Klezmer met één tamboerijn

Toen Het Parool in 2006 een verkiezing van het ‘mooiste Amsterdamse woord’ uitschreef, won achenebbisj. Dat was lang niet het enige jiddische woord dat in de lijst terecht kwam: ook attenoje (‘krijg nou wat’), gebbetje (grapje), en mesjogge (‘gek’)stonden hoog en hadden een Jiddische oorsprong.

Wie in Amsterdam naar ‘echt Amsterdams’ wil luisteren, hoort nog steeds een heleboel joodse klanken. Dat observeert ook Megan Raschig in het artikel "Goeie Ouwe Gabbers: Listening to ‘Jewishness’ in Multicultural Mokum" dat deze week verscheen in het elektronische wetenschappelijke tijdschrift Quotidian.

Voor haar artikel heeft Raschig gesproken met enkele Amsterdammers — vooral met mensen die zich bezig houden met het Jiddisch. Het is fijn dat iemand zich over deze materie bezig buigt, want het Joodse geluid van Amsterdam is een onderwerp dat meer studie verdient dan de uitleg dat veel Amsterdamse woorden Jiddisch zijn. Maar het is jammer dat er nogal wat ontbreekt aan Raschigs artikel, dat het Joodse geluid dat ze laat horen nogal eenzijdig is, een beetje alsof iemand belooft dat ze klezmer gaat laten horen en dan alleen met een tamboerijn rammelt.

Migratie

Raschig richt zich in de eerste plaats op de zes Jiddische koren in de stad en andere beoefenaars van Jiddische muziek. Dat is inderdaad een interessant verschijnsel dat zeker studie verdient, maar dat is deels om redenen waaraan Raschig geheel voorbij gaat: het joods-Amsterdamse van die koren is problematischer dan het lijkt. Het Jiddisch dat ze zingen heeft historisch gezien vaak betrekkelijk weinig met Amsterdam te maken. In de negentiende eeuw heeft de Nederlandse overheid zich sterk ingespannen om het ‘inheemse'(West-)Jiddisch uit te roeien en zo’n honderd jaar geleden was er dan ook al weinig van over in ons land. De klezmer-muziek die de koren zingen komt uit Oost-Europa (al dan niet via een Amerikaans omweg) en is ook vaak gesteld in het Oost-Jiddisch. Dat is op zichzelf interessant, en je zou kunnen zeggen dat het verwijst naar het feit dat het enige Jiddische leven dat er bij ons nog over is door latere migratie (vluchtelingen in de jaren dertig, Amerikanen en Israëlí’s in de afgelopen decennia) gekomen is. Maar zoiets kun je niet onvermeld laten.

Eén reden om preciezer te zijn is dat er ook (Joodse) Amsterdammers zijn die weinig ophebben met de Jiddischheid die Raschig beschrijft en deze zelfs als kitsch afdoen. Uit Raschigs artikel krijgt de oppervlakkige beschouwer al snel de indruk dat hét joodse geluid in Amsterdam bijna hetzelfde is als het ‘ander Joods geluid’: Jiddisch en kritisch over Israël (This distancing from Israeli Zionism, and the often Christian and rightist proponents of these politics in the Netherlands, was a constant theme in our interviews). Dat voor sommige Amsterdamse Joden het moderne Hebreeuws een belangrijkere taal van hun Joodse identiteit is dan het Jiddisch, en het zionisme ook niet per se wordt afgewezen, wordt niet genoemd.

Zoals Raschig er ook aan voorbijgaat dat ook het bijbels Hebreeuws in het leven van veel zionistische en niet-zionistische joden ook nog aan die identiteit bijdraagt, bijvoorbeeld doordat ze iedere zondag naar ‘Joodse les’ gaan of zijn gegaan om die taal te leren.

s-klank

Het laatste Joodse (taal)geluid waarover meer had kunnen worden gezegd, is de vraag of er in het Amsterdams nu nog meer doorklinkt van het Joods Nederlands dan alleen wat losse woorden — spraakklanken bijvoorbeeld. Ik ken mensen die beweren dat er in Amstelveen nog een echt Joodse uitspraak wordt gebruikt door sommige mensen. Daar had ik graag meer over willen lezen, vooral omdat ik niet precies weet is wat er bedoeld wordt. (Een beroemde, maar controversiële spreker van een ‘joods Amsterdams’ was Max Tailleur, met onder andere een heel specifieke s-klank waar ik graag meer over zou willen weten.)

Ik begrijp wel dat Raschigs artikel niet beoogt een compleet sociologisch overzicht te geven van de Joodse gemeenschap in Amsterdam; maar ze verantwoordt in het geheel niet waarom ze zich beperkt heeft tot één instrument in het orkest: de klezmer-tamboerijn. Dat er op de achtergrond nog veel meer meeklinkt, dat het ‘joodse geluid’ een rijk orkest is, daar had ik wel wat meer over willen horen.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW) en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.