Een heel dun boek over de p

Wanneer ik genoeg papier had, zou ik een encyclopedie uitgeven over de klanken van het Nederlands, met voor iedere klinker en medeklinker een apart deel: een boek over de harde en de zachte g, een boek over de lange aa uit slaap, een boek over de b in bal en een extra dik boek over de toonloze e (‘sjwa’) in slappe.

U denkt dat ik overdrijf, maar over ieder van die klanken valt veel en meeslepend te schrijven: hoe de schrapende g ooit de ‘Engelse’ g moet hebben verdreven (ooit moeten wij goed op min of meer dezelfde manier zijn begonnen als het Engelse good en het Duitse gut), hoe de aa de enige lange klinker is die voor een lf voorkomt in het Nederlands (in twaalf) en de b nauwelijks na een andere medeklinker kan staan aan het eind van een woord (je hebt wel kalf, help, kalm maar geen woorden als kalb). En waarom we de toonloze e zeggen als ons verder niets invalt (eeeh) of als twee medeklinkers botsen (mellek) of als we onnadrukkelijk spreken (ketoor, menuut).

Ik zou er niet tegenop zien om al die delen eigenhandig te schrijven. Misschien zou niemand ze willen lezen, maar dat zou me niet kunnen schelen, dan stonden al die delen maar alleen bij mij in de kast! Maar één deel zou ik liever aan iemand anders willen laten, bedacht ik gisteren tijdens een college: dat over de p. Dat is werkelijk de saaiste van alle Nederlandse klanken. Alle dialecten hebben die p en ze spreken hem allemaal anders uit, er is niets wat de p kan en wat de t of de k niet ook kunnen (behalve aan het eind van mijn naam staan), er is in de loop van de geschiedenis van het Nederlands zelden iets interessants met de p gebeurd.

De p is het kraanwater onder de Nederlandse spraakklanken.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags . Bookmark de permalink.

8 reacties op Een heel dun boek over de p

  1. Stefan Norbruis schreef:

    Juist het feit dat de p zo'n normaal foneem is geworden, is interessant (voor historisch taalkundigen tenminste): in het Indo-Europees was de b, waarop de Germaanse p in principe teruggaat, een marginaal, vrijwel onbestaand foneem. Het Nederlands heeft dat gat uiteindelijk dus perfect weten te dichten.

  2. Dat is een goed punt – maar schrijf daar maar eens een boek over!

  3. Andre Engels schreef:

    Een interessante, hoewel het wellicht meer bij de b hoort, is de -b en -p als eindklank. Die klinken namelijk hetzelfde, maar worden door de taalgebruiker als verschillende fonemen gevoeld. Met als gevolg dat we de toch wel zeer ongebruikelijke situatie hebben dat 'slab' en 'slap' feitelijk een minimaal paar zijn zonder klankverschil…

    Overigens moet ik ook een aanmerking maken bij je stelling dat de p niets kan dat de t of de k niet ook kunnen: de klankgroep skr- is in de loop der tijden schr- geworden, zodat spr- nog wel bestaat, maar skr- alleen in direct als zodanig herkende leenwoordenn (ik kom niet verder dan 'scratchen').

  4. Andre Engels schreef:

    Hmmm… Ik was toch wat te snel met mijn reactie over skr-. Scribent, scrabble, screenen, script, scrollen, scrotum – het zijn er toch wel een behoorlijk aantal, genoeg om mijn stelling dat de combinatie eigenlijk niet meer voorkomt te ontkrachten.

  5. Adriaan Krabbendam schreef:

    "(behalve aan het eind van mijn naam staan)" ? Daar zijn Riet, Piet, Sjaak en Moniek het niet mee eens. Of bedoel je iets anders?

  6. Adriaan Krabbendam schreef:

    Oeps, ik was te snel, zie ik nu. Je bedoelde inderdaad iets anders…

  7. Marcel Plaatsman schreef:

    Eerder vandaag reageerde ik al via Twitter. Hier schrift 't makkelijker, hoewel een eerdere poging hier te reageren vanmiddag mislukte. Ik probeer 't nog 'ns, want er is toch best veel over de p te zeggen.

    – De p in -pje is interessant, zeker als je ook vormen als "mouwpje" en "meeuwpje" in ogenschouw neemt, die in Vlaanderen soms voorkomen, vermoedelijk uit hypercorrectie (dialect is "mouwke").

    – De naam Pim is een verkorting van Willem. Ook hier lijken de w en de p elkaar op te zoeken.

    – De -p in gymp is ook wat studie waard. Joop van der Horst heeft er al over geschreven en betoogde dat we niet klakkeloos van 'n verkorting van "gympies" uit mogen gaan.

    – De p komt relatief veel in leenwoorden voor, redenen hij in erfwoorden eerder zeldzaam is om hierboven aangevoerde redenen. Er zijn paren als "voorde" – "poort" (erfwoord -leenwoord) die wel aardig zijn, misschien kunnen we er 'n lijstje van maken.

    – De p zit in "papa", en niet alleen in het Nederlands. Dat is een interessant gegeven. Kennelijk doet de p het goed in kindertaal.

    – De p doet het vanouds ook uitstekend in tussenwerpsel: pff, poe, puh… Dat maakt de klank al weer iets bijzonderder.

    – De woorden poep en pies, die zijn niet netjes, die zijn vies. En er zit 'n p in. Ook in pik en piemel en nog zo van die woordjes die kinderen alleen giechelend uit kunnen spreken. Is dat toeval?

    Dat boek komt er vast.

  8. janienbenaets schreef:

    De sjwa, ha! Schwa epenthesis. Er zijn er meer die niet voor het kraanwater gaan maar voor de sjwa kiezen. Neem bijvoorbeeld dr. Hanne Kloots, mijn oud-leerling, ik noem haar naam dus niet zonder trots – ze doctoreerde aan de Universiteit Antwerpen op vocaalreductie. Even geleden nog bestudeerde ze de duur van de ingevoegde sjwa in het Standaardnederlands in Vlaanderen en Nederland!

Reacties zijn gesloten.