Boeken kapot / maken

Sommige mensen hebben een rare hobby: ze maken boeken kapot. En dat is maar goed ook. ‘Hè?’ hoor ik u denken, ‘hoe kan dat? En noem eens wat voorbeelden? Wie vinden het leuk om boeken kapot te maken? Nou?’ Okee, vooruit, tijd voor naming and shaming. Ik heb het over Erik Kwakkel en Remco Sleiderink.
Zij beleven plezier aan het opensnijden van 300 jaar oude boeken. Ze gaan voorzichtig – chirurgisch – te werk, met scherpe mesjes gaan ze de antiquarische boeken te lijf. Dit geeft het woord ‘kapotmaken‘ een nieuwe, deconstructieve, betekenis, want de boeken gaan kapot om er andere teksten mee te maken.
In vroeger tijden werden ruggen van boeken verstevigd met Middeleeuwse perkamenten bladen, het zijn deze bladen waar onderzoekers als op zoek naar zijn. En met succes, want binnen een paar maanden zijn er interessante vondsten gedaan, zowel door Kwakkel als door Sleiderink. Als zij zo doorgaan, dan zal binnen afzienbare tijd de Middeleeuwse literaire canon er heel anders uitzien: is Madoc eindelijk gevonden, blijkt er een vervolg te zijn op Karel ende Elegast en zal iedereen van de avonturen van de olijke tweeling Esmoreit ende Gloriant in hun Friese veelkleurige roeiboot kunnen genieten.
Zoals altijd bij bijzondere hobby’s geldt ook nu: Don’t try this at home. (Niet dat ik bang bent dat u zich in de vingers snijdt, maar u zult in uw Rainbow-pockets weinig waardevols in de rug tegenkomen.)
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags . Bookmark de permalink.

5 reacties op Boeken kapot / maken

  1. Wim van Anrooij schreef:

    De redactie van Neder-L heeft me uitgelegd dat de column "Boeken / kapot maken" van Bas Jongeneelen bedoeld was "als een kreet van enthousiasme voor dit nieuwe type onderzoek. Die kreet is geformuleerd in een column met een eigen toon, gekarakteriseerd door hyperbool en ironie." Het "enthousiasme" juich ik van harte toe, maar mij was de hyperbool en ironie bij eerste lezing totaal ontgaan… Wie echt geïnteresseerd is in wat Kwakkel en Sleiderink doen met oude boeken: beiden zijn actief op Facebook.

  2. Erik Kwakkel schreef:

    Ik deel de bezorgdheid van WvA, want ook bij mij was het niet duidelijk dat er ironie in het spel was. Een bescheiden correspondentie met de auteur heeft die bezorgdheid niet weggenomen. Ik hou van ironie en hyperbool maar deze werken alleen als ze werken: het beeld van een mes wordt anders een echt mes, dat reputatie en potentieel toekomstig veldwerk in stukken snijdt.

    Wie liever dan deze losse flodder *echt* wil weten hoe fragmenten worden bestudeerd die leze de 100 Tweets die tijdens de live twitter-sessie vanuit Rolduc zijn verstuurd (https://twitter.com/#!/search/%23rolduc2012).

  3. Bas Jongenelen schreef:

    Wie meer wil weten over de werkzaamheden van Erik Kwakkel en Remco Sleiderink kan in mijn column klikken op de woorden ‘Erik Kwakkel’, ‘Remco Sleiderink’, ‘kapotmaken’, ‘Kwakkel’ en ‘Sleiderink’. Je komt dan bij de bronnen die ik gebruikt heb voor deze column.

  4. Lars Smits schreef:

    Mijns inziens hebben zowel dhr. Van Anrooij als dhr. Kwakkel overduidelijk geen gevoel voor humor. Nergens in dit stuk bespeur ik enige notie van negativisme rondom Kwakkels werkzaamheden. Integendeel, dhr. Jongenelen juicht zijn dankbare werk juist met veel enthousiasme toe. Het valt mij met name tegen dat twee taalkundigen dit niet uit deze toch heldere tekst kunnen opmaken. Dhr. Kwakkel mag tevens dankbaar zijn dat er eens op informele wijze aandacht wordt besteed aan het letterlijke en figuurlijke stoffige werk dat hij doet. Waarschijnlijk is het stof hem naar het hoofd gestegen en wordt het tijd dat hij zijn zolderkamer uitkomt voor wat frisse lucht en om zich weer eens te mengen onder de echte mensen; met boeken valt natuurlijk weinig te lachen.

  5. Leo Rademakers schreef:

    Het is inderdaad vermakelijk om te zien dat een stukkie tekst dat bol staat van de positieve opmerkingen over het belangwekkende werk van Kwakkel en Sleiderink, door de betrokkenen zelf als kritiek wordt ervaren. Misschien moeten zij eens het nieuwe boekwerk van Jongenelen over 'humor in Middeleeuwse toneelstukken' lezen, zodat ze een beetje gevoel voor humor krijgen. Misschien moeten zij gewoon eens een keer iets luchtigs lezen dat níet op perkament is gepend… Humor, vriendelijke ironie en een incidentele hyperbool: dat zijn dingen die het leven nu juist zo leuk maken! Daar zouden wetenschappers en andere Monty Python-liefhebbers toch juist alles van moeten weten..!

Reacties zijn gesloten.