Esopet in de onderbouw

Maar al te vaak denken docenten Nederlands dat oudere literatuur typisch iets voor de bovenbouw van het vwo is. Niets is minder waar. Veel oude teksten zijn zeer bruikbaar in de onderbouw, je moet er echter wel iets voor doen om zo’n verhaal toegankelijk te maken. Met een goede tekstkeuze en genoeg enthousiasme krijg je je leerlingen heus wel warm voor, laten we zeggen, een Middeleeuws verhaal.
Hieronder heb ik een lessencyclus van drie lessen over Esopet, je weet wel, die Middelnederlandse fabelbundel. Leuke korte verhaaltjes, waar je in 2 havo echt wel iets mee kunt, of in een brugklas. Er hoort ook een leerlingenboekje met opdrachten bij. Aan de slag! En laat me weten hoe het gegaan is.

1.
Schooltype en klas
Deze lessen zijn bestemd voor de onderbouw havo / vwo, maar ook op het vmbo kunnen deze lessen gegeven worden.

2.
Actie docent vooraf
Voor deze lessen is gebruik gemaakt van de Esopet vertaling van H. Adema. Het is er een uit de reeks Vertaald Middelnederlands die in de jaren tachtig werd uitgegeven met de bedoeling Middelnederlandse werken toegankelijker te maken. Het boek bevat de 67 fabels in zowel hedendaags- als Middelnederlands. De fabels zijn genummerd. Voor de lessen is een hand-out
gemaakt. Het is ook noodzakelijk om over het boek zelf te beschikken, zodat de docent fabels kan voorlezen.

Esopet tekst en vertaling (Vertaald Middelnederlands; 7), H. Adema. Groningen, Taal en teken. 1983 ISBN 90 6620 007 3

3.
Introductie auteur
Het is onduidelijk wie precies de fabels heeft geschreven. Er wordt verondersteld dat Esopet het werk van twee auteurs is (op grond van verschillen in taalgebruik en verteltrant). Jacob van Maerlant noemt in zijn Spiegel Historiael Calstaf en Noydekin als auteurs van een fabelbundel. Zij zouden de schrijvers kunnen zijn, maar zouden ook andere fabels van Aesopus kunnen hebben bewerkt. Aesopus werd in de middeleeuwen beschouwd als de oorspronkelijke schrijver van deze fabels. Maar tegenwoordig wordt juist weer aan zijn bestaan getwijfeld.
De oorsprong van de Esopet-fabels is terug te vinden in de oude Indische fabelcultuur. Een paar honderd jaar voor Christus is een aantal van die fabels in het Grieks vertaald. Vervolgens zijn Latijnse vertalingen daarvan verspreid over West-Europa. Later werden ze weer vertaald in het Frans en Middelnederlands. Door al deze vertalingen is de originaliteit van de fabels niet meer te garanderen.
Vertaling hangt sterk samen met interpretatie en daardoor kan de inhoud van de fabels zijn gewijzigd. Daarom bevat de fabelbundel een uitgebreide inleiding aan het begin met aantekeningen over de vertalingen. Daar zie je ook dat sommige delen verschillend vertaald zijn of verloren zijn gegaan.

4.
Inhoud verhaal
Esopet is een bundel van 67 fabels uit de 14e eeuw. Fabels zijn verhalen waarin dieren met menselijke eigenschappen een rol spelen. Vaak zijn dat flat characters, zij hebben maar één menselijke eigenschap per verhaal (zoals jaloezie, hebzucht, ontrouw etc.). Meestal zijn het verhalen waarin alleen dieren voorkomen, maar er zijn er ook waar dier en mens iets meemaken. De mensen in de fabels hebben vaak niet meer dan een bijrol, het dier is de hoofdpersoon.
De fabels zijn op rijm geschreven en bevatten een wijze morele les. Ze kunnen als voorbeeld dienen om het goede te doen, maar ook als waarschuwing om het kwade te laten (pas op, zo kan het met je aflopen als je je slecht gedraagt). Je leert in de fabels iets door het gedrag van het dier (gebaseerd op een menselijke eigenschap). De fabels in Esopet zijn vrij kort van lengte (soms nog geen 10 regels) en handelen over allerlei verschillende dieren. Dieren die terugkomen in een andere fabel hebben wel vaak vaste eigenschappen. Zo is altijd de leeuw wijs (maar soms ook bang) en een vos niet te vertrouwen. Opvallend is dat de vos Reinaert voorkomt in een aantal fabels. Het is een bekend figuur uit de middeleeuwse literatuur en door zijn sluwheid niet misplaatst in een fabel.

