) of het tekstfragment houden grammaticaal en/of lexicaal geen steek en ze kunnen door de lezer dus ook niet zinvol in het verhaal ingepast worden. Ik acht de kans niet gering dat de lezers bij de zoveelste passage van deze aard het boek geïrriteerd hebben dichtgeslagen en voorgoed naar de vergeethoek van de bibliotheek hebben verbannen.

3) Wanneer LuFl met passages werd geconfronteerd waarvan hij niets begreep, heeft hij af en toe letterlijk zijn legger afgeschreven. Dat ging regelmatig gepaard met de onvermijdelijke lees- en kopieerfouten zoals het verwisselen van de letters ‘c’ en ‘t’, het foutief interpreteren van abbreviaturen en het negeren of abusievelijk invoegen van woordscheidingen. Het resultaat daarvan is in de grond Nederlands maar het ziet er uit als pseudo-Duits. De reactie van de lezer zal ongeveer dezelfde geweest zijn zoals bij gevallen van het type 2b.

Welke van deze mogelijkheden LuFl realiseerde, hing in hoge mate af van zijn ogenblikkelijke conditie. Wat de ene keer goed ging, kon enkele tientallen regels verder verkeerd aflopen of omgekeerd. LuFl blijkt wel in staat geweest te zijn om van zijn fouten te leren, maar zeker kan men daarvan nooit zijn. Zelfs wanneer hij na verloop van tijd tot een beter inzicht was gekomen en een lang gekoesterde fout opeens juist ‘vertaalde’, ging hij nooit zo ver eerder gemaakte fouten te corrigeren. Enkele mooie voorbeelden daarvan vindt men in Berteloot 2011. Het resultaat van dit kopieerproces is een zeer complexe tekst. En het ligt voor de hand dat men, wanneer men niet rigoureus voor een diplomatisch afschrift opteert, de tekst maar op één enkele zinvolle manier kan uitgeven. Daarvoor heeft HiWe dan ook volkomen terecht gekozen. Zijn editorisch credo luidt: “Bei der Herstellung des Textes gilt es, diese authentische Mischform zu wahren, ohne die Grenze zur Rückübersetzung ins Niederländische oder zur ‘Weiterdichtung’ an einer – hier eben nicht konsequent realisierten – deutschen Fassung zu überschreiten” (blz. LXXIX).

Tot zover ben ik het met HiWe’s werkwijze volkomen eens. Het is de eerste taak van een editeur zijn tekst op een betrouwbare en controleerbare manier aan zijn lezers te presenteren. Maar daarmee houdt diens taak nog lang niet op. De editeur moet zijn tekst ook toegankelijk maken voor zijn lezers, en dat is bij de Ogier veel moeilijker dan bij andere teksten omdat dit boek zowel voor Duits- als voor Nederlandstaligen van belang is. Misschien is die taak zelfs zo complex dat het volkomen illusionair is beide groepen tegelijk te bevredigen. In ieder geval ontkomt de editeur er niet aan voor zijn commentaar een zeer precieze strategie te ontwikkelen. Men kan die taak namelijk op zeer verschillende manieren opvatten.

1) Men kan de Duitse Ogier als een zelfstandige Duitse tekst interpreteren en zich bewust niets aantrekken van de Nederlandse brontekst die LuFl voor ogen heeft gehad. Een uitgever die zich op dit standpunt stelt, neemt er genoegen mee LuFl’s tekst voor Duitstaligen begrijpelijk te maken en aan de hand van Duitse grammatica’s en woordenboeken inzicht te verschaffen in de Ogier als laatvijftiende-eeuwse Duitse tekst. Problematische passages van de types 2 en 3 hierboven kunnen dan als bedorven lezingen of als bewust ingevoegde reminiscenties aan de Nederlandse oorsprong van de tekst worden geïnterpreteerd en met de nodige fantasie worden verklaard. Deze strategie zal in het beste geval alleen Duitstalige lezers bevredigen. Of ook germanisten daarmee tevreden zullen zijn, laten we in het midden. Neerlandici hebben daar niets aan.

