Marie z’n fiets is kapot

Het Twents is volgens de cabaretier Herman Finkers ‘de oudste nog levende wortel in het Nederlandse taalgebied’. Hij schrijft dat in het nieuwe nummer van Onze Taal, dat gisteren in de bus lag. Finkers legt niet echt uit waarop hij deze classificatie baseert — hoezo ‘het oudst’ —, maar dat maakt niet uit, want zijn opsomming van allerlei bijzondere eigenschappen van zijn geliefde streektaal is fijn genoeg om te lezen. Ik ontdekte bijvoorbeeld een nieuwe manier van beleefd zijn in het Twents:

Ook interessant is: ‘Marie hef ziene fietse kepot.’ Dat woordje ziene geeft aan dat er niet zo’n afstand is tussen jou en Marie. Als je geen Constantijn heet, zul je nooit zeggen: ‘Prinses Laurentien hef ziene fietse kepot.’ Dat blijft gewoon ‘eer fietse’.

Ik heb herhaaldelijk over bezittelijk voornaamwoorden in Nederlandse dialecten geschreven, maar dat je op zo’n manier een ‘jij’/’u’-achtig verschil maakt voor ‘haar’, daar had ik nog nooit van gehoord. Terwijl ik wel weer wist dat je inderdaad zegt ‘Hij heeft zijn fiets kapot’ in plaats van ‘Zijn fiets is kapot’, maar dat beschouwt Finkers kennelijk als zo vanzelfsprekend dat hij er geen woorden aan vuilmaakt. Ook dat sommige dialecten ‘Marie zijn fiets’ zeggen, is niet nieuw; de beleefdheidsbetekenis, daarmee verrast Finkers ons.

Dus ik meteen uitzoeken wat voor andere bronnen er zijn; die blijken moeilijk te vinden. Dat de vrouwelijke vorm wat beleefder klinkt is op zichzelf niet zo gek. Zij is in het Standaardnederlands behalve vrouwelijk ook de meervoudsvorm van hij (als er meerdere mannen komen zeg je toch zij komen) en die zij-vorm (of Sie) geldt in het Duits weer als beleefd (‘kommen Sie?’ betekent niet alleen ‘komen zij’ maar ook ‘komt u’?). Maar da dit verschil opduikt in haar fiets, dat was echt nieuw.

In de grammatica’s over Twentse dialecten die ik erop heb nageslagen heb ik tot nu toe in ieder geval niets over dit verschil gevonden. In de grote taalatlassen van de afgelopen jaren, de Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten en de Morfologische Atlas van de Nederlandse Dialecten wordt er niet over deze kwestie gerept.

In de database die aan de eerste ten grondslag ligt, vinden we wel de vertaling van de zin ‘Marie haar/zijn auto is kapot’ in enkele honderden dialecten. Daar zoeken naar de variant ‘Marie zijn auto is kapot’ (afgezien van hoe die woorden precies worden uitgesproken, wat men precies zegt tegen ‘kapot’, enz.) levert het kaartje op dat hierboven staat. (Erop klikken levert een vergroting op.)

Er is dus een hele strook plaatsen in het oosten van het land waar men ‘Marie zijn auto’ kan zeggen. Dat er daarbij een ‘afstandsverschil’ is met haar, kunnen we niet zien: de kaart voor Laurentien z’n fiets moet nog getekend worden. Dankzij Finkers weten we nu dus dat er hier ook nog iets te vinden zou moeten zijn.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , , . Bookmark de permalink.

3 reacties op Marie z’n fiets is kapot

  1. taaljournalist schreef:

    Ik ken, vanuit Zuid-Limburg, een iets andere variant: je verwijst naar vrouwen inderdaad met 'zijn' (en 'hem' – maar niet 'hij'), met twee uitzonderingen:
    * vrouwen tot wie de afstand te groot is, zoals Finkers beschrijft;
    * je eigen moeder.
    Ik ben zelf te zeer verhollandst om dit consequent te doen, maar ik weet vrij zeker dat dit levend Limburgs is.

  2. Henk schreef:

    Volgens de Niederdeutsche Grammatik van Lindow e.a. heeft het Oost-Faalse Nederduits als vrouwelijk bezittelijk voornaamwoord zowel "ehr" als "sien". Er staat niet aangegeven of er ook een functieverschil is.

  3. Wim schreef:

    De verklaring voor dit verschijnsel lijkt me eenvoudig: in het Twents en in het Limburgs zijn veel aanduidingen voor vrouwen onzijdig: in het Limburgs bijvoorbeeld mèèdje (meisje), vroomusj (vrouwmens, niet negatief bedoeld), en het bezittend vnw is dan “zijn”. De buurvrouw is voor een Limburger geen “mevrouw”, maar een “vroomusj”, dus zegt hij “ziene” fiets.

    Ik ken het Twents niet, maar vermoedelijk hebben de Twenten ook hun versie van het onzijdige woord "vrouwmens", waardoor zij een "gewone" vrouw als onzijdig ervaren, maar een "mevrouw" of een prinses niet.

Reacties zijn gesloten.