5.
Lessen

Les 1

Introductie onderwerp
De docent leest een fabel in het Middelnederlands voor. Een bruikbare is nr. 11 op blz. 18. Dat is een korte fabel en er zitten veel herkenbare woorden in. Vervolgens vraagt de docent of leerlingen er iets van begrepen, of ze woorden herkennen (je hoort dat het Nederlands is, maar je kan het niet precies begrijpen) en of ze kunnen zeggen welke taal het is die ze hoorden.

Enige voorbereiding voor juiste uitspraak is handig, op Internet zijn verschillende artikelen te vinden over de juiste uitspraak van het Middelnederlands. Meer informatie over spelling en uitspraak is te vinden op:
http://www.dbnl.org/tekst/_taa008195401_01/_taa008195401_01_0021.php
en
http://neon.niederlandistik.fu-berlin.de/nl/nedling/taalgeschiedenis/middelnederlandse_spelling_en_uitspraak/#uitspraak
Luisterfragmenten zijn onder meer te vinden op de site www.literatuurgeschiedenis.nl.
Bijvoorbeeld: http://www.literatuurgeschiedenis.nl/lg/middeleeuwen/literatuurgeschiedenis/lgme042.html

De docent vertelt wat hij voorlas en legt vervolgens uit wat de klas de komende lessen gaat doen.
Ze gaan zich verdiepen in oude vormen van de Nederlandse taal en daarna in fabels die in die oude vormen geschreven zijn.

Uitleg taalverandering
De docent legt uit dat taal verandert door de tijd heen. De Nederlandse taal zoals wij die nu kennen heeft er niet altijd zo uitgezien. Omdat taal nog niet werd opgeschreven (er bestonden nog geen spellingsregels) en omdat mensen op verschillende plekken dezelfde taal anders gebruikten ontstonden er variaties. Zo zijn verschillende talen ontstaan en zo komt het dat onze taal nogal op het Duits lijkt. Laat (bijvoorbeeld) een afbeelding zien van hoe de Europese talen familie zijn van elkaar. Daarnaast hebben er binnen het Nederlands ook veel veranderingen plaatsgevonden. Ook omdat er nog geen vaste regels waren werd er maar een soort mix van dialecten aangehouden. Toen er meer werd opgeschreven (de boekdrukkunst werd uitgevonden) veranderde de taal weer.

Les 2
In de tweede les wordt er meer gekeken naar de Middelnederlandse fabels. Leerlingen gebruiken de kennis uit les 1 om verschillende fabels te begrijpen.

Herhalen les 1
De docent herhaalt de stof van de vorige les. Dat kan door leerlingen een aantal vragen te stellen:
Kun je talen noemen die op elkaar lijken? Hoe komt het dat talen op elkaar lijken (bijv. Nederlands en Duits)?
Kun je dingen noemen waarin de taal is veranderd (zinsbouw, spelling, uitspraak)?

Uitleg Esopet oude en nieuwe versie
Bij de volgende opdracht gaan leerlingen ook proberen een stuk te vertalen. De docent leest eerst de fabel voor en vraagt de leerlingen of wat ze ervan begrepen. Dan deelt hij de hand-out uit en leest de dezelfde fabel nog eens voor. Leerlingen lezen mee. Om zo’n oude tekst beter te begrijpen helpt het om het hardop te lezen, de klank van de woorden komt meer overeen met die van nu dan dat de schrijfwijze dat doet. De vertaling staat onder de fabel. Vraag leerlingen de verschillen met de taal van nu te benoemen.
De docent praat met de leerlingen over de inhoud van de fabel, het moet daarna voor iedereen duidelijk zijn waar de fabel over gaat:

– Wie komt erin voor?
– Wat gebeurt er?
– Hoe loopt het af?
– Wat kun je leren uit dit verhaaltje?
Waarschijnlijk weten leerlingen al wat een fabel is (verhaal over dieren). Leg anders de link met het kinderprogramma De Fabeltjeskrant waarin dieren als mensen voorkomen. Vertel waar fabels over gaan: dieren met menselijke eigenschappen (‘want dieren zijn precies als mensen, met dezelfde wensen en streken’ etc.) en een wijze les aan het eind.