2) De Duitse Ogier kan als een vertaling uit het Middelnederlands worden beschouwd. De Duitse passages van het type 1 hierboven verklaart de editeur vanuit het Duits. Voor de Nederlandse tekstbrokken (type 3 hierboven) en de problematische Duitse passages (types 2a en 2b hierboven) probeert hij een verklaring te vinden door gebruik te maken van Nederlandse woordenboeken en grammatica’s. De tekstverklaring probeert inzicht te verschaffen in wat LuFl bedoeld zou kunnen hebben. De Nederlandse brontekst van LuFl is alleen in zoverre interessant als hij ertoe kan bijdragen duistere passages in de Duitse tekst begrijpelijk te maken. Hij is nooit doel op zichzelf. Germanisten en andere Duitstalige lezers zullen vermoedelijk met deze aanpak tevreden zijn. Voor neerlandici schiet deze strategie te kort, want ze heeft alleen belangstelling voor wat LuFl van zijn Nederlandse brontekst heeft gemaakt, maar niet voor wat er daadwerkelijk in de brontekst heeft gestaan.

3) De complete Ogier kan worden beschouwd als een omzetting van een Nederlandse tekst door een Duitstalige met een te beperkte kennis van de brontaal. De uitgever is dan verplicht elke Duitse zin kritisch op aperte en verborgen interferenties met het Nederlands te onderzoeken en vragen te stellen over de interne logica van de Nederlandse brontekst en de Duitse omzetting daarvan. Hij komt er niet onder uit de Duitse en de Nederlandse tekst als twee zelfstandige maar van elkaar afhankelijke entiteiten te beschouwen. Hij is gedwongen steeds een reeks vragen voor ogen te houden zoals: “Wat bedoelt LuFl?”, “Wat heeft LuFl in zijn brontekst gelezen?” en “Heeft LuFl zijn brontekst juist of verkeerd begrepen?” enzovoort. Deze werkwijze impliceert niet alleen een interpretatie van de Duitse tekst maar meteen ook een reconstructie van de verdwenen Nederlandse brontekst. Deze aanpak is een grote filologische uitdaging. Hij geeft zowel neerlandici als germanisten de kans om inzicht te krijgen in de manier waarop een middeleeuwse Duitse klerk met een Nederlandse tekst is omgegaan.

Wanneer men zich afvraagt welk van deze standpunten HiWe in zijn editie heeft ingenomen, dan moet men vaststellen dat hij tussen de eerste en de tweede mogelijkheid laveert. Overal waar het enigszins kan, neemt hij genoegen met een verklaring van wat LuFl schrijft. Op onlogische passages (type 2a) wordt soms wel, soms niet geattendeerd. Met verwrongen of ongrammaticaal Middelhoogduits (type 2b) gaat HiWe vaak creatief om zonder al te diep op grammaticale problemen in te gaan. In een aantal gevallen van het type 2 wordt in WeNo of WeGl ook naar mogelijke interferenties van de Nederlandse legger gezocht, maar dit gebeurt steeds onsystematisch en zonder grondige kennis van zaken. Gevallen van het type 3 worden door HiWe aan de hand van het Nederlandse filologische instrumentarium bekeken, maar het komt ook voor dat ze niet als zodanig worden herkend en als verongelukt Middelhoogduits worden beschouwd en creatief geïnterpreteerd. Niet zelden onthoudt de uitgever zich bij onbegrijpelijke en ongrammaticale passages van elke vorm van commentaar. Het resultaat is dat de kritische Duitstalige lezer regelmatig met gefronste wenkbrauwen of zelfs volkomen radeloos bij de tekst blijft zitten. Bij neerlandici komt daar maar al te vaak verwonderd hoofdschudden bij.