Werken aan opdrachten
Leerlingen gaan in tweetallen verder werken aan opdracht 1 en 2. Het Middelnederlands zal nog wat vreemd aandoen, dus is het fijn als ze kunnen overleggen met elkaar. Ze lezen nog twee fabels en proberen er eentje zelf te vertalen. Afhankelijk van de tijd worden de opdrachten in de les nabesproken. De vertaling in rijm moet in ieder geval gemaakt is en huiswerk voor de volgende les.

Les 3
In de derde les worden de kenmerken herhaald. Vervolgens gaan leerlingen zelf aan de slag met het schrijven van een fabel.

Herhalen kenmerken fabels
De docent herhaalt met de leerlingen de belangrijkste kenmerken van fabels. Dit doet hij aan de
hand van een aantal uit Esopet die hij voorleest (bijvoorbeeld nr. 5, 6, 37 en 38 zijn goed te bespreken, menselijke eigenschappen en een wijze les komen duidelijk naar voren). Ook kan hij leerlingen vragen om hun vertaalde versie van de vorige les voor te lezen.

Opdrachten maken
Leerlingen maken opdracht 3. Ze schrijven voor zichzelf de belangrijkste fabelkenmerken op.

Fabel schrijven
In het laatste deel van de les gaan leerlingen zelf een rijmende fabel schrijven. De docent legt uit wat de bedoeling is, uitleg op de hand-out kan daarbij helpen. De week erop leveren de leerlingen hun fabel in. De docent kan leerlingen vragen om fabels voor te lezen. De opdracht gaat in hun schrijfdossier.

6.
Extra opdrachten

– Kies uit de fabels je eigen top 5. Schrijf op welke fabels jij het leukste vond en waarom.
– Zoek 5 spreekwoorden waar dieren in voorkomen. Kies er een om een fabel over te schrijven.
– Maak in een groepje van drie een toneelstukje van een van de fabels uit Esopet. Zorg dat iedereen een rol en tekst heeft en speel je toneelstukje voor de klas.
– Schrijf samen 1 fabel. Je werkt in een groepje. De eerste leerling schrijft de beginzin (er was eens een hond die een aap tegenkwam, bijvoorbeeld). Dan geeft hij het blaadje door en de volgende leerling bedenkt hoe het verder gaat. Zo ga je steeds verder en maak je het verhaal af.
– De vos Reinaert komt in de fabels van Esopet een aantal keer voor. Zoek nog twee middeleeuwse verhalen waarin deze vos voorkomt. Maak een samenvatting van beide verhalen.
– Schrijf zelf een fabel over twee dieren, kies uit een van de volgende combinaties: kikker & ooievaar, olifant & muis, ezel & paard, vos & das.

7.
Toetsvragen en antwoorden

a. Waarom denk je dat Middelnederlandse fabels op rijm zijn gemaakt? (fabels werden gesproken doorgegeven (er werd nog heel weinig opgeschreven) en een verhaal op rijm is makkelijker te onthouden)
b. Hoe komt het dat zoveel Nederlandse en Duitse woorden (zoals huis-haus, boek-buche) zo op elkaar lijken? (door de taalverwantschap. Lang geleden was het een taal, daarom lijken ze nu nog op elkaar.)
c. Wat zijn de twee belangrijkste kenmerken van een fabel? (de menselijke eigenschappen die dieren hebben en de wijze moraal aan het eind)
d. Noem twee dieren die in een fabel voorkomen met een passende eigenschap (sluwe vos, slimme leeuw, trotse pauw, domme ezel etc.)
e. Waarom zit er in een fabel altijd een wijze les? (om mensen voor slecht gedrag te behoeden. Door te tonen wat er mis kan gaan, werden mensen op het goede pad geprobeerd te houden)

Dit bericht is geplaatst in geen categorie met de tags , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Esopet in de onderbouw

  1. Anoniem schreef:

    Geweldig idee: lesideeën in Neder-L. Ga hiermee door!

Reacties zijn gesloten.