De Ogier-editie van HiWe is een gemiste kans. Het is een zeer kostbaar boek, dat al zijn lezers, zowel Nederlands- als Duitstaligen met een gevoel van onbehagen opschept. Het gevolg is dat de tekst tien jaar na verschijnen noch door de Neerlandistiek noch door de Germanistiek ernstig ter kennis is genomen. De vraag is of daar nog wat aan te doen valt of of we, nu het kalf eenmaal verdronken is, maar liever de put moeten dempen en er gras over laten groeien. Als we nog een paar decennia wachten, komt er misschien iemand die het hele werk nog eens overdoet.
    Als we niet bij de pakken willen blijven zitten, moeten we wat ondernemen om de tekst toegankelijk te maken zij het voor Nederlands- of voor Duitstaligen of voor allebei. Dit laatste lijkt me erg hoog gegrepen. Gesteld dat wij er als neerlandici in zouden slagen de Ogier te reconstrueren, dan kunnen we het vermoedelijk met een gerust hart aan de germanisten overlaten om daar gefundeerde conclusies uit te trekken aangaande de relatie tussen de Duitse en de Nederlandse letterkunde in de Middeleeuwen, ten minste aan dat handjevol specialisten die verder plegen te kijken dan hun nationale neus lang is. Maar in het geval van Ogier komen we geen stap verder zolang er geen leesbare tekst op tafel ligt. En dat is – na de halfslachtige voorzet van HiWe – een taak die alleen de neerlandistiek kan vervullen. Wat kan er dus aan gedaan worden?

1) De eerste mogelijkheid is de tekst opnieuw uit te geven met een nieuw commentaar. We moeten ons hierbij echter ernstig afvragen of dat wel zinvol is. We hebben al aangemerkt dat de editie van HiWe afgezien van wat punten, komma’s en hoofdletters eigenlijk zeer degelijk is. Het boek van HiWe is weliswaar erg duur en het is ook maar in weinig bibliotheken ter beschikking, maar iedereen die het wil bestuderen, kan er theoretisch aan komen. Aan een nieuwe editie van de handschriftelijke tekst bestaat definitief geen behoefte.

2) Een nieuw commentaar? Een commentaar zonder editie? Theoretisch is alles mogelijk, maar de kans dat niemand een boek gaat aanschaffen met een commentaar bij een tekst waarover hij niet beschikt of die hij eerst ergens anders op de kop moet zien te tikken om te begrijpen waar het commentaar over gaat, lijkt me eerder gering. Daar komt nog bij dat iedereen die ernstig met dat nieuwe commentaar wil werken, permanent twee (vermoedelijk) dikke boeken tegelijk zal moeten raadplegen. Dat lijkt me een uitdaging voor doorgewinterde filologen, maar van een doorsnee-lezer met belangstelling voor oude letterkunde is dit te veel verlangd. En als hij al de moeite neemt, is hij op het einde misschien een stuk wijzer geworden, maar hij houdt er nog steeds geen leesbare tekst aan over. Lezen en citeren kan dan nog altijd alleen uit een tekst, die zonder commentaar voor velen onbegrijpelijk is.

3) Blijft een hertaling van de Ogier. Zoals hierboven al betoogd is het op talloze plaatsen onvermijdelijk de Nederlandse tekst te reconstrueren als men er achter wil komen wat LuFl bedoelt. Een serieus commentaar bij de tekst van LuFl zal dus noodgedwongen voor een groot gedeelte uit een hertaling van de Ogier moeten bestaan. En wanneer we al de moeite doen om de problematische plaatsen in LuFl’s tekst te reconstrueren, waarom zouden we dan niet meteen ook de onproblematische passages hertalen, zodat het geheel weer leesbaar wordt? Laten we ons daarbij echter niet de illusie maken dat de originele Nederlandse tekst perfect reconstrueerbaar is. Alles wat we hebben, zien we uiteindelijk door de ogen van LuFl. En wat die niet heeft gezien of niet heeft willen zien, dat is voor ons onherroepelijk verloren. En een aantal passages heeft LuFl bovendien zo grondig bedorven dat we er vermoedelijk nooit meer achter zullen komen wat er oorspronkelijk gestaan heeft. Desondanks mogen we ervan uit gaan dat naar schatting zeker 90% van het verhaal reconstrueerbaar is.

De Ogier van Denemerken dreigt, nadat G. de Smet, G. Schieb, H. Weddige, H. van Dijk en Th. en anderen geprobeerd hebben om hem na meer dan vijfhonderd jaar tot nieuw leven te wekken, als gevolg van het dilettantische ‘vertaalwerk’ van LuFl en de onbevredigende tekstannotatie van HiWe voor de tweede keer in de vergetelheid te geraken. Dat is reden te over om te proberen om er zoveel van te redden als enigszins mogelijk is. Wanneer we erin zouden slagen om de tekst bij benadering te reconstrueren, zouden we de beschikking krijgen over een van onze grote epen, zodat ons beeld van de Karelepiek niet meer alleen door het weliswaar fraaie maar toch erg smalle Karel ende Elegast bepaald wordt. En deze tekst zou een centrale rol kunnen spelen in het onderzoek naar de grensoverschrijdende literaire relaties tussen de Nederlanden en Duitsland in de Middeleeuwen. Omdat de neerlandistiek dus veel belang heeft bij een wetenschappelijk verantwoorde reconstructie van de Ogier van Denemerken, wagen we ons aan een hertaling ervan. De tekst verschijnt met de nodige verklarende en tekstkritische noten in feuilletonvorm in Neder-L. Aan een aantal interessante detailproblemen en discussiepunten willen we aandacht besteden in een reeks aparte bijdragen, waarvan deze de eerste is. Voor het opschrift dat we hebben gekozen, hebben we ons laten inspireren door een serie artikelen die onze hooggewaardeerde leraar Robrecht Lievens onder de titel ‘Lezenderwijs’ eind van de jaren zeventig tot begin van de jaren tachtig in de Handelingen der Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis heeft gepubliceerd. Hij moge dit als een hommage aan zijn werk en een late dank voor zijn voortreffelijk onderwijs aanvaarden.

Brock, voorjaar 2012

Bibliografie

Berteloot 2004: A. Berteloot, Recensie van Malegijs 2000, De Smet 2002 en Ogier 2002 in: Rheinische Vierteljahrsblätter, 2004, blz. 243-246.

Berteloot 2011: A. Berteloot, ‘Gewollt und nicht gekonnt? Oder erst gar nicht gewollt? Der Heidelberger Ogier von Dänemark.’ In: Zeitschrift für Deutsche Philologie 130, 2011. Sonderheft. B. Bastert, H. Tervooren, F. Willaert (ed.): “Dialog mit den Nachbarn. Mittelniederländische Literatur zwischen dem 12. und 16. Jahrhundert”, blz. 193-201.

Malegijs 2000: Der deutsche Malagis nach den Heidelberger Handschiften CPG 340 und CPG 315 unter Benutzung der Vorarbeiten von G. Schieb und S. Seelbach herausgegeben von A. Haase, B.W.Th. Duijvestijn, G.A.R. de Smet und R. Bentzinger. Berlijn: Akademie Verlag 2000. Deutsche Texte des Mittelalters, Band LXXXII.

Ogier 2002: Ogier von Dänemark nach der Heidelberger Handschrift CPG 363 herausgegeben von H. Weddige in Verbindung mit Th.J.A. Broers und H. van Dijk. Berlijn: Akademie Verlag 2002. Deutsche Texte des Mittelalters, Band LXXXIII.

De Smet 2002: G. de Schutter en J. Goossens (red.): Van Madelgijs tot Malagis. Een bundel opstellen verzameld n.a.v. de tachtigste verjaardag van Gilbert de Smet. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 2002. Studies op het gebied van de oudere Nederlandse letterkunde, nr. 1).

